Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD2541

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
20-05-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
08/459 en 08/477
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit van de gemeente Nunspeet van 23 november 2007 om een supermarkt toestemming te geven tot het verbouwen en vergroten van de winkelruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nrs.: 08/459 en 08/477

Uitspraak op de verzoeken om voorlopige voorzieningen in de gedingen tussen:

1. Prisma Food Retail B.V., te Putten,

2. V.o.f. [naam v.o.f.], Knikker Supermarkt B.V. en Plus van der Horst B.V.,

te Nunspeet,

3. Prisma Vastgoed B.V., te Putten,

4. Plus Vastgoed B.V., te De Bilt,

5. Ahold Vastgoed B.V., te Zaandam, en

6. Albert Heijn B.V., te Zaandam,

verzoeksters.

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet,

verweerder.

Jumbo Supermarkten B.V., te Veghel,

derde-partij.

1. Feiten en procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2005 (nr. 04.259) heeft verweerder aan de derde-partij met verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) van het bestemmingsplan “Partiële herziening bestemming Centrum (Industrieweg ong.)” (hierna: bestemmingsplan) reguliere bouwvergunning verleend voor het verbouwen en vergroten van een winkelruimte op het perceel Industrieweg 15 te Nunspeet, kadastraal bekend gemeente Nunspeet, sectie B, nummers 7457 en 7533.

Namens verzoeksters is een bezwaarschrift bij verweerder en een verzoek om een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank ingediend. Bij uitspraak 22 augustus 2005 (05/943, 05/1103, 05/1170, 05/1191 en 05/1271) is het besluit van 7 juni 2005 geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op de bezwaren van verzoeksters.

Bij besluit van 23 november 2007 (nr. 54.121) heeft verweerder de bezwaren van verzoeksters 3, 4 en 5, in navolging van het aanvullende advies van de bezwarencommissie van 24 oktober 2007, niet-ontvankelijk verklaard en de overige bezwaren ongegrond verklaard.

Verzoeksters hebben beroep ingesteld bij de rechtbank op de in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden en tevens verzocht om voorlopige voorzieningen die strekken tot schorsing van het besluit van 23 november 2007.

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 13 mei 2008, waar voor verzoekster 1 is verschenen F.W.M. Punte, bijgestaan door mr. drs. H.A. Samuels Brusse-van der Linden, advocaat te Utrecht. Verzoeksters 2, 3 en 4 zijn vertegenwoordigd door mr. Samuels Brusse-van der Linde voornoemd. Voor verzoekster 5 en 6 zijn verschenen L. Bos respectievelijk B.W. Hoekstra, bijgestaan door mr. H. Doornhof, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door G. Visscher, ambtenaar van de gemeente. Voorts zijn ter zitting aanwezig, drs. A. Boekesteijn en drs. L. Vranken, beiden werkzaam bij adviesbureau BRO te Boxtel, en dr. ing. H.A.E. Simons, werkzaam bij adviesbureau Luchtveld Buis & Partners BV. Namens derde-partij is verschenen F. van Bergen, bijgestaan door

mr. K.W.H. Albert, advocaat te Boxtel.

2. Motivering

2.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Allereerst staat ter beoordeling of verweerder de bezwaren van verzoeksters 3, 4 en 5 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Naar het oordeel van verweerders zijn deze verzoeksters geen belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Hun uitsluitende contractuele relatie tot de rechtstreekse concurrenten van de te vestigen supermarkt van derde-partij moet volgens verweerder worden gezien als een afgeleid, middellijk, belang, en is als zodanig onvoldoende om hen als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb aan te merken. Nu verzoeksters tegen deze onderdelen van het bestreden besluit geen beroepsgronden hebben gericht, kan naar voorlopig oordeel niet worden gezegd dat het bestreden besluit in zoverre niet in rechte kan standhouden.

2.3 Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet mag de reguliere bouwvergunning en moet deze worden geweigerd, indien, voor zover van belang:

(…)

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

(…).

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO wordt, voor zover thans van belang, onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, van de WRO bevat het vrijstellingsbesluit een beschrijving van het betrokken project, de ruimtelijke onderbouwing en de afwegingen die aan het verlenen van vrijstelling ten grondslag liggen.

2.4 In de door GS op 13 december 2005 vastgestelde vrijstellingslijst, bekendgemaakt bij brief van 15 november 2005 (zaak nr. 2005-010942), is -voor zover van belang- aangegeven dat toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO mogelijk is op grond van een voorontwerp-plan voorzien van een positief advies van de provinciale diensten en de VROM-inspectie.

