Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD3543

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
86494 / HA ZA 07-598
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Gebruik particuliere woning voor huisvesting TBS-patiënten (transmurale fase behandeling) niet onrechtmatig jegens eigenaren aangrenzend perceel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 188

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 86494 / HA ZA 07-598

Vonnis van 5 maart 2008

in de zaak van

1. [eiser],

wonende te [plaats],

2. [eiseres],

wonende te [plaats],

eisers,

procureur mr. C.B. Gaaf,

advocaat mr. H.H. van Steijn te Deventer,

tegen

de stichting

STICHTING OLDENKOTTE, CENTRUM VOOR FORENSISCH PSYCHIATRISCHE ZORG,

gevestigd te Rekken,

gedaagde,

procureur mr. E.G.M. Wiggers,

advocaat mr. R.M. Rijpstra te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eisers] en Oldenkotte genoemd worden.

1.De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 14 november 2007

- het proces-verbaal van plaatsopneming en comparitie van 4 februari 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank neemt over hetgeen zij heeft vermeld in het vonnis van 14 november 2007 (hierna: het vonnis).

2.2. [eisers] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het gebruik van de woning voor de huisvesting van patiënten van Oldenkotte geacht moet worden in strijd te zijn met de in het bestemmingsplan gegeven bestemming en dat dit gebruik daarmee onrechtmatig is jegens [eisers] als eigenaar van het aangrenzende perceel.

2.3. Oldenkotte heeft in de eerste plaats als verweer aangevoerd dat de vraag of Oldenkotte onrechtmatig jegens [eisers] handelt, buiten de competentie van de rechtbank ligt, nu het een bestuursrechtelijk geschil zou betreffen.

Dit verweer faalt evenwel. [eisers] heeft immers een civielrechtelijke vordering tegen Oldenkotte ingesteld. Beslissend ten deze is het recht waarin de aanlegger vraagt te worden beschermd. Daar komt bij dat Oldenkotte een civielrechtelijke rechtspersoon is, jegens wie geen bestuursrechtelijke procedure kan worden gevoerd. Voorts ligt hier ook geen bestuursrechtelijk besluit ter beoordeling voor, maar een handelen van Oldenkotte waarvan gesteld wordt dat dit onrechtmatig is.

De omstandigheid dat beoordeling van deze vordering tevens een beoordeling van het geldende bestemmingsplan met zich brengt en dat in het kader van het verzoek van [eisers] aan de gemeente om handhavend op te treden tegen het door Oldenkotte gemaakte gebruik van de woning tevens een bestuursrechtelijke beoordeling van dit gebruik aan de orde kan zijn, doet daar niet aan af. Aan een - niet tegen de overheid gerichte - vordering voor de gewone rechter, waarbij de eisende partij een rechterlijk verbod vraagt van jegens haar onrechtmatige gedragingen van gedaagde, staat immers op zichzelf niet in de weg dat er, bij gebruikmaking van administratiefrechtelijke rechtsgangen, ook andere wegen bestaan, waarlangs bereikt zou kunnen worden dat gedaagde ten gevolge van maatregelen van de overheid zijn gewraakte gedragingen staakt (HR 17 september 1982, NJ 1983, 278). Daarbij is niet van belang dat [eisers] van die administratiefrechtelijke weg in feite gebruik heeft gemaakt doordat hij het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Berkelland heeft verzocht om handhavend op te treden. Dit standpunt vindt ten aanzien van het uitlokken van bestuursdwang zijn rechtvaardiging mede daarin dat deze weg, ondanks het openstaan van een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, ten gevolge van de aan de overheid toekomende beleidsvrijheid en de omvang van de ter zake mogelijke toetsing, beduidend minder effectief is dan die via de burgerlijke rechter. Daarbij verdient nog opmerking dat de burgerlijke rechter die een vordering tot het verbieden van een bepaalde, als onrechtmatig aangemerkte gedraging ontvankelijk acht, nadat de administratieve rechter in een door dezelfde eiser ingesteld beroep de overheid niet gehouden zou hebben geoordeeld tot het uitoefenen van bestuursdwang, dusdoende niet over hetzelfde punt beslist (HR 18 december 1992, NJ 1994,139).

2.4. Oldenkotte heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de vordering van [eisers] moet worden afgewezen omdat van enig strijdig gebruik met het bestemmingsplan geen sprake is.

