Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD2912

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
30-05-2008
Datum publicatie
30-05-2008
Zaaknummer
06-801426-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar, een taakstraf van 240 uur en elektronisch toezicht van zes maanden voor het plegen van onder meer zware mishandeling, geweld en vernielingen. Zie voor medeverdachte uitspraak onder LJNummer BD2924.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/801426-07

Uitspraak d.d. 30 mei 2008

tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte A],

geboren te [adres],

wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 4 maart 2008 en 16 mei 2008.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 26 april 2007 in de gemeente Heerde tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon, te weten [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (hersenschudding en/of meerdere aangezichtsbotbreuken te weten forse breuk rechter neusbot en/of breuk van bodem linker oogkas en/of linker jukbeen volledig weggeslagen), heeft/hebben toegebracht, door deze opzettelijk met geschoeide voet(en) te

weten zogenoemde kisten met stalen neuzen meermalen, althans eenmaal op/tegen het gezicht, althans het hoofd te schoppen en/of te trappen;

(Parketnummer: 801426-07)

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 26 april 2007 in de gemeente Heerde tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal (met kracht) met geschoeide voet(en) te weten zogenoemde kisten met stalen neuzen, op/tegen het gezicht, althans het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Parketnummer:801426-07)

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 26 april 2007 in de gemeente Heerde, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachto[slachtoffer 1] (met kracht)

- meermalen, althans eenmaal met geschoeide voet(en) te weten zogenoemde kisten met stalen neuzen, op/tegen het gezicht, althans het hoofd heeft/hebben getrapt en/of geschopt en/of

- meermalen, althans eenmaal slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1], tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (hersenschudding en/of meerdere aangezichtsbreuken, te weten forse breuk van rechter neusbot en/of breuk van bodem linker oogkas en/of linker jukbeen volledig weggeslagen),

althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(Parketnummer: 801426-07)

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 31 maart 2007 in de gemeente Hattem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht) die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, (met een aansteker in zijn, verdachtes, hand en/of vuist) op/tegen het (achter)hoofd heeft geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Parketnummer 801101-07)

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 31 maart 2007 in de gemeente Hattem opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] (met kracht) meermalen, althans eenmaal (met een aansteker in zijn, verdachtes, hand en/of vuist) op/tegen het (achter)hoofd van die [slachtoffer 2] heeft gestompt en/of geslagen , waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 22 augustus 2006 te Hattem met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Geldersedijk, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], welk geweld bestond uit:

- het meermalen, althans éénmaal stompen en/of slaan tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 3], en/of

- het meermalen althans éénmaal slaan met een slotketting op/tegen het gezicht en/of hoofd althans het lichaam van die [slachtoffer 3] en/of

- het meermalen, althans éénmaal schoppen en/of trappen en/of het geven van (een) (zogenaamde) knietje(s) tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 3], en/of

- het meermalen, althans éénmaal stompen en/of slaan tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 4], en/of

- het meermalen, althans éénmaal schoppen en/of trappen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 4], en/of

- het gooien van een bierfles(je), althans een hard voorwerp tegen het (achter)hoofd van die [slachtoffer 4];

(parketnummer 802708-06)

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 26 april 2007 in de gemeente Heerde met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Heerderstrand, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een auto (toebehorende aan [slachtoffer 1]), welk geweld bestond uit

- het meermalen, althans eenmaal gooien van een of meer, althans een aantal blik(ken) en/of fles(sen) bier op/tegen de auto en/of

- het meermalen, althans eenmaal schoppen en/of trappen op tegen die auto en/of een blikje tegen die auto schoppen/trappen;

(Parketnummer: 801426-07)

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode tussen 29 september 2006 en 2 oktober 2006 te Hattem en/of Zwolle met een ander of anderen, op of aan de openbare weg,

- de Burgemeester Moslaan te Hattem, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een markeringspaal, welk geweld bestond uit het in brand steken van voornoemde paal en/of

- de Spoolderbergweg te Zwolle, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen één of meer bushalte(s), welk geweld bestond uit het ingooien van één of meer ruit(en) van voornoemde bushalte(s) en/of

- de Geldersedijk te Hattem, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer overwegbo(o)m(en), welk geweld bestond uit het afbreken van een de(e)l(en) van een of meer overwegbo(o)m(en) en/of

- de Geldersedijk te Hattem, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen één of meer fiets(en), welk geweld bestond uit het schopppen/trappen op/tegen voornoemde fiets(en) en/of het in het water gooien van één of meer fiets(en) en/of

- de Markt te Hattem, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een vlaggenmast, welk geweld bestond uit het uit de grond trekken van die vlaggenmast en/of

- het Kerkplein te Hattem, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een ruit van Partycentrum "Franse School", welk geweld bestond uit het een knop van een vlaggenmast ingooien van voornoemde ruit en/of

- de Nieuweweg te Hattem, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een bushalte, welk geweld bestond uit het ingooien van één of meer ruit(en) van voornoemde bushalte en/of

- de Allee te Hattem, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen het politiebureau, welk geweld bestond uit het ingooien van één of meer ruit(en) van voornoemd politiebureau;

(Parketnummer 802852-06)

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode tussen 6 oktober 2006 en 9 oktober 2006 te Hattem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk één of meer (aanhang)wagens van de firma "[bedrijf 1] Wegenbouw" en/of één of meer (aanhang)wagens van "[bedrijf 2] BV" met registratienummer [kenteken] en/of [kenteken], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan "[bedrijf 1] Wegenbouw BV" en/of "[bedrijf 2] BV", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

(Parketnummer 850852-06)

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman van verdachte heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de dagvaarding voor wat betreft het onder 6 tenlastegelegde nietig verklaard dient te worden. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de omschrijving van het onder 6 tenlastegelegde niet aan de wettelijke vereisten voldoet, nu de feitelijke gedragingen die verdachte verweten worden niet in de tenlastelegging zijn vermeld.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Ingevolge artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering dient de dagvaarding, voor zover zij betrekking heeft op de tenlastelegging, op straffe van nietigheid een opgave te bevatten van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het zou zijn begaan.

Voorts dient zij te vermelden de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.

De vraag of in enig geval een tenlastelegging voldoet aan het in dat artikel bepaalde valt, gelet op de in algemene bewoordingen gestelde inhoud van voormeld artikel, niet in zijn algemeenheid te beantwoorden.

De onderhavige tenlastelegging voldoet aan hetgeen daaromtrent wordt geëist. Het aan verdachte verweten feit is daarin immers voldoende en genoegzaam duidelijk omschreven, terwijl door die omschrijving alsmede door de vermelding van het artikel in het Wetboek van Strafrecht waarbij het feit strafbaar is gesteld - welke vermelding onderdeel uitmaakt van de tenlastelegging - in het onderhavige geval, dat wordt gekenmerkt door zijn eenvoud, zowel wat de feitelijke kant daarvan, als wat de strafrechtelijke duiding daarvan betreft, het feit zodanig voldoende en duidelijk is omlijnd dat op de grondslag en binnen de - niet te overschrijden - grenzen van de tenlastelegging kan worden beraadslaagd en beslist omtrent de vragen als bedoeld in de artikelen 248 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.

Voorts is de onderhavige tenlastelegging eveneens voldoende duidelijk voor zover het gaat om de vraag of de verdachte daaruit genoegzaam kan afleiden wat hem wordt verweten en waartegen hij zich dient te verdedigen. Niet alleen kan vanuit dat oogpunt niet worden gezegd dat redelijkerwijze bij verdachte enig misverstand heeft kunnen bestaan omtrent het tot hem gerichte verwijt, in het onderhavige geval heeft hij bovendien met zoveel woorden te kennen gegeven zulks te begrijpen en hebben hij en zijn raadsman zich in feite ook verdedigd zonder dat van enig misverstand omtrent de - grondslag van de - tenlastelegging is gebleken.

De rechtbank verwerpt op grond van het voorgaande het verweer van de raadsman met betrekking tot de nietigheid van de dagvaarding.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Namens verdachte is geconcludeerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde feit wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. De raadsman van verdachte heeft in dit verband gesteld dat medeverdachten, Niemijer en Bouwmeester, voor deze feiten een transactie is aangeboden, zodat de vervolging van verdachte in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de strafvervolging. Het voormelde verweer wordt mitsdien gepasseerd.

Uitgangspunt is dat het aan de officier van justitie is om binnen de hem gegeven beleidsvrijheid - daargelaten de voor rechtstreeks belanghebbenden bestaande beklagmogelijkheden van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering - te beslissen of strafvervolging al dan niet opportuun is. Slechts indien de officier van justitie in redelijkheid niet tot vervolging had kunnen besluiten of wanneer anderszins sprake is van schending van enig beginsel van behoorlijke procesorde kan het recht tot strafvervolging vervallen worden verklaard. De officier van justitie heeft ter zitting verklaard dat gelet op de justitiële documentatie is overgegaan tot strafvervolging van verdachte voor de genoemde feiten.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie tot vervolging van verdachte over heeft kunnen gaan en daarmee het gelijkheidsbeginsel niet heeft geschonden.

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, nu het door verdachte uitgeoefende geweld niet aangemerkt kan worden als een poging om het slachtoffer zwaar lichamelijk toe te brengen.

De verdachte behoort hiervan te worden vrijgesproken.

Bewijsmotivering

A. De vaststaande feiten.

T.a.v. feit 1:

Op 26 april 2007 lopen op het Heerderstrand in Heerde drie personen in de richting van [slachtoffer 1] (hierna te noemen: [slachtoffer 1]) en vallen hem aan. [slachtoffer 1] wordt daarbij hard in het gezicht geraakt. De groep waarbij [slachtoffer 1] zich bevond wordt ook uitgedaagd en krijgt ook trappen. De groep vlucht daarop weg en [slachtoffer 1] blijft alleen achter. Na een tijdje lopen de drie personen weer in de richting van hun eigen groep en verlaten even later het strand.

T.a.v. feit 2 subsidiair:

Op 31 maart 2007 is er bij de hangplek aan de Hoopjesweg in Hattem tussen [slachtoffer 2] (hierna te noemen: [slachtoffer 2]) en verdachte een ruzie ontstaan. [slachtoffer 2] heeft daarbij een hoofdwond opgelopen.

T.a.v. feit 3:

Op 22 augustus 2006 is er bij de bushalte op de Geldersedijk te Hattem een vechtpartij geweest tussen een groep jongeren en [slachtoffer 3] (hierna te noemen: [slachtoffer 3]) en [slachtoffer 4] (hierna te noemen: [slachtoffer 4]).

T.a.v. feit 4:

Op 26 april 2007 is door een aantal personen met spullen naar de auto van [slachtoffer 1] gegooid en naar de auto getrapt op het moment dat hij met zijn auto het Heerderstrand in Heerde wilde verlaten.

T.a.v. feit 5:

Naar aanleiding van een aantal meldingen van vernielingen in de gemeente Hattem en Zwolle in het weekend van 29 september 2006 tot 2 oktober 2006 is een onderzoek gestart naar deze vernielingen. Bij dit onderzoek zijn een aantal getuigen gehoord.

T.a.v. feit 6:

In het weekend van 6 oktober 2006 tot 9 oktober 2006 zijn een aantal vernielingen aangericht aan (aanhang)wagens welke geparkeerd stonden op de carpoolplaats aan de Hessenweg in Hattem. Naar aanleiding van een melding van een getuige is een onderzoek ingesteld.

B. Het standpunt van het openbaar ministerie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 subsidiair, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde.

C. Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde aangevoerd dat geen sprake is geweest van een gezamenlijk plan van verdachte en de medeverdachte om geweld uit te oefenen. Voorts is het volgens de raadsman feitelijk onjuist dat verdachte tijdens het gebeuren kisten met stalen neuzen droeg. De raadsman stelt dat verdachte wel heeft geschopt, maar met sportschoenen aan. Van (voorwaardelijk) opzet op het teweeg brengen van zwaar lichamelijk letsel is naar het oordeel van de raadsman niet gebleken.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de opzet van verdachte niet gericht was op het teweeg brengen van zwaar lichamelijk letsel. Ook ontbreekt naar het oordeel van de raadsman bewijs voor de mogelijkheid dat zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. De raadsman heeft voorts een beroep gedaan op noodweer(exces).

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet tegen de auto heeft geschopt of getrapt en dat hij niet met blikjes of flesjes naar de auto heeft gegooid.

Ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Met betrekking tot het markeringspaaltje heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte het vuur niet zelf heeft aangestoken. Met betrekking tot de bushaltes in Zwolle, de vlaggenmast, de ruit van de Franse School, het bushokje aan de Nieuweweg en de ruit van het politiebureau heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte hier wel bij aanwezig was, maar dat hij zelf niets heeft gedaan. Verdachte heeft geen bijdrage geleverd aan dit geweld. Met betrekking tot het afbreken van een deel van een spoorboom en het geweld gepleegd tegen de fietsen heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte zich hier inderdaad schuldig aan heeft gemaakt.

Ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte bekent dat hij enkele lampen en bedrading van de wagens heeft vernield.

D. Beoordeling van de tenlastelegging.

De rechtbank acht voor het bewijs de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

T.a.v. feit 1.

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de – navolgende – overwegingen ten aanzien van het bewijs, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0618/07-203506, gedateerd 26 mei 2007.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 4 maart 2008 verklaard dat hij [slachtoffer 1] achter in zijn nek en tegen de zijkant van zijn gezicht heeft geschopt. In zijn verklaring bij de politie (eindnoot 1) heeft verdachte verklaard dat hij op 26 april 2007 op het Heerderstrand met medeverdachte [medeverdachte B] (hierna te noemen: [medeverdachte B]) naar [slachtoffer 1] is toegelopen. Toen verdachte bij [slachtoffer 1] was, is hij achter [slachtoffer 1] gaan staan en heeft zijn knieën tegen de rug en schouderbladen van [slachtoffer 1] aangeduwd. Dit heeft verdachte even gedaan. Nadat [medeverdachte B] begon te schoppen, schopte verdachte [slachtoffer 1]. Verdachte schopte hem een keer toen hij nog achter [slachtoffer 1] stond en een keer bij zijn hoofd. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] twee keer heeft geschopt en dat hij hem wel heeft geraakt.

Aangever [slachtoffer 1] heeft in zijn aangifte (eindnoot 2) verklaard dat hij op 26 april 2008 op het Heerderstrand was. Nadat hij zijn auto had weggezet, zag hij dat drie jongens zijn kant op kwamen lopen. Zonder iets te zeggen hebben ze hem een trap gegeven. De drie jongens hadden schoenen aan en hebben in zijn gezicht getrapt. [slachtoffer 1] heeft voorts verklaard dat hij op een gegeven moment een knak hoorde en het leek alsof zijn neus brak. [slachtoffer 1] heeft geschreeuwd en zag dat er bloed uit zijn neus kwam, waarna ze zijn opgehouden met schoppen.

Uit de medische informatie (eindnoot 4) blijkt dat [slachtoffer 1] een hersenschudding heeft opgelopen, dat sprake was van een aantal aangezichtsbotbreuken, waaronder een forse breuk van het rechter neusbot en een breuk van de linker oogkas en dat het linker jukbeen volledig is weggeslagen. Verder gaat het door deze mishandeling psychisch niet goed met [slachtoffer 1].

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De stelling van de raadsman dat van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet is gebleken, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat verdachte het slachtoffer met geschoeide voet tegen het hoofd heeft getrapt. Naar het oordeel van de rechtbank is dit voldoende om aan te nemen dat verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Dat verdachte geen kisten met stalen neuzen maar ‘normale’ sportschoenen zou hebben gedragen doet hier niet aan af. Dat verdachte het zwaar lichamelijk letsel in vereniging met een ander heeft toegebracht kan naar het oordeel van de rechtbank eveneens wettig en overtuigend bewezen worden. Verdachte en de medeverdachte zijn immers gezamenlijk op het slachtoffer afgelopen. Verdachte noch zijn mededader heeft zich van het gebeuren gedistantieerd nadat bleek dat dit uit de hand ging lopen. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat de medeverdachte naar eigen zeggen begonnen is met het trappen naar het slachtoffer, maar dat het letsel bij het slachtoffer voornamelijk is veroorzaakt door toedoen van verdachte.

T.a.v. feit 2 subsidiair

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de – navolgende – overwegingen ten aanzien van het bewijs, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0618/07-203096, gedateerd 13 april 2007.

Ter terechtzitting van 4 maart 2008 heeft verdachte verklaard dat hij op 31 maart 2007 woorden had met [slachtoffer 2]. [slachtoffer 2] greep verdachte bij zijn nek. Verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment een aansteker in zijn hand had en daarmee [slachtoffer 2] achter op het hoofd heeft geslagen. In het verhoor bij de politie (eindnoot 4) heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer 2] met zijn rechterhand op zijn hoofd heeft geslagen omdat [slachtoffer 2] verdachte vast had gepakt en bleef houden. Verdachte heeft daarbij verklaard dat hij een aansteker in zijn hand had en dat hij [slachtoffer 2] daarmee geslagen heeft. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2] twee of drie keer heeft geslagen en dat hij er niet bij nagedacht heeft hoe hard hij verdachte heeft geslagen.

