Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD2483

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
27-05-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
06/580276-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden voor het medeplegen van gijzeling. (Promis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/580276-07

Uitspraak d.d.: 27 mei 2008

Tegenspraak / dip/oip/oip/oip/oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte D],

geboren te [plaats] (Iran) op [1985],

wonende te [plaats],

thans verblijvende in het huis van bewaring te Almere Binnen.

1. Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

28 augustus 2007, 10 oktober 2007, 18 december 2007, 10, 13, 17 en 20 maart 2008 en 13 mei 2008.

2. Ter terechtzitting gegeven beslissingen

Ter terechtzitting van 28 augustus 2007 heeft de rechtbank het verzoek van de raadsman tot het horen van dezelfde getuigen als in de zaak van [medeverdachte C] bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, toegewezen. De rechtbank heeft de officier van justitie opgedragen een overzicht van paalgegevens van de telefoon met nummer 06 [nummer 3] van 15 maart 2007, en zo mogelijk van 12, 13, 14 en 16 maart 2007, aan het dossier toe te voegen. Het verzoek van de raadsman tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis heeft de rechtbank afgewezen.

Op de terechtzittingen van 10 oktober 2007 en 18 december 2007 heeft de rechtbank de verzoeken van de raadsman tot opheffing dan wel schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis afgewezen.

3. De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 11 maart 2008 ex artikel 314a Wetboek van Strafvordering is aangepast is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 12 maart 2007 tot en met 16 maart 2007 in

de gemeente Amsterdam en/of in de gemeente Apeldoorn en/of in de gemeente

Utrecht en/of in de gemeente Arnhem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer A], wederrechtelijk van de

vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,

met het oogmerk (een) ander(en), te weten [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] en/of [slachtoffer B], althans een persoon, te dwingen iets te doen of niet te doen,

immers heeft hij, verdachte en/of een van zijn mededaders,die [slachtoffer A]:

- vastgepakt en/of meegenomen in een auto en/of vastgehouden in een auto en/of

in een auto vervoerd naar een garage(box) te Arnhem en/of

- in een garage(box) vastgebonden en/of vastgehouden en/of een draad om de

nek/hals gelegd en/of

- vastgebonden en/of (tegen zijn wil) in een auto en/of een bestelbus gebracht

en/of (vervolgens) belet dat die [slachtoffer A] die auto en/of dat busje

kon verlaten en/of

- (aldus) voor die [slachtoffer A] een bedreigende situatie doen ontstaan

waaraan die [slachtoffer A] zich niet kon onttrekken,

teneinde voornoemde anderen te dwingen een hoeveelheid hennep en/of

een hoeveelheid (los)geld aan hem, verdachte en/of zijn mededaders, af te

staan;

art 282a lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij in of omstreeks de periode van 12 maart 2007 tot en met 16 maart 2007 in

de gemeente Amsterdam en/of in de gemeente Apeldoorn en/of in de gemeente

Utrecht en/of in de gemeente Arnhem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer A], wederrechtelijk van de

vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,

immers hebben/heeft hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

opzettelijk wederrechtelijk die [slachtoffer A]:

- vastgepakt en/of meegenomen in een auto en/of vastgehouden in een auto en/of

in een auto vervoerd naar een garage(box) te Arnhem en/of

- in een garage(box) vastgebonden en/of vastgehouden en/of een draad om de

nek/hals heeft gelegd en/of die draad (vervolgens) onder electrische

spanning gezet en/of een giftige (vloei)stof heeft toegediend en/of

- vastgebonden en/of (tegen zijn wil) in een auto en/of een (bestel) bus

gebracht en/of (vervolgens) vastgehouden in die auto en/of die (bestel) bus

en/of belet dat die [slachtoffer A] die auto en/of die (bestel) bus kon

verlaten en/of

- meermalen geslagen en/of gestompt en/of met een koevoet, althans een hard

voorwerp tegen het hoofd en/of het lichaam geslagen,

(aldus) voor die [slachtoffer A] een bedreigende situatie doen ontstaan

waaraan die [slachtoffer A] zich niet kon onttrekken,

tengevolge waarvan die [slachtoffer A] zwaar lichamelijk letsel

((nierfunctiestoornissen en/of meerdere bloeduitstortingen en/of meerdere

huidbeschadigingen en/of meerdere schaafwonden en/of meerdere brandwonden

en/of verminking van het lichaam en/of meerdere zware kneuzingen) heeft

bekomen;