Bij de beoordeling van de over en weer betrokken stellingen op dit punt heeft het volgende te gelden.

Als onrechtmatige daad kan worden aangemerkt een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht. De aard van het wetsvoorschrift waarin de plicht wordt gecreëerd of omschreven, is in beginsel irrelevant. Zowel plichten neergelegd in het Burgerlijk Wetboek, als die neergelegd in andere wetboeken of in bijzondere wetten, vallen onder de besproken categorie, onverschillig of het bepalingen betreft die tot het privaatrecht dan wel tot het publiekrecht worden gerekend. Eveneens irrelevant is of de verplichting is neergelegd in een wet in formele zin: iedere plicht, omschreven in een algemeen voorschrift dat bindt uit hoofde van zijn vaststelling of bekrachtiging door de algemene Nederlandse wetgever of een ander daartoe bevoegd Nederlands overheidsorgaan is een wettelijke plicht in de zin van de onderhavige bepaling. (Vgl. Parl. Gesch. boek 6 BW, p. 615).

Staat eenmaal de rechtsgeldigheid en verbindendheid van het betreffende wetsvoorschrift vast, dan zal moeten worden nagegaan, welke betekenis dat wetsvoorschrift heeft en of dit voorschrift het gestelde feitencomplex omvat en daarop kan worden toegepast.

2.5. In het onderhavige geval heeft [eisers] gesteld dat Oldenkotte in strijd handelt met de bepalingen uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

Ter plaatse van [het perceel] is van kracht het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Eibergen. In dit bestemmingsplan is onder meer vermeld:

“artikel 1 begripspalingen

(…)

2 In het plan wordt verstaan onder:

(…)

woning/zelfstandige wooneenheid

een complex van ruimten dat blijkens zijn indeling en inrichting bestemd is voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden;

(…)

artikel 4 algemene gebruiksbepaling

1 Het is verboden de onbebouwde grond en/of de daarop aanwezige bebouwing te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met het in de bestemming bepaalde.

(…)

7 Burgemeester en Wethouders verlenen vrijstelling van de in lid 1 t/m 5 gestelde verboden indien strikte toepassing ervan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

8 Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 1 t/m 5 mits dit niet leidt tot een ingrijpende en/of onomkeerbare wijziging van en inbreuk op de bestemming en er geen dringende redenen zijn die zich hiertegen verzetten.

(…)

artikel 7 agrarisch gebied met landschapswaarden

(…)

6 wijzigingsbepalingen

Met toestemming van het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kunnen Burgemeester en Wethouders de bestemming wijzigen voor wat betreft:

a het bij bedrijfsbeëindiging omzetten van de bestemming in de bestemming “woonbebouwing” met inachtneming van de volgende voorwaarden:

- uitsluitend de bedrijfswoning(en) alsmede inpandige bedrijfsruimte mag worden gebruikt voor bewoning (…)

(…)

artikel 12 woonbebouwing

1 doeleindenomschrijving

De gronden met de bestemming “woonbebouwing” zijn bestemd voor al dan niet vrijstaande woningen met bijbehorende tuinen en erven. (…)”

2.6. Gelet op het feit dat op [het perceel] (thans) de bestemming woonbebouwing rust, doet zich hier de vraag voor of het gebruik van de woning voor de huisvesting van patiënten van Oldenkotte die zich in de transmurale fase van hun behandeling bevinden, in strijd is met deze bestemming. Meer in het bijzonder gaat het daarbij om de vraag of deze woning nog aangemerkt kan worden als “een complex van ruimten dat blijkens zijn indeling en inrichting bestemd is voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden” en of het gebruik van de woning daarmee in overeenstemming is.

2.7. Bij de beantwoording van deze vraag wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van de Raad van State over de uitleg van soortgelijke omschrijvingen van de woonbestemming in bestemmingsplannen. In zijn uitspraak van 28 juni 2006, zaak no. 200508258/1, LJN AX9502, heeft de Raad van State daarover beslist dat: “naast zelfstandige bewoning door een gezin, ook minder traditionele woonvormen zich met de bestemming verdragen, indien daarbij sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning met een zekere mate van verbondenheid tussen de bewoners.” De Raad van State heeft dit criterium onder meer herhaald in zijn uitspraak van 9 mei 2007, zaak no. 200604047/1, LJN BA4696.

2.8. Zoals is overwogen in het tussenvonnis, is dan ook van belang op welke wijze de woning wordt gebruikt, terwijl in dat kader mede van belang is welke mate van zelfstandigheid de bewoners van deze woning bezitten.

Met betrekking tot deze laatste omstandigheid komt betekenis toe aan de omschrijving van het transmuraal verlof, zoals dat bij besluit van 23 juli 2005 tot wijziging van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden in verband met een wijziging van de regels met betrekking tot verlof en proefverlof en enige andere bepalingen, Staatsblad 2005, nr. 400, is vastgesteld. Aan de toelichting op dit besluit wordt het volgende ontleend:

“c. Transmuraal verlof

Transmuraal verlof is een verlof dat door de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde geheel buiten de inrichting wordt doorgebracht onder toezicht van de tbs-inrichting. Transmuraal verlof dient als overgang om vanuit de inrichting naar proefverlof met zelfstandig verblijf in de maatschappij te gaan. Voorheen werd deze fase als woonverlof aangeduid. In het gewijzigde artikel 50 Bvt is de wettelijke maximering van de duur van deze vorm van verlof losgelaten. Door het woonverlof niet meer te koppelen aan een maximale termijn, wordt tegemoet gekomen aan de maatschappelijke wens de ter beschikking gestelde langer onder toezicht van de tbs-kliniek te kunnen houden. De ter beschikking gestelde woont als het ware buiten de beveiligde zone van de inrichting, maar heeft nog wel begeleiding van de inrichting. Tijdens transmuraal verlof wordt intensief toezicht gehouden door de inrichting en wordt gecontroleerd op mogelijk delict gerelateerd gedrag.

Onder transmuraal verlof wordt verstaan alle verloven buiten de beveiligde zone van de inrichting, zonder direct toezicht van personeel, dat voor langere tijd plaatsvindt zonder de beschermende structuur van de kliniek als fysieke omgeving. Hierbij is een gefaseerde afbouw in het afsprakenstelsel zichtbaar, waardoor zicht ontstaat op de mogelijke beëindiging van de behandeling of op de wijze waarop voorwaarden voor een verantwoorde reïntegratie in de maatschappij moeten worden ingezet. Transmuraal verlof leidt tot een beslissing voor de lange termijn die het vervolg op de klinische fase betreft, dus tot uitstroom uit de TBS-sector, verlenging van de transmurale fase onder vermelding van de prognose en de beargumenteerde noodzaak tot verlenging, doorstroom naar duurzame begeleiding vanuit de TBS-sector en/of doorstroom naar de sector voor de reguliere geestelijke gezondheidszorg.

Transmuraal verlof vindt plaats in de laatste fase van een behandeling en is bedoeld als beslissingsfase in de beëindiging van de behandeling. In de geestelijke gezondheidszorg wordt bij het begrip transmurale zorg benadrukt dat de zorg totstandkomt op basis van afspraken tussen generalistische en specialistische zorgverleners, waarbij sprake is van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid en expliciete deelverantwoordelijkheden. (Transmurale zorg: redesign van het zorgproces (Raad voor de Volksgezondheid en Zorg, 1998)).

Dit uitgangspunt past bij de functie van het transmurale verlof in de TBS-sector. Waar mogelijk wordt aansluiting gezocht bij de reguliere geestelijke gezondheidszorg, waar noodzakelijk blijft de tbs-inrichting de zorg verlenen. Hierbij spelen veiligheidsredenen een doorslaggevende rol. Een risicoanalyse is in deze fase van de behandeling dus ook van belang in verband met overdraagbaarheid van de zorg naar een minder op beveiliging gerichte sector .”

