Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD2539

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
27-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
07/1366 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag burgemeester van Raalte op grond van artikel 61b, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 44, lid 1, aanhef en onder e, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994 (hierna: Rpb) met ingang van 1 april 2007. Artikel 44 lid 1 lid onder e Rpb kan ook ten grondslag liggen aan een ontslag wegens verstoorde verhoudingen.

Gelet op wetsgeschiedenis is een formele aanbeveling van ontslag, als bedoeld in artikel 61b, tweede lid, van de Gemeentewet, niet vereist. De rechtbank oordeelt dat de verweerder terecht heeft gesteld dat verhoudingen tussen gemeenteraad en burgemeester onherstelbaar zijn verstoord. Getroffen uitkeringsregeling is in overeenstemming met Rpb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: 07/1366 AW

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

en

de Kroon, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

verweerder.

1. Bestreden besluit

Besluit van verweerder van 5 juli 2007.

2. Feiten

Eiser is per 15 september 2005 voor de duur van zes jaar benoemd tot burgemeester van de gemeente Raalte. Bij Koninklijk Besluit van 15 maart 2007 is aan eiser wegens een verstoorde verhouding tussen hem en de raad op grond van artikel 61b, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 44, eerste lid, aanhef en onder e, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994 (hierna: Rpb) met ingang van 1 april 2007 eervol ontslag verleend.

Bij het thans bestreden besluit is dit ontslag na bezwaar gehandhaafd.

3. Procesverloop

Bij schrijven van 13 augustus 2007 heeft mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer, namens eiser beroep ingesteld bij de rechtbank op de in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 15 mei 2008, waar voor eiser is verschenen,

mr. H.H. van Steijn, kantoorgenoot van mr. Kobossen voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevr. M.C.J.M. Hermus, bijgestaan door mr. E.J. Daalder, advocaat te ‘s-Gravenhage.

4. Motivering

4.1 Artikel 61b van de Gemeentewet luidt (voor zover hier van belang) als volgt:

1. De burgemeester kan te allen tijde bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister worden ontslagen.

2. Indien sprake is van een verstoorde verhouding tussen de burgemeester en de raad, kan de raad, door tussenkomst van de commissaris van de Koning, een aanbeveling tot ontslag zenden aan Onze Minister.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van het Rpb kan aan de burgemeester, anders dan op eigen aanvraag, (onder meer) ontslag worden verleend op grond van:

d. een aanbeveling van de gemeenteraad tot ontslag wegens een verstoorde verhouding tussen de burgemeester en de raad als bedoeld in artikel 61b, tweede lid, van de Gemeentewet;

e. andere gronden.

Ingevolge artikel 44, vijfde lid, wordt het ontslag op grond van het eerste lid, onder d en e, eervol verleend, tenzij naar het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten.

Ingevolge artikel 46a, eerste lid, onder b, van het Rpb heeft de burgemeester ten laste van de gemeente recht op een uitkering bij eervol ontslag op grond van artikel 44, eerste lid en onder e, indien naar het oordeel van Onze minister de reden van het ontslag is gelegen in een verstoorde verhouding tussen de burgemeester en de raad.

4.2 De rechtbank gaat bij haar oordeelsvorming uit van de navolgende - tussen partijen vaststaande - feiten.

Op 24 augustus 2006 heeft de voltallige raad van de gemeente Raalte in een spoeddebat een motie aanvaard met betrekking tot de positie van haar burgemeester. Aanleiding hiervoor waren e-mailberichten, welke vanuit het huis en de computer van de burgemeester waren geplaatst op de website www.roaltenet.nl, waarin op (zeer) laatdunkende wijze werd gesproken over (leden van) de raad. In de motie heeft de raad geconstateerd dat het betreffende e-mailverkeer de vervulling van het ambt van burgemeester heeft geschaad, en is door de raad besloten, gelet op het bepaalde in artikel 61b van de Gemeentewet, met de Commissaris van de Koningin in de provincie Overijssel (hierna: CdK) over de gevolgen te overleggen. Op 25 augustus 2006 heeft de raad de CdK vervolgens schriftelijk op de hoogte gesteld.

Bij ambtsbericht van 25 augustus 2006 heeft de CdK verweerder geïnformeerd. Vervolgens is er op 28 augustus 2006 een gesprek gevoerd tussen de CdK en eiser, en is door de CdK op 5 september 2006 met de wethouders, gemeentesecretaris en fractievoorzitters gesproken omtrent de positie van de burgemeester. Een en ander heeft geleid tot een verklaring van de gezamenlijke fractievoorzitters d.d. 5 september 2006 (onder meer) inhoudende dat gebleken is dat er een verstoorde verhouding tussen de raad en de burgemeester is ontstaan, binnen de raad geen draagvlak bestaat voor enige vorm van bemiddeling, er aldus beschouwd (materieel) sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 61b van de Gemeentewet, en dat daaruit volgt dat bij ontslag aanspraak ontstaat op een uitkering ten laste van de gemeentekas.

Bij ambtsbericht van 8 september 2006 heeft de CdK aan verweerder geadviseerd om eiser eervol ontslag te verlenen vanwege een verstoorde verhouding met de gemeenteraad. Op verzoek van verweerder heeft de CdK op 14 februari 2007 in een aanvullend ambtsbericht nader advies uitgebracht met betrekking tot de positie van eiser.

Verweerder heeft hierin aanleiding gezien eiser bij Koninklijk Besluit van 15 maart 2007 per

1 april 2007 eervol ontslag te verlenen op grond van artikel 61b, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 44, eerste lid, aanhef en onder e, juncto artikel 46a, eerste lid, aanhef en onder b, van het Rpb. Dit ontslag is in het thans bestreden besluit gehandhaafd.

4.3 De rechtbank is allereerst met verweerder van oordeel dat artikel 44, eerste lid, aanhef en onder e, van het Rpb (het zogeheten ‘ontslag op andere gronden’) grondslag kan vormen voor een ontslag wegens verstoorde verhoudingen tussen raad en burgemeester.

De rechtbank wijst er in dit verband op dat de financiële consequenties van een ontslag op die grond met zoveel woorden zijn geregeld in artikel 46a, eerste lid en onder b, van het Rpb, en ook de wetsgeschiedenis (Nota van Toelichting bij het Besluit van 21 juli 2004 tot wijziging van het Rpb, p.6, Stb. 2004/406) buiten twijfel stelt dat ontslag van een burgemeester wegens verstoorde verhoudingen mogelijk is zonder dat daaraan een formele aanbeveling van ontslag, als bedoeld in artikel 61b, tweede lid, van de Gemeentewet, ten grondslag ligt.

Verweerders bevoegdheid om aan een burgemeester op grond van artikel 44, eerste lid en onder e, van het Rpb wegens verstoorde verhoudingen ontslag te verlenen, is daarbij naar vaste jurisprudentie een discretionaire bevoegdheid, waarvan de uitoefening door de rechter terughoudend moet worden getoetst.

4.4 De rechtbank is in dit verband voorts van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van onherstelbaar verstoorde verhoudingen tussen de raad en burgemeester.

De rechtbank acht daarbij met name van belang de (unanieme) motie naar aanleiding van de raadsvergadering d.d. 24 augustus 2006 om met de CdK over de ontstane situatie te overleggen, de inhoud en strekking van de in dat verband afgelegde stemverklaringen, alsmede de verklaring van de fractievoorzitters d.d. 5 september 2006 waarin die verstoorde verhouding met zoveel woorden wordt genoemd en tevens wordt aangegeven dat binnen de raad geen draagvlak bestaat voor enige vorm van bemiddeling.

Ten slotte blijkt uit de ambtsberichten van de CdK d.dis 25 augustus 2006, 8 september 2006 en 14 februari 2007 eveneens genoegzaam dat de verhoudingen met de raad definitief waren verstoord en er binnen de raad geen enkel draagvlak meer bestond voor een terugkeer van eiser op zijn post, mede veroorzaakt door het feit dat eiser op 24 augustus 2006 en ook nadien jegens de raad geen volledige openheid van zaken heeft willen bieden omtrent de achtergrond van de bewuste e-mail berichten en hij zich beperkt heeft tot de ontkenning dat die van hemzelf afkomstig waren.

De rechtbank is in dit verband niet gebleken dat de hierboven genoemde ambtsberichten niet objectief en onbevooroordeeld tot stand zouden zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij mede van belang dat de CdK de daarop betrekking hebbende aantijgingen van eiser in een schrijven van 23 oktober 2007 gemotiveerd en met kracht heeft weersproken.

4.5 Ten slotte volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat een minnelijke regeling had dienen te worden beproefd alvorens tot ontslag zou worden overgegaan.

De rechtbank wijst in dit verband op artikel 46a, zevende lid, van het Rpb, waarin met zoveel woorden is bepaald dat een burgemeester bij ontslag geen andere eenmalige of periodieke uitkeringen ontvangt dan de uitkeringen bedoeld in dat artikel. Bezien vanuit de gedachte dat het niet strookt met de aard van een politiek ambt dat onderhandeld wordt over ontslag en de daaraan verbonden voorwaarden, is met dat artikellid blijkens de wetsgeschiedenis (Nota van Toelichting (p. 4 e.v.) bedoeld expliciet te verwoorden dat sprake is van een toereikend en uitputtend stelsel van uitkeringsregelingen.

De rechtbank acht het thans gegeven ontslag, als ook de daarbij getroffen uitkeringsregeling, geheel in overeenstemming met het Rpb.

Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid niet tot het in geding zijnde ontslag heeft kunnen besluiten, dan wel anderszins zou hebben gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

4.6 Er is geen aanleiding voor een ¬veroordeling in proceskosten.

5. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers, voorzitter, en mrs. E.G. de Jong en

N.K. van den Dungen-Dijkstra, leden, en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2008 in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Steigenga-Gerritsen als griffier.