Bij de aangifte (eindnoot 5) heeft aangever [slachtoffer 2] verklaard dat hij op 31 maart 2007 verdachte erop aangesproken heeft toen verdachte tegen een vuilnisbak stond te trappen. Daarop begon verdachte [slachtoffer 2] uit te dagen. [slachtoffer 2] heeft verdachte vastgepakt in een houdgreep, waardoor verdachte zich liet vallen. Toen [slachtoffer 2] dacht dat verdachte rustig was heeft hij hem los gelaten. Verdachte had een aansteker in zijn rechterhand en heeft [slachtoffer 2] toen met kracht met die aansteker op zijn hoofd geslagen. Verdachte heeft meerdere keren geslagen.

Uit de medische informatie(eindnoot 6) van huisarts Groeningen blijkt dat [slachtoffer 2] een hoofdwond heeft opgelopen welke wond is gehecht.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is dat verdachte het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

T.a.v. feit 3

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de – navolgende – overwegingen ten aanzien van het bewijs, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0618/07-208073, gedateerd 20 november 2006.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de bekennende verklaringen van verdachte ter terechtzitting alsmede de bekennende verklaring van verdachte bij de politie (eindnoot 7) , en de aangiftes van [slachtoffer 3] (eindnoot 8) en [slachtoffer 4] (eindnoot 9) .

T.a.v. feit 4

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de –navolgende- overwegingen ten aanzien van het bewijs, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0618/07-203506, gedateerd 26 mei 2007.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij toen [slachtoffer 1] van het Heerderstrand reed een blikje tegen de auto van [slachtoffer 1] heeft getrapt. Bij de politie (eindnoot 10) heeft verdachte verklaard dat hij op 26 april 2007 toen [slachtoffer 1] met de auto van het Heerderstrand reed een leeg blikje bier dat op de grond lag, tegen de auto van [slachtoffer 1] heeft getrapt met het doel deze auto te raken, hetgeen ook is gelukt. Verdachte heeft verklaard dat hij de auto aan de bestuurderskant heeft geraakt.

Bij de aangifte (eindnoot 11) heeft [slachtoffer 1] verklaard dat hij schade aan zijn auto heeft welke schade is ontstaan doordat iemand uit de bewuste groep op het Heerderstrand op 26 april 2007 een blikje tegen zijn auto heeft geschopt, dan wel doordat de deuk er rechtstreeks is ingeschopt.

De verklaring van [getuige 1] bij de politie (eindnoot 12) dat hij een trap heeft gegeven tegen de auto toen deze auto het strand afreed.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde feit heeft begaan..

T.a.v. feit 5

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de – navolgende – overwegingen ten aanzien van het bewijs, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0618/07-208300, gedateerd 29 november 2006.

Ter terechtzitting heeft verdachte de vernielingen van de spoorboom en de fietsen bekend en heeft ten aanzien van de overige vernielingen verklaard dat hij weliswaar aanwezig was bij deze feiten maar dat hij niets heeft gedaan. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan. De bewezenverklaring is gebaseerd op de verklaring van verdachte ter terechtzitting, de verklaringen door verdachte afgelegd bij de politie(eindnoot 13) alsmede de aangiftes van [slachtoffer 5] (eindnoot 14) , [slachtoffer 6] (eindnoot 15) , [slachtoffer 7] (eindnoot 16) , [slachtoffer 8] (eindnoot 17) , [slachtoffer 9] (eindnoot 18) , [slachtoffer 10] (eindnoot 19) , [slachtoffer 11] (eindnoot 20) , [slachtoffer 12] (eindnoot 21) , [slachtoffer 13] (eindnoot 22) en [slachtoffer 14] (eindnoot 23) en de verklaringen van [slachtoffer 15] (eindnoot 24) en [slachtoffer 16] (eindnoot 25) . De rechtbank zal bij de straftoemeting in aanmerking nemen dat verdachte niet zelf alle handelingen heeft verricht, maar nu verdachte zich niet heeft gedistantieerd van de betreffende gebeurtenissen acht de rechtbank hem hier mede verantwoordelijk voor.

T.a.v. feit 6

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de – navolgende – overwegingen ten aanzien van het bewijs, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0618/07-208300, gedateerd 29 november 2006.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie (eindnoot 26) , alsmede de aangiftes van [slachtoffer 17] (eindnoot 27) en [slachtoffer 18](eindnoot 28) .

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 26 april 2007 in de gemeente Heerde tezamen en in vereniging met een ander, aan een persoon, te weten [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (hersenschudding en meerdere aangezichtsbotbreuken te weten forse breuk rechter neusbot en breuk van bodem linker oogkas en linker jukbeen volledig weggeslagen), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met geschoeide voeten meermalen tegen het gezicht te schoppen en te trappen;

2.

hij op 31 maart 2007 in de gemeente Hattem opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] (met kracht) meermalen (met een aansteker in zijn, verdachtes, hand) op het achterhoofd van die [slachtoffer 2] heeft gestompt en geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 22 augustus 2006 te Hattem met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Geldersedijk, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], welk geweld bestond uit:

- het meermalen stompen en slaan tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 3] en

- het meermalen slaan met een slotketting tegen het gezicht en hoofd van die [slachtoffer 3] en

- het meermalen schoppen en trappen tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] en

- het meermalen stompen en slaan tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 4] en

- het meermalen schoppen en trappen tegen het lichaam van die [slachtoffer 4] en

- het gooien van een bierflesje tegen het achterhoofd van die [slachtoffer 4];

4.

hij op of omstreeks 26 april 2007 in de gemeente Heerde met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Heerderstrand, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een auto (toebehorende aan [slachtoffer 1]), welk geweld bestond uit

- het gooien van een blik bier tegen de auto

- het trappen op tegen die auto die auto en een blikje tegen die auto trappen;

5.

hij op tijdstippen in de periode tussen 29 september 2006 en 2 oktober 2006 te Hattem en Zwolle met anderen, op of aan de openbare weg,

- de Burgemeester Moslaan te Hattem, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een markeringspaal, welk geweld bestond uit het in brand steken van voornoemde paal en

- de Spoolderbergweg te Zwolle, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen meer bushaltes, welk geweld bestond uit het ingooien van ruiten van voornoemde bushaltes en

- de Geldersedijk te Hattem, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen overwegbomen, welk geweld bestond uit het afbreken van een deel van overwegbomen en

- de Geldersedijk te Hattem, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen fietsen, welk geweld bestond uit het schopppen/trappen op/tegen voornoemde fietsen en het in het water gooien van fietsen en

- de Markt te Hattem, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een vlaggenmast, welk geweld bestond uit het uit de grond trekken van die vlaggenmast en

- het Kerkplein te Hattem, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een ruit van Partycentrum "Franse School", welk geweld bestond uit het met een knop van een vlaggenmast ingooien van voornoemde ruit en

- de Nieuweweg te Hattem, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een bushalte, welk geweld bestond uit het ingooien van één of meer ruit(en) van voornoemde bushalte en

- de Allee te Hattem, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen het politiebureau, welk geweld bestond uit het ingooien van één of meer ruit(en) van voornoemd politiebureau;

6.

hij op tijdstippen in de periode tussen 6 oktober 2006 en 9 oktober 2006 te Hattem tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk (aanhang)wagens van de firma "[bedrijf 1] Wegenbouw" en of van "[bedrijf 2] BV" met registratienummer [kenteken] en [kenteken], toebehorende aan "[bedrijf 1] Wegenbouw BV" en "[bedrijf 2] BV, heeft vernield en / of beschadigd.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Verweer strafuitsluitingsgrond

De raadsman heeft ter zitting namens verdachte ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde een beroep gedaan op noodweer, althans noodweer-exces. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld zoals hij heeft gehandeld omdat hij door het slachtoffer in een houdgreep werd genomen en geen lucht meer kreeg.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat niet strafbaar is degene die een feit begaat geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. In lid 2 van dat artikel wordt de strafbaarheid in geval van noodweer-exces uitgesloten.

Voor een geslaagd beroep op deze strafuitsluitingsgrond is allereerst vereist dat aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, ofwel een ‘noodweersituatie’, van verdachtes eigen lijf of een goed.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat verdachte zich in een noodweersituatie heeft bevonden. Uit de verklaringen van aangever en de getuigen blijkt immers dat verdachte zichzelf in de situatie heeft gebracht dat het slachtoffer zich genoodzaakt zag hem in een houdgreep te nemen. Verdachte gedroeg zich volgens aangever en de getuigen immers agressief jegens het slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet aannemelijk geworden dat jegens verdachte sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen noodzakelijke verdediging geboden was.

Het beroep op noodweer slaagt niet. Wegens het ontbreken van een noodweersituatie slaagt ook het beroep op noodweerexces niet.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1 primair:

medeplegen van zware mishandeling;

t.a.v. feit 2 subsidiair:

mishandeling;

t.a.v. feit 3:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

t.a.v. feit 4:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen;

t.a.v. feit 5:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen, meermalen gepleegd;

t.a.v. feit 6:

medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen;

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie strekkende tot – het onder 1 primair, 2 subsidiair, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen achtend – het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook indien dit inhoudt het volgen van een ambulante behandeling bij verslavingszorg.

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzittingen is gebleken.

Verdachte heeft zonder noemenswaardige aanleiding een jongeman ernstig mishandeld. Ook al zou er enige aanleiding zijn geweest, dan nog had hij zich er niet mee moeten bemoeien en is bovendien zijn reactie buitenproportioneel geweest en volstrekt onaanvaardbaar. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat het ernstige letsel in het gezicht van het slachtoffer met name door de trappen van verdachte is veroorzaakt. Het optreden van verdachte zal zonder meer bij het slachtoffer en publiek gevoelens van machteloosheid en onveiligheid hebben opgeroepen.

Naast dit feit heeft verdachte nodeloos geweld gebruikt tegen andere personen en goederen. Gedragingen als door verdachte nu aantal malen in korte tijd zijn begaan brengen gevoelens van onveiligheid in de samenleving teweeg en zijn volstrekt ontoelaatbaar. Verdachte is eerder met politie en justitie in aanraking geweest vanwege gewelddadig en intimiderend gedrag naar anderen toe. Kennelijk hebben de sancties daarvoor nog onvoldoende indruk gemaakt want verdachte pleegt opnieuw strafbare feiten. Een langdurige gevangenisstraf zou thans dan ook gerechtvaardigd zijn. Niettemin ziet de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden van verdachte die thans een volledige baan heeft en vaste huisvesting alsmede een streng reclasseringstraject in zal gaan, aanleiding om af te zien van een onvoorwaardelijke detentie. In plaats daarvan zal de rechtbank langdurig elektronisch toezicht, ook wel genoemd thuisdetentie of huisarrest, gevolgd door een zeer forse werkstraf opleggen. De rechtbank zal tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen teneinde verdachte er van te weerhouden opnieuw soortgelijke feiten te plegen en om een juridisch kader te creëren voor het elektronisch toezicht

Vorderingen tot schadevergoeding

De benadeelde partij ProRail heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1010,46 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 5, derde gedachtestreepje, tenlastegelegde.

Nu niet is weersproken dat de benadeelde partij, zoals deze heeft gesteld, als gevolg van het onder 5 tenlastegelegde bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag en de vordering de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zal deze vordering worden toegewezen.

De verdachte is voor de schade -naar burgerlijk recht- hoofdelijk aansprakelijk. De door de raadsman gestelde betalingen aan Prorail door de mededaders doen aan deze hoofdelijke aansprakelijkheid van verdachte dan ook niet af.

De benadeelde partij [slachtoffer 10] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 70,95 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 5, vierde gedachtestreepje, tenlastegelegde.

Nu niet is weersproken dat de benadeelde partij, zoals deze heeft gesteld, als gevolg van het onder 5 tenlastegelegde bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag en de vordering de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zal deze vordering worden toegewezen.

De verdachte is voor de schade -naar burgerlijk recht- aansprakelijk

De benadeelde partij [slachtoffer 9] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 106,15 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 5, vierde gedachtestreepje, tenlastegelegde.

Nu niet is weersproken dat de benadeelde partij, zoals deze heeft gesteld, als gevolg van het onder 5 tenlastegelegde bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag en de vordering de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zal deze vordering worden toegewezen.

De verdachte is voor de schade -naar burgerlijk recht- aansprakelijk

De benadeelde partij [naam] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 120,00 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde.

Deze benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, nu deze vordering geen betrekking heeft op een bewezen verklaard feit en aan de benadeelde partij derhalve geen rechtstreekse schade is toegebracht door een bewezen verklaard feit, zoals bedoeld in artikel 361, tweede lid aanhef en sub b van het Wetboek van Strafvordering

De benadeelde partij [bedrijf 2] b.v. heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 9.283,90 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu zij van oordeel is dat dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor afdoening in het strafgeding. De benadeelde partij kan derhalve dat deel van haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van alle hierboven genoemde slachtoffers.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 36f, 47, 141, 302 en 350 Wet van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Zutphen, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende 6 (zes) maanden zal stellen onder elektronisch toezicht met inachtneming van hetgeen in het rapport van de Stichting Reclassering Nederland van 6 mei 2008 is geadviseerd en van hetgeen op basis daarvan tussen veroordeelde en de Reclassering zal worden overeengekomen.

Bepaalt dat het elektronisch toezicht voorafgaat aan de taakstraf en uiterlijk 2 (twee) maanden na ingang van de proeftijd zal aanvangen.

Geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarde(n) hulp en steun te verlenen.

Veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.

Beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die werkstraf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in voorarrest doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de navolgende benadeelde partijen van de hierna genoemde bedragen, telkens vermeerderd met de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden steeds begroot op nihil.

1. Prorail € 1010,46

([adres], bankrek. [nummer])

2. [slachtoffer 10] € 70,95

([adres], bankrek. [nummer])

3. [slachtoffer 9] € 106,15

([adres], bankrek. [nummer])

Verklaart de benadeelde partij [bedrijf 2] B.V. niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verklaart de benadeelde partij [naam] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan veroordeelde tevens de verplichting op aan de Staat ten behoeve van de navolgende slachtoffer(s) te betalen, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal hechtenis zal kunnen worden toegepast van na te melden duur zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

1. Prorail € 1010,46 - 20 dagen

([adres], bankrek. [nummer])

2. [slachtoffer 10] € 70,95 - 1 dag

([adres], bankrek. [nummer])

3. [slachtoffer 9] € 106,15 - 2 dagen

([adres], bankrek. [nummer])

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mrs. Borgerhoff Mulder, voorzitter, Krijger en Schmitz, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Erp, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 mei 2008.

Mrs. Borgerhoff Mulder en Schmitz zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

(eindnoot 1) Proces-verbaal van verhoor van verdachte, doorgenummerde dossierpag. 86.

(eindnoot 2) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] doorgenummerd dossierpag. 45.

(eindnoot 3) Medische informatie van dr. Chr.A.E.M. Stikvoort, doorgenummerde dossierpag. 56.

(eindnoot 4) Proces-verbaal van verhoor van verdachte, doogenummerde dossierpag. 18.

(eindnoot 5) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], doorgenummerde dossierpag. 9.

(eindnoot 6) Medische informatie van dr. C.O.M. Groeningen van 3 april 2007, doorgenummerde dossierpag. 12.

(eindnoot 7) Proces-verbaal van verhoor van verdachte, doorgenummerde dossierpag. 80 e.v.

(eindnoot 8) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3], doorgenummerde dossierpag. 45 e.v.

(eindnoot 9) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4], doorgenummerde dossierpag. 52 e.v.

(eindnoot 10) Proces-verbaal van verhoor van verdachte, doorgenummerde dossierpag. 86.

(eindnoot 11) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], doorgenummerde dossierpag. 48.

(eindnoot 12) Proces-verbaal van verhoor van [getuige 1], doorgenummerde dossierpag. 108

(eindnoot 13) Proces-verbaal van verhoor van verdachte, doorgenummerde dossierpag. 161, 188, 210, 237, 256, 257, 281, 305 en 333.

(eindnoot 14) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5], doorgenummerde dossierpag. 152.

(eindnoot 15) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6], doorgenummerde dossierpag. 178.

(eindnoot 16) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 7], doorgenummerde dossierpag. 203.

(eindnoot 17) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 8], doorgenummerde dossierpag. 222.

(eindnoot 18) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 9], doorgenummerde dossierpag. 225.

(eindnoot 19) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 10], doorgenummerde dossierpag. 228

(eindnoot 20) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 11], doorgenummerde dossierpag. 251.

(eindnoot 21) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 12], doorgenummerde dossierpag. 275

(eindnoot 22) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 13], doorgenummerde dossierpag. 298.

(eindnoot 23) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 14], doorgenummerde dossierpag. 326.

(eindnoot 24) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 15], doorgenummerde dossierpag. 157 en 158.

(eindnoot 25) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 16], doorgenummerde dossierpag. 186, 208 en 235.

(eindnoot 26) Proces-verbaal van verhoor van verdachte, doorgenummerde dossierpag. 403 en 404.

(eindnoot 27) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 17], doorgenummerde dossierpag. 391.

(eindnoot 28) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 18], doorgenummerde dossierpag. 394.