2.9. Uit dit besluit volgt dat op patiënten die zich in de transmurale fase van hun behandeling bevinden, geen intensief toezicht door de kliniek wordt uitgeoefend, maar dat de kliniek er wel zo veel als mogelijk voor zorgt dat de veiligheid van de patiënten en de omgeving niet in het geding is. Dit is in overeenstemming met hetgeen tijdens de descente is verklaard door de sociotherapeut mevrouw J. Roskam. Uit haar verklaring blijkt dat de bewoners van de woning aan [het perceel] zelf, zonder begeleiding, van en naar hun werk gaan en zelf naar de sportschool of andere vrije tijdsbestedingen gaan, maar zich wel bij terugkomst telefonisch bij de kliniek dienen te melden. Voorts heeft mevrouw J. Roskam verklaard dat de bewoners de sociotherapeut van de kliniek in geval van problemen op maatschappelijk terrein kunnen bellen. Er is nog wel therapie, doch deze is beperkt tot eenmaal in de drie weken. Ofschoon er dus nog wel sprake is van enige begeleiding vanuit de kliniek, is deze begeleiding dermate marginaal dat de bewoners in hoofdzaak zelfstandig wonen, werken en recreëren. Dat er vanuit veiligheidsoogpunt nog wel toezicht wordt gehouden op de bewoners, met name ten aanzien van de telefonische meldplicht bij vertrek uit en terugkomst in de woning, doet geen afbreuk aan deze zelfstandigheid. Ook de omstandigheden dat de bewoners zelf verantwoordelijk zijn voor hun ontbijt, het schoonmaken van de woning, de was en het (tuin)onderhoud, dragen bij aan het oordeel dat er sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning. Weliswaar worden de warme maaltijden gedurende vijf dagen in de week verzorgd door de kliniek, doch nu dit veeleer verband houdt met financiële aspecten, dan met het niet kunnen koken en boodschappen doen, is deze omstandigheid onvoldoende om te oordelen dat er geen sprake is van zelfstandige bewoning. Daar komt bij dat de bewoners voor het overige wel verantwoordelijk zijn voor de boodschappen en in het weekend wel zelf hun warme maaltijd moeten klaarmaken.

2.10. Gelet op inhoud en doelstelling van de transmurale fase, de niet weersproken verklaring van de sociotherapeut en hetgeen tijdens de descente is geconstateerd, luidt het oordeel dan ook dat er sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning van de woning.

2.11. Ook is een zekere mate van verbondenheid tussen de bewoners geconstateerd, terwijl de aangetroffen indeling en inrichting ook in overeenstemming is met de bepalingen van het bestemmingsplan. Zo delen de bewoners de woonkamer, de keuken, de badkamer en de tuin, alsmede de aanwezige koelkast, wasmachine en droger, stofzuiger, schoonmaak¬middelen en gereedschappen. Het delen van deze gemeenschappelijke ruimtes en de gedeelde verantwoordelijkheid voor het schoonmaken en onderhouden van de woning, duidt op een zekere mate van verbondenheid. Nu naast de genoemde gemeenschappelijke ruimtes, de bewoners elk de beschikking hebben over een slaapkamer, stemt ook de inrichting overeen met bewoning door andere huishoudens, zoals een traditioneel gezin.

2.12. Het hiervoor overwogene leidt tot het oordeel dat het gebruik dat thans van de woning wordt gemaakt zich verdraagt met het bestemmingsplan en uit dien hoofde dus niet onrechtmatig is.

2.13. [eisers] heeft daarnaast gesteld hinder en overlast te ondervinden van het gebruik van de woning door Oldenkotte.

Bij de beoordeling van deze stelling moet worden vooropgesteld dat de vraag of hinder onrechtmatig is afhangt van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend en de mogelijkheid, mede gelet op de daaraan verbonden kosten, en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen (HR 15 februari 1991, NJ 1992, 639).

[eisers] heeft de gestelde hinder en overlast echter niet onderbouwd. Ter comparitie op 4 februari 2008 heeft [eisers] er weliswaar op gewezen dat het gevoel van veiligheid behoorlijk “kaal” is geworden, mede doordat [eisers] bang is dat de bewoners van de woning een strafbaar feit zullen plegen, waarvan [eisers] of familieleden slachtoffer kunnen worden, maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat er onrechtmatige hinder in vorenbedoelde zin wordt toegebracht aan [eisers] Ook op deze grond kan de vordering van [eisers] derhalve niet worden toegewezen.

2.14. Gelet op het hiervoor overwogene zal de vordering van [eisers] worden afgewezen.

2.15. [eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Oldenkotte worden begroot op:

- vast recht € 251,00

- salaris procureur 1.356,00 (3,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.607,00

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. wijst de vordering af,

3.2. veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van Oldenkotte tot op heden begroot op € 1.607,00,

3.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. D. Vergunst, M.J. van Lee en S.B. Boorsma en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2008.?