art 282 lid 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 13 maart 2007 tot en met 16 maart 2007 in

de gemeente Arnhem en/of de gemeente Amsterdam en/of de gemeente Haarlem en/of

(elders) in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

aan een persoon genaamd [slachtoffer A], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel

toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer A]:

- meermalen, althans eenmaal, met een koevoet, althans een hard voorwerp,

tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of

- meermalen, althans eenmaal, met een knipschaar, althans een scherp voorwerp,

in het vel (van de hand) van die [slachtoffer A] heeft geknipt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij in of omstreeks de periode van 13 maart 2007 tot en met 16 maart 2007 in

de gemeente Arnhem en/of de gemeente Amsterdam en/of de gemeente Haarlem en/of

(elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen,

opzettelijk mishandelend [slachtoffer A]:

- meermalen, althans eenmaal, met een koevoet, althans een hard voorwerp tegen

het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of

- meermalen, althans eenmaal, met een knipschaar in het vel (van de hand) van

die [slachtoffer A] heeft geknipt,

waardoor voornoemde [slachtoffer A] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4. Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. Vaststaande feiten

De rechtbank stelt de volgende feiten vast.

[slachtoffer A], zijn oom [slachtoffer B] en een derde niet nader genoemd persoon zijn in de nacht van maandag 12 op dinsdag 13 maart 2007 naar een garagebox in Arnhem gereden. De hennepkwekerij die in de garagebox was aangelegd, is vervolgens leeggehaald. Diezelfde nacht is de diefstal van de hennep ontdekt. Op dinsdagmorgen 13 maart 2007 is [slachtoffer A], die de nacht bij zijn oom had doorgebracht, op het telefoontoestel van [slachtoffer B], gebeld door zijn vader met het verzoek naar de van hem geweest zijnde bakkerij aan [adres] in [plaats] te komen. Hij is daar samen met [slachtoffer B] naar toe gegaan. Daar trof hij zijn vader en twee mannen aan. [slachtoffer A] is met de twee mannen meegegaan in een brons/grijze Mercedes. In de daaropvolgende periode is [slachtoffer A] mishandeld en zijn met zijn ouders losgeldgesprekken gevoerd. Op vrijdagmiddag 16 maart 2007 is hij in Utrecht aangetroffen. De verbalisanten die ter plaatse kwamen, zagen dat hij diverse verwondingen en bloeduitstortingen over zijn hele lichaam had.

6. De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan

6.1 Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 primair ten laste gelegde. Ten aanzien van feit 2 primair en subsidiair heeft zij gerekwireerd tot vrijspraak. Een afschrift van het schriftelijk requisitoir is aan het proces-verbaal van de zitting van 17 maart 2008 gehecht.

6.2 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal van de zitting van 17 maart 2008 is gehecht. De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak.

6.3 Vrijspraak feit 2

De rechtbank is van oordeel dat voor het medeplegen van de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer A], dan wel het medeplegen van mishandeling, zoals aan verdachte onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegd, geen ander bewijs is dan de verklaring van [slachtoffer A] bij de politie. Voornoemde [slachtoffer A] heeft echter bij de rechter-commissaris verklaard dat hij niet weet of verdachte in de bus waarin hij is mishandeld, is geweest. [slachtoffer A] is ter terechtzitting van 10 maart 2008 als getuige gehoord. Op de vraag of hij met betrekking tot de mishandeling in het busje door verdachte bleef bij zijn bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring, heeft hij verklaard, dat hij zich niet meer kan herinneren of verdachte erbij betrokken was. Gelet hierop en op het feit dat verdachte heeft ontkend dat hij [slachtoffer A] heeft mishandeld, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de (poging tot zware) mishandeling van [slachtoffer A]. Verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.

6.4 Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de navolgende overwegingen ten aanzien van het bewijs, verwijzen onder meer naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal en de daarbij behorende bijlagen, dossiernummer PL0620/07-204566, gesloten en ondertekend op 27 augustus 2007 door [namen].

De bewijsmiddelen zijn te vinden in de volgende stukken:

a. de verklaringen van verdachte ter terechtzitting van 13 en 17 maart 2008;

b. processen-verbaal van de verhoren 1 t/m 20 van het slachtoffer, [slachtoffer A] (p. 1558

t/m1658);

c. fotomap 1 en proces-verbaal, ambtelijk verslag (p. 1946 t/m 1960);

d. processen-verbaal van de verhoren 1 t/m 5 van [slachtoffer D] (p. 2371 t/m 2405);

e. fotomap 2 en proces-verbaal, ambtelijk verslag (p. 2391 t/m 2397);

f. processen-verbaal van de verhoren 1 t/m 9 van [slachtoffer B] (p. 2406 t/m 2444) en de

verklaring van [slachtoffer B] bij de rechter-commissaris;

g. proces-verbaal van het 2de verhoor van [slachtoffer C] (p. 2366 t/m 2368);

h. processen-verbaal van de verhoren 1 t/m 7 van [naam] (p. 2847 t/m 2864);

i. processen-verbaal van de verhoren 1 t/m 9 van [medeverdachte A] (p. 97 t/m 164);

j. proces-verbaal van verhoor van [getuige] (p. 1188 t/m 1190);

k. proces-verbaal, ambtelijk verslag (p. 2336 en 2337) en proces-verbaal van

observatie (p. 1704 t/m 1708);

l. proces technisch onderzoek met betrekking tot de verwondingen van het

slachtoffer, [slachtoffer A] (p. 4020 t/m 4051);

m. proces-verbaal aanvraag aanvullende doorzoeking (p. 1874 en 1875);

n. proces-verbaal sporenonderzoek (p. 4090 t/m 4096);

o. deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut (p. 4267 t/m 4277);

p. historische printgegevens (p. 4446 t/m 4459 en p. 4625 t/m 4642);

q. de historische printgegevens van het telefoonnummer 06-[nummer 1];

r. sms’jes (p. 2740 t/m 2765);

s. tapgesprekken (diverse pagina’s).

6.5 Uit deze bewijsmiddelen worden de volgende redengevende feiten en omstandigheden afgeleid.

6.5a Verdachte heeft ter terechtzitting van 13 en 17 maart 2008 verklaard - zakelijk weergegeven - dat op woensdag 14 maart 2007 een oude man naar zijn zaak kwam. Hij wilde [medeverdachte E] spreken. [medeverdachte E] was er echter niet, waarna hij een telefoonnummer achterliet met het verzoek dat aan [medeverdachte E] af te geven. Die oude man was [slachtoffer D], de vader van [slachtoffer A]. Verdachte heeft verder verklaard dat hij op woensdag

14 maart 2007 een rode bus heeft gehuurd op verzoek van [medeverdachte J] en dat hij deze bus heeft bestuurd. De rode bus, een blauwe BMW en een rode Mercedes zijn de snelweg opgereden in de richting van Apeldoorn. Op een parkeerplaats langs de snelweg zijn alledrie de auto’s gestopt. Personen die in de auto’s zaten zijn uitgestapt en hebben met elkaar gesproken, maar hij is niet uitgestapt. Verdachte heeft verklaard dat ze vervolgens zijn verdergereden naar de Mc Donalds in Apeldoorn en dat hij bij de Mc Donalds in de BMW achter het stuur is gaan zitten. [slachtoffer B] zat voorin naast hem. Toen hij het parkeerterrein verliet, heeft hij de rode bus en de rode Mercedes niet meer gezien. Onderweg kreeg hij telefoon van [medeverdachte J], die zei dat ze terug naar Amsterdam gingen. [slachtoffer B] werd hysterisch toen hij het woord Amsterdam hoorde. Hij wilde midden op de weg uitstappen en begon aan het stuur te trekken, waarna hij, verdachte, in de berm is gestopt.

Verdachte heeft verder verklaard dat hij en [medeverdachte L] vervolgens rond 19.00 à 20.00 uur zijn teruggegaan naar Amsterdam. Woensdagavond is hij in Amsterdam geweest.

Op donderdag kreeg hij sms-jes van zijn broer [medeverdachte E] vanaf een hem onbekend telefoonnummer. Hij moest voor [medeverdachte E] zorgen voor een slaapzak, reispapieren en kleding. Hij heeft [medeverdachte E] die dag rond 18.00 à 19.00 uur gezien. Hij heeft hem ook in Amsterdam Osdorp gezien. Hij moest van [medeverdachte E] in de buurt blijven. Hij reed in een Volkswagen Fox en hij zag dat [medeverdachte L] iets verderop voor hem stond geparkeerd in een Peugeot. Op een gegeven moment die nacht kwamen er auto’s aan en ontstond er een chaos. Hij is toen weggegaan. Hij kreeg een sms-je dat hij zijn telefoon uit moest doen.

Verdachte heeft voorts verklaard, dat hij opdrachten van zijn broer kreeg vanaf een tot dat moment voor hem onbekend telefoonnummer, die uit de historische printgegevens blijkt, en die opdrachten heeft uitgevoerd, dat het telefoonnummer eindigend op [nummer D] van hem, verdachte, is en dat het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer A] van [medeverdachte C] is.

6.5b Het slachtoffer, [slachtoffer A], heeft verklaard - zakelijk weergegeven - dat hij op 13

maart 2007 met zijn oom [slachtoffer B] naar de bakkerij aan [adres en plaats] is gegaan, waar hij zijn vader zag staan en twee jonge mannen, die hij herkende als [medeverdachte E] en [medeverdachte C] (p.1560). Hij is bij [medeverdachte E] in de auto, een Mercedes Benz, gestapt, waarin ook [medeverdachte C] zat (p.1561). Ze zijn naar Geuzenveld gereden, waar de auto werd geparkeerd en hij is uitgestapt. Na 10 minuten zei [medeverdachte E] dat hij moest instappen (p.1614). Ze zijn vervolgens via de A2 richting Arnhem gereden. Bij een benzinestation langs de A2 heeft [medeverdachte C] zijn telefoon afgepakt. [slachtoffer A] heeft verklaard dat hij toen het idee kreeg dat hij werd ontvoerd en dat hij bang werd (p.1661). Ze zijn verder gereden naar Arnhem en in de buurt van het Gelredome een garagegebouw binnengegaan (p.1563), waar hij is mishandeld. [medeverdachte E] heeft daarbij ondermeer een wit elektriciteitssnoer om zijn hals gedraaid (p.1605). Na de mishandeling in Arnhem hebben [medeverdachte E] en [medeverdachte C] hem naar buiten begeleid, hem in de brons/grijze Mercedes gezet en zijn ze gaan rijden. Op een drukke kruising bij Zandvoort/Haarlem heeft hij geprobeerd weg te rennen (p.1592). [slachtoffer A] heeft hierover in een ander verhoor verklaard dat hij bang was dat ze hem opnieuw zouden gaan mishandelen. Op een gegeven moment heeft hij het linkerachterportier geopend en geprobeerd uit de auto te springen. Hij werd door de jongen in het groene trainingsjack echter weer de auto ingetrokken. De jongen werd daarbij geholpen door [medeverdachte C] (p.1620). Dit was in de buurt van Bloemendaal/Aerdenhout/Zandvoort (p.1621).Toen het donker werd zag hij dat er een Hyundaibus achter hen reed. De jongen in het groene trainingsjack pakte zijn handen vast en [medeverdachte C] draaide vervolgens met grijs duck-tape zijn handen aan elkaar vast en vervolgens ook zijn voeten (p.1622). Hij is daarna overgeladen in de Hyundai. [medