Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD3550

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
93570 / JE RK 08-370
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige is voorlopig onder toezicht gesteld voor drie maanden en op grond van een voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor gesloten jeugdzorg krachtens artikel 29c van de Wet op de Jeugdzorg (Wjz) geplaatst in de Veenpoort (Het Poortje) in afwachting van plaatsing in de Ottho Gerhard Heldringstichting. De stichting verzoekt aansluitend op de voorlopige machtiging, een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor gesloten jeugdzorg krachtens artikel 29b Wjz voor de duur van zes maanden. De kinderrechter wijst deze machtiging af. Machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor gesloten jeugdzorg is een diep ingrijpende maatregel in het leven en de persoonlijke levenssfeer van een minderjarige en dient bijgevolg een uiterste middel te zijn. In de onderhavige situatie zijn er nog alternatieven voorhanden in de vorm van een open plaatsing van de minderjarige om de ontwikkelingsbedreiging te kunnen keren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 93570 / JE RK 08-370

beschikking van de kinderrechter d.d. 7 mei 2008

op het verzoek van: Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland,

gevestigd te: 7311 ST Apeldoorn,

adres: Prins Willem Alexanderlaan 201,

verder te noemen: de stichting,

inzake

de minderjarige: [minderjarige],

geboren op: [1995 te plaats],

advocate: mr. M.L.J. Wekking te Apeldoorn,

en

de moeder (ouderlijk gezag): [moeder],

wonende te: [plaats]

adres: [adres],

advocate: mr. H.J. Scholten,

en

de stiefvader: [stiefvader],

wonende te: [plaats],

adres: [adres].

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 25 april 2008;

- het faxbericht met bijlage van mr. Wekking van 5 mei 2008;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 mei 2008.

De feiten

Krachtens de tussenbeschikking van de kinderrechter te Zutphen van 10 april 2008 staat de minderjarige onder voorlopig toezicht van de stichting voor de duur van drie maanden, derhalve tot 10 juli 2008.

Krachtens de tussenbeschikking van de kinderrechter te Zutphen van 10 april 2008 heeft de kinderrechter de stichting een voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor gesloten jeugdzorg verleend op grond van artikel 29c van de Wet op de Jeugdzorg voor de duur van vier weken tot 8 mei 2008. Daarbij zijn tevens alle belanghebbenden opgeroepen om ter terechtzitting van 17 april 2008 hun mening kenbaar te maken over de reeds gegeven beslissingen en voor de behandeling van het overige (de definitieve ondertoezichtstelling).

Krachtens de beschikking van de kinderrechter te Zutphen van 22 april 2008 is de beslissing tot het verlenen van voormelde machtiging tot 8 mei 2008 in stand gelaten.

Het verzoek

De stichting verzoekt ter effectuering van het indicatiebesluit van 22 april 2008 en op grond van artikel 29b van de Wet op de Jeugdzorg, de machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht te verlenen conform dat besluit voor de duur van zes maanden.

Zij stelt ter toelichting onder meer dat het verzoek in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. [minderjarige] groeit op bij haar moeder. Haar ouders zijn gescheiden toen zij één jaar oud was. De moeder en de stiefvader liggen sinds december 2007 in scheiding. Voor haar uithuisplaatsing woonde [minderjarige] deels bij haar moeder, deels bij haar stiefvader. [minderjarige] wilde echter niet bij haar stiefvader zijn en de onstabiele situatie leek haar geen goed te doen. De minderjarige gebruikt vanaf tienjarige leeftijd drugs. Het begon met weed gebruik maar [minderjarige] heeft de afgelopen maanden ook harddrugs (cocaïne, XTC) gebruikt. [minderjarige] lijkt drugsverslaafd te zijn. Als zij niet gebruikt, heeft zij grote drang om wel te gebruiken en wordt zij erg opstandig (zij luistert niet, schreeuwt hard en scheldt). [minderjarige] wil graag van haar drugsgebruik af. Er zijn aanwijzingen dat er bij haar sprake is van een depressie. Op de CDI behaalt zij een score die valt in het 98% percentiel. Op het ‘suïcide item’ geeft [minderjarige] aan dat zij een einde aan haar leven wil maken. [minderjarige] wil wel iets van haar leven maken, maar zij voelt zich erg onmachtig.

[minderjarige] gaat om met een groep jongeren die haar drugs geven. De drugs zijn gratis, maar de angst bestaat dat zij hier wel wederdiensten voor moet leveren. Sinds 26 maart 2008 is zij onder de aandacht bij de politie gezien de bedreigingen van deze jongeren. Zij hebben gedreigd [minderjarige] mee te nemen naar Deventer of Amsterdam. Zowel in Deventer als in Amsterdam is een raamprostitutie gebied. Bij [minderjarige] is een jongen bekend die bij de politie eerder onder de aandacht is geweest bij een ander, recent mensenhandeltraject. Ook hier wordt er gesproken over Deventer en Amsterdam. Bekend is dat in deze situatie meisjes ook daadwerkelijk in de prostitutie werkzaam zijn geweest. Begin april 2008 is door onderzoek van de politie, bureau mensenhandel en prostitutie duidelijk geworden dat [minderjarige] zich daadwerkelijk in het circuit van loverboys begeeft. [minderjarige] is door deze jongens volgestopt met drugs om vervolgens seksuele handelingen te verrichten. In een telefonisch contact met de behandelend [politieambtenaar], vertelde deze dat de dreiging vanuit deze jongens zeer groot is.

Het drugsgebruik, het netwerk waarin [minderjarige] zich begeeft, de bedreigingen, de depressieve stemming en de onstabiele thuissituatie maken de situatie erg complex. Plaatsing in een gesloten setting is noodzakelijk aangezien [minderjarige] bedreigd wordt in haar ontwikkeling en er acute dreiging is dat zij naar Amsterdam of Deventer meegenomen wordt om daar gedwongen de prostitutie in te gaan.

De GGZ heeft een inschatting gemaakt ten aanzien van de suïcidale gedachten van [minderjarige]. Er werd door de crisisdienst ingeschat dat er geen acute dreiging is voor suïcide, maar dat het wel zaak was om zo spoedig mogelijk een hulpverleningtraject uit te zetten.

Inmiddels is de minderjarige aangemeld bij de Ottho Gerhard Heldringstichting te Zetten. Dit is een instelling met gesloten jeugdzorg plaatsen en ervaring in de behandeling van loverboy slachtoffers.

Het standpunt van de minderjarige

De minderjarige voert, mede bij monde van haar advocate, verweer tegen de uithuisplaatsing.

[minderjarige] geeft aan dat zij niet op haar plek is binnen een gesloten setting. Zij is geen crimineel. De stichting zoekt niet naar andere opties waardoor haar de kans ontnomen word te laten zien dat zij mentaal sterk genoeg is voor een open plaatsing. Zo heeft [minderjarige] weerstand geboden tegen drugs die haar binnen de Veenpoort tweemaal zijn aangeboden. Zij is goed in staat ‘nee’ te zeggen. Er bestaat evenmin het gevaar dat zij wegloopt vanuit een open verblijf; [minderjarige] is nimmer weggelopen en zal dit nu ook niet doen.

Haar advocate stelt onder andere dat de stichting thans onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar verblijfsmogelijkheden voor [minderjarige] binnen een open setting waar haar belangen gewaarborgd zijn. De mogelijkheid van plaatsing binnen Back to Basics is bijvoorbeeld niet serieus bezien nu de stichting van meet af aan een tunnelvisie volgt die gericht is en blijft op een gesloten plaatsing van de minderjarige. Een gesloten plaatsing is echter niet noodzakelijk. [minderjarige] is geen wegloopster, zij wil behandeld worden. De advocate wijst er voorts op dat [minderjarige], zonder hiervoor toestemming te geven, verblijft in de Veenpoort op de zogenaamde groep Schoener wat deel uitmaakt van de justitiële jeugdinrichting en geen gesloten jeugdzorg is. Zij wordt zodoende onderworpen aan een streng regime en na elk bezoek van derden gevisiteerd. Er bestaat het reële gevaar dat haar huidige verblijf een traumatische uitwerking op [minderjarige] zal uitoefenen. Mevrouw prof. drs.

M. Bruning van Defence for Children International komt, na bestudering van de onderhavige processtukken, tot de conclusie dat: ‘de plaatsing van [minderjarige] in Het Poortje in strijd is met artikel 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind en artikel 5 en 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en evenmin voldoet aan het noodzakelijkheidsvereiste dat uit nationale en internationale wetgeving voortvloeit, aangezien onvoldoende inspanning is verricht om naar lichtere alternatieven voor een uithuisplaatsing met behandeling van [minderjarige] te zoeken’.

Het standpunt van de moeder

De moeder voert, mede bij monde van haar advocate, verweer tegen de uithuisplaatsing.

De advocate stelt onder meer dat het door de stichting overgelegde verzoek en indicatiebesluit verouderde, onjuiste informatie weergeeft. Zij heeft contact gehad met [politieambtenaar]. Hij ontkende dat de dreiging vanuit de loverboys zodanig groot is dat gesloten plaatsing geboden is. Het staat überhaupt nog niet vast of er wel sprake is van loverboys omdat de jongeren vooralsnog niet bekend zijn. Mocht het inderdaad om loverboys gaan dan bestrijkt de dreiging het gebied rond Apeldoorn, aldus de politie. Er is derhalve thans geen sprake van een acute dreiging die gesloten plaatsing rechtvaardigt. De advocate brengt daarnaast naar voren dat de moeder en de stiefvader [minderjarige] voldoende veiligheid kunnen bieden. De jongeren die rond de woning circuleerden, zijn al een aantal weken verdwenen en hebben waarschijnlijk hun terrein verlegd.

Het standpunt van de stiefvader

De stiefvader sluit zich aan bij de het standpunt van de moeder.

Het standpunt van de stichting

De gezinsvoogd handhaaft ter terechtzitting het verzoek en geeft onder andere aan dat hoewel de betreffende jongeren niet meer direct in de picture zijn, de dreiging blijft bestaan voor de regio rond Apeldoorn. Een gesloten plaatsing is enerzijds nodig om deze jongeren buiten de deur te houden en anderzijds vanwege [minderjarige]’s eigen problematiek die behandeling vereist. De gezinsvoogd wijst daarbij op de instemmingsverklaring van de gedragsdeskundige, drs. Van Rijnbach. [minderjarige] is nu, ofschoon zij hard daarvoor vecht, nog niet rijp genoeg voor een open plaatsing, mede gelet op haar kwetsbaarheid. Wanneer [minderjarige] behandeld wordt, zou zij zich vanuit een open setting aan behandeling kunnen onttrekken. Een gesloten plaatsing kan [minderjarige] de bescherming, rust en hulp bieden die zij nodig heeft. Een open plaatsing van de minderjarige onderschat de ernst van de problemen waar zij mee kampt.

De gezinsvoogd geeft voorts aan dat de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) het verzoek tot definitieve ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal indienen bij deze rechtbank.

De beoordeling

De kinderrechter acht op grond van de overgelegde stukken en het gehouden verhoor ter terechtzitting de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor gesloten jeugdzorg thans niet noodzakelijk. De kinderrechter overweegt hierbij dat uithuisplaatsing in een voorziening voor gesloten jeugdzorg een diep ingrijpende maatregel is in het leven en de persoonlijke levenssfeer van een minderjarige en bijgevolg een uiterste middel dient te zijn. Ofschoon er bij [minderjarige] sprake is van persoonlijke problematiek die haar optimale ontwikkeling belemmeren, zijn er momenteel nog alternatieven voorhanden in de vorm van een open plaatsing om deze ontwikkelingsbedreiging te kunnen keren.

Hierbij kan gedacht worden aan een mogelijke plaatsing van [minderjarige] bij Back to Basics in Hilversum. Gebleken is dat de minderjarige een stijgende lijn in haar gedrag laat zien en zij zich coöperatief opstelt tegenover benodigde hulp en steun. Haar moeder en stiefvader zijn bereid mee te werken aan een wenselijk verloop van het hulpverleningsproces. De kinderrechter heeft er dan ook vertrouwen in dat de minderjarige met de vereiste, passende hulp zich op positieve wijze kan ontwikkelen.

Ter terechtzitting heeft de gezinsvoogd kenbaar gemaakt dat de Raad het verzoek tot definitieve ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal indienen. Hierop vooruitlopend zal de kinderrechter dit verzoek tot definitieve ondertoezichtstelling, indien ingediend, aanhouden tot na te melden terechtzitting.

De beslissing

De kinderrechter:

houdt, voor het geval de Raad het verzoek tot definitieve ondertoezichtstelling van de minderjarige indient bij deze rechtbank, dit verzoek aan tot na te melden terechtzitting;

wijst af het verzoek van de stichting om de minderjarige uit huis te plaatsen in een voorziening voor gesloten jeugdzorg.

alvorens verder te beslissen:

roept op de minderjarige en haar advocate, de moeder en haar advocate, de stiefvader, de Raad en de stichting om ter terechtzitting te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank, gelegen aan de Martinetsingel 2 te Zutphen op dinsdag 24 juni 2008 om 13.30 uur, voor de behandeling van het overige (het verzoek tot definitieve ondertoezichtstelling van de minderjarige);

verzoekt de Raad uiterlijk dinsdag 17 juni 2008 aan de kinderrechter en belanghebbenden schriftelijk te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling van de minderjarige en schriftelijk te berichten of de Raad zijn verzoek tot definitieve ondertoezichtstelling handhaaft;

houdt de beslissing voor het overige aan tot voormelde datum en tijdstip.

Deze beschikking is gegeven door mr. R. Feunekes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 mei 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.