2.5 Het bouwplan is ontwikkeld ten behoeve van de vestiging van een Jumbo supermarkt met een winkelvloeroppervlak van 1.241 m² op het perceel Nijverheidsweg 15 te Nunspeet. Daarnaast wordt in het project voorzien in de aanleg van parkeerplaatsen en voorzieningen voor het stallen van fietsen en winkelwagens, de aanleg en het gebruik van een (buiten de kavelgrens gelegen) gedeelte aan de zijde van het spoor als manoeuvreerruimte en de aanleg en ingebruikname van een ontsluiting van langzaam verkeer richting het Stationsplein.

Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het de vigerende bestemming “Handel en bedrijf”.

2.6 Blijkens het bestreden besluit acht verweerder zich bevoegd tot het verlenen van de in het geding zijnde vrijstelling op grond het “Voorontwerp-bestemmingsplan ¬Industrieweg 15”. Door de diensten ruimte, economie en welzijn van de provincie Gelderland is bij brief van 5 september 2006 aan verweerder meegedeeld dat het voorontwerp een basis kan vormen voor het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO. Op 12 juli 2006 is door de inspecteur VROM meegedeeld geen bezwaar te hebben tegen het verlenen van vrijstelling op grond van het voorontwerp. Naar aanleiding van het bezwaar heeft verweerder de provinciale diensten verzocht te adviseren omtrent het voorontwerp. In de brief van 16 april 2007 aan verweerder hebben de provinciale diensten het standpunt dat het voorontwerp een basis kan vormen voor het verlenen van vrijstelling gehandhaafd en voorts positief geadviseerd omtrent het verder in procedure brengen van het voorontwerp met inachtneming van de opmerkingen inzake het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid en het verkeersonderzoek.

2.7 Verzoeksters hebben betoogd dat het voorontwerp strijdig is met het in hoofdstuk 2 van het Streekplan (op pagina 65) uiteengezette generiek provinciale beleid inzake “Detailhandel en grootschalige voorzieningen” nu naar hun mening niet kan worden gezegd dat het project in geding is gelegen binnen bestaand winkelgebied of daaraan onmiddellijk grenst. Volgens verzoeksters staat deze strijdigheid aan de bevoegdheid tot verlening van vrijstelling op de voet van artikel 19, tweede lid, van de WRO in de weg, ondanks de mededeling van 5 september 2006 van de provinciale diensten. Voorts menen verzoekers dat niet is voldaan aan de door de provinciale diensten in de brief van 16 april 2007 geplaatste opmerkingen. De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande als volgt.

2.8 In het Streekplan 2005 is (op pagina 32), voor zover relevant, het navolgende vermeld:

“Regiospecifiek beleid krijgt vorm binnen de context van een generiek beleidskader. Door het generieke beleid van de provincie globaal te formuleren, is de keuzevrijheid voor (samenwerkende) gemeenten in de uitwerking van regiospecifiek beleid groot. Het generieke beleidskader in hoofdstuk 2 is zo geformuleerd dat er veel ruimte wordt gelaten voor kwalitatieve afwegingen door (samenwerkende) gemeenten in de feitelijke planvorming. Er wordt van provinciewege geen handreiking voor de opstelling van bestemmingsplannen gekoppeld aan dit streekplan. Zo wordt voorkomen dat aanbevelingen worden opgevat als criteria waar de provincie gemeentelijke plannen aan toetst.

Het provinciaal ruimtelijk beleid is selectief en spitst zich toe op de tweeledige provinciale ruimtelijke hoofdstructuur, bestaande uit het groenblauwe raamwerk en het rode raamwerk. In het groenblauwe raamwerk ligt het beleidsaccent op het beschermen en versterken van aanwezige kwetsbare waarden en belangen. In het rode raamwerk ligt het accent op ontwikkelingsbeleid in de sfeer van stedelijke functies en intensieve land- en tuinbouwteelten. In par. 1.5 is de provinciale ruimtelijke hoofdstructuur verder uitgewerkt.

Naast deze twee raamwerken zijn multifunctionele gebieden onderscheiden. Deze gebieden maken geen onderdeel uit van de provinciale ruimtelijke hoofdstructuur. Vooral voor deze gebieden is het provinciale beleid globaal en beperkt.”

In de brief van 15 november 2005, waarmee de door GS vastgestelde vrijstellingslijst bekend is gemaakt, is, voor zover van belang, het navolgende vermeld:

“Op 20 september 2005 is het Streekplan Gelderland 2005 in werking getreden. In dit streekplan wordt het motto van de Nota Ruimte “decentraal wat kan, centraal wat moet” vertaald naar het provinciale niveau “lokaal wat kan, provinciaal wat moet”. Het plan kent een selectieve beleidsinzet op die zaken die van provinciaal belang zijn. Daarbij hoort een grotere beleidsvrijheid en eigen verantwoordelijkheid voor gemeenten voor die zaken die van lokaal belang zijn. (…….)

Voor het multifunctionele gebied geldt in het algemeen dat dit het domein is van de samenwerkende gemeenten. Dit gebied kent een beperkte bemoeienis van de provincie. Naast toch een aantal beleidsinstrumenten (bijvoorbeeld zoekzones), is deze bemoeienis beperkt tot die ontwikkelingen die het provinciale beleid elders zouden kunnen belemmeren. (…….)

Voor plannen van puur lokale aard, dat wil zeggen plannen waarop geen streekplanbeleid van toepassing is, ligt de verantwoordelijkheid uitsluitend bij u. Wij blijven van mening dat dergelijke plannen geen advies van de provinciale diensten behoeven. Met de verruiming van de lijst gaan wij er ook van uit dat u voor veel van deze plannen op basis van de lijst vrijstelling ex artikel 19, lid 2, WRO kunt verlenen. Indien u dergelijke plannen toch voor artikel 10 Bro-advies indient, zal uit het advies van de provinciale diensten blijken of er sprake is van een puur lokaal plan. Er zal onderaan het advies vermeld staan dat het plan uitsluitend een gemeentelijke verantwoordelijkheid is en basis kan vormen voor artikel 19, lid 2, WRO. Volledigheidshalve merken wij op dat zonder een dergelijk advies geen vrijstelling op basis van een voorontwerp-plan verleend kan worden.”

2.9 Tussen partijen is niet in geschil dat het perceel, waarop het bouwplan betrekking heeft, is gelegen in het op de bij het Streekplan 2005 behorende Beleidskaart ruimtelijke Structuur aangeduide ‘multifunctionele gebied’, nader aangeduid als “Bebouwd gebied 2000”. In de brief van 5 september 2006 hebben de provinciale diensten voorts medegedeeld dat het voorontwerpbestemmingsplan, op basis waarvan de vrijstelling is verleend, een plan van lokale aard is, dat geen advies van de provinciale diensten behoeft. Gelet hierop is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat het in het Streekplan 2005 neergelegde generiek provinciale beleid in het onderhavige geval toepassing ontbeert en het daarin gestelde omtrent “Detailhandel en grootschalige voorzieningen” niet aan de bevoegdheid tot verlening van de in geding zijnde vrijstelling op de voet van artikel 19, tweede lid, van de WRO in de weg staat. Of de vestiging van de Jumbo-supermarkt plaatsvindt binnen of onmiddellijk grenzend aan bestaande winkelgebieden kan dan ook in het midden worden gelaten. De verwijzing namens verzoeksters ter zitting naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 september 2007 (zaak nr. 200701031/1) leidt de voorzieningenrechter vooralsnog niet tot een ander oordeel, nu niet is gebleken dat in die zaak de toepasselijkheid van het (generieke) Streekplanbeleid in geding was.

Voorzover verzoekers hebben betoogd dat het voorontwerp geen basis kan vormen voor toepassing van artikel 19, tweede lid van de WRO, omdat niet is voldaan aan de in de door de provinciale diensten in de brief van 16 april 2007 geplaatste opmerkingen, volgt de voorzieningenrechter dat betoog niet. Daarbij wordt van belang geacht dat de provinciale diensten zich in beginsel positief hebben uitgelaten over het in procedure brengen van het voorontwerp. De deugdelijkheid van de door verweerder in het kader van de bestemmingsplanherziening uitgevoerde onderzoeken komt hierna, in het kader van de beoordeling of het project is voorzien van een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing, aan de orde.

2.10 Verweerder heeft aan het project het voorontwerpbestemmingsplan “Industrieweg 15”, gedateerd 7 augustus 2007, als ruimtelijke onderbouwing ten grondslag gelegd.

In de ruimtelijke onderbouwing is, op basis van distributieplanologisch onderzoek door BRO, neergelegd in een rapport van 18 april 2006, en toegelicht door nadere rapportages van 16 februari 2007, 3 juli 2007 en 9 mei 2008, geconcludeerd dat sprake is van voldoende distributieve ruimte voor de vestiging van een nieuwe supermarkt.

Daarnaast is, op basis van een rapportage van de Notitie Ontwikkeling Luchtkwaliteit door komst Jumbo van Lichtveld Buis & Partners BV van 9 juni 2006, nader toegelicht door rapportages van 9 februari 2007, 29 juni 2007, 2 november 2007 en 5 maart 2008, geoordeeld dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het trottoir rond de planlocatie na realisatie van het plan voldoet aan alle grenswaarden en in overeenstemming is met het Besluit Luchtkwaliteit 2005.

Tevens is, op basis van de rapport “Externe veiligheidsrisico-inventarisatie ‘Industrieweg 15’, gemeente Nunspeet, van Royal Haskoning van 12 juni 2006”, nader toegelicht door rapportages van 6 maart 2007, 5 juli 2007 en 6 maart 2008, geconcludeerd dat door de realisatie van de supermarkt het zogenoemde groepsrisico niet noemenswaardig toeneemt, noch in de huidige vervoerssituatie noch in de toekomstige vervoerssituatie en beneden de oriënterende waarde blijft.

Voorts is, op basis van het rapport “Bepalen verkeersconsequenties vestiging Jumbo in Nunspeet” van Traffic Consultants van 15 juni 2006, geconcludeerd dat het extra verkeer als gevolg van de nieuwe supermarkt maar zeer beperkte invloed heeft op de infrastructuur van de Nijverheidsweg, inclusief de rotonde Stationslaan en Stationsplein, en dat de infrastructuur geen aanpassing behoeft als direct gevolg van de nieuwe supermarkt.

2.11 Verzoeksters stellen zich op basis van een rapport van het adviesbureau Kardol van 10 september 2004, nader toegelicht door rapportages van 12 augustus 2005, 26 april 2007 en 25 april 2008, op het standpunt dat in Nunspeet geen distributieve ruimte aanwezig is voor de vestiging van een nieuwe supermarkt, nu dit kan leiden tot onrendabele exploitaties van de reeds aanwezige supermarkten en tot verdwijning van functies uit het centrum.

Daarnaast is het besluit volgens verzoekers in strijd met (artikel 7 van) het Besluit Luchtkwaliteit 2005, nu in een rapport van Tauw van 30 januari 2008 is geconcludeerd dat door de vestiging van het project sprake is van een significante verslechtering van de luchtkwaliteit en een overschrijding van de grenswaarde van NO2.

Ook is het besluit naar de mening van verzoeksters in strijd met het Besluit externe veiligheid. Verzoeksters hebben zich hierbij gegrond op een rapport van 23 april 2007 van Tauw, nader toegelicht in een rapportage van 29 januari 2007, waarin wordt geconcludeerd met de vestiging van de Jumbo naast de spoorlijn Zwolle-Amersfoort het groepsrisico ter plaatse zal toenemen.

Voorts achten verzoeksters door verweerder onvoldoende onderzocht wat de gevolgen zijn van de toenemende verkeersintensiteit ten gevolge van het (bouw)project voor de verkeersafwikkeling op de rotonde richting Stationslaan en Stationsplein. Zijdens verzoeksters is in dit verband gewezen op de Detailhandelsvisie Centrum Nunspeet 2005 (hierna: Detailhandelsvisie) van Marktplan.

2.12 In de aan de vrijstelling ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing omtrent de verkeersafwikkeling is opgemerkt dat de infrastructuur van de Nijverheidsweg, inclusief de rotonde Stationslaan en Stationsplein is berekend op grotere verkeersstromen en dat het extra verkeer van de nieuwe supermarkt maar zeer beperkt invloed heeft op deze infrastructuur zodat de infrastructuur geen aanpassing behoeft als direct gevolg van de nieuwe supermarkt. De voorzieningenrechter oordeelt vooralsnog dat het bestreden besluit op dit onderdeel onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd en naar verwachting niet in stand kan worden gelaten. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

In de Centrumvisie Nunspeet 2005 is de Integrale Ruimtelijke Toekomtsvisie Nunspeet 2015 uitgewerkt. In het kader van de ontwikkeling van de Centrumvisie is door Marktplan adviesgroep op 20 oktober 2005 het rapport: “Nunspeet regionaal sterk” uitgebracht met als onderdeel de Detailhandelsvisie Centrum Nunspeet. Blijkens het voorstel aan de raad van 22 november 2005 wordt de detailhandelsvisie ondersteund door de commissie Algemeen beleid en Economische zaken. Op pagina 38 van het rapport “Nunspeet regionaal sterk” is omtrent het Stationsgebied het volgende vermeld:

“(…) In verkeerskundig opzicht is het Statonsplein op piekuren het “hartinfarct” van Nunspeet. De opstoppingen, slechte doorstroming en onveilige verkeerssituaties bij de spoorwegovergang en het Stationsplein door toename van automobilitiet en drukte op het spoor zullen in de toekomst eerder toe- dan afnemen. Dit vraagt al op korte termijn om maatregelen. De congestieproblematiek bezorgt Nunspeet een negatief imago. De slechte bereikbaarheid van het centrum vormt zo een bedreiging van het economisch functioneren. (….) De komst van een supermarkt zal invloed hebben op de toch al drukke verkeersstroom rond het Stationsplein en vraagt in ieder geval om een oplossing om de bereikbaarheid van beide supermarkten te waarborgen.”

De voorzieningenrechter wijst er op dat de provinciale diensten in de brief van 16 april 2007 omtrent het verkeersonderzoek hebben opgemerkt dat uit het onderzoek niet blijkt wat de gevolgen zijn van de toenemende verkeersintensiteit naar aanleiding van de supermarkt op de verkeersafwikkeling op de rotonde richting Stationslaan en Stationsplein. Zijdens verweerder is desgevraagd ter zitting aangegeven dat bij de beoordeling van de verkeersafwikkeling wel rekening is gehouden met de verkeersintensiteit op de Nijverheidsweg maar niet met een mogelijk haperende verkeersdoorstroming op de rotonde.

Voorts kan er vooralsnog niet aan worden voorbijgezien dat volgens voormelde rapportage van Traffic Consultants , waarop verweerder zijn conclusies heeft gestoeld, op dit moment een studie plaatsvindt naar mogelijke verkeersmaatregelen in de stationsomgeving, in combinatie met het versterken van de ruimtelijke kwaliteit en dat aan de hand van deze studie maatregelen worden genomen om tot een duurzame, verkeersveilige, ontsluiting van het gebied te komen. Voorshands vermag de voorzieningenrechter niet inzien dat de resultaten van dit onderzoek niet dienen te worden afgewacht alvorens verweerder aan het project in geding medewerking kan verlenen.

Niet kan derhalve worden gezegd dat de beroepen in zoverre geen redelijke kans van slagen hebben.

2.13 Nu zijdens verzoeksters de in 2.10 verwoorde conclusies van verweerder, veelal op basis van tegenadviezen van terzake deskundige personen of instellingen, gemotiveerd zijn weersproken, kan voorhands evenmin worden gezegd dat de bestreden besluiten zonder meer op die onderdelen in stand blijven en dat de beroepen ook in zoverre geen redelijke kans van slagen hebben.

2.14 Gelet op de belangen van verzoeksters is het vorenstaande aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende schorsing van het bestreden besluit. De overige door verzoeksters aangevoerde grieven behoeven thans geen bespreking meer. De voorzieningenrechter ziet geen termen voor afdoening van de beroepen met toepassing van artikel 8:86 van de Awb. De voorzieningenrechter merkt dienaangaande op dat de rechtbank naar verwachting in de hoofdzaken de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak te Den Haag (StAB) zal benoemen tot deskundige, teneinde op de hiervoor in 2.10 en 2.11 vermelde onderdelen een onderzoek in te stellen.

2.15 De voorzieningenrechter ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeksters in verband met de behandeling van de verzoeken hebben moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de voorzieningenrechter ter zake van verleende rechtsbijstand 1 punt toe voor de indiening van de verzoeken en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarbij een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd. Er is ook aanleiding om de gemeente Nunspeet te gelasten het betaalde griffierecht aan verzoeksters te vergoeden.

2.16 Beslist moet worden als hierna is aangegeven.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit van 23 november 2007;

- bepaalt dat de gemeente Nunspeet het betaalde griffierecht van € 285,-- aan verzoeksters 1, 2, 3 en 4 vergoedt;

- bepaalt dat de gemeente Nunspeet het betaalde griffierecht van € 285,-- aan verzoeksters 5 en 6 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeksters 1, 2, 3 en 4 tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Nunspeet aan deze verzoeksters;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeksters 5 en 6 tot een bedrag van

€ 644,--, te betalen door de gemeente Nunspeet aan deze verzoeksters.

Aldus gegeven door mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra en in het openbaar uitgesproken op

20 mei 2008 in tegenwoordigheid van mr. F.S. Zwerwer als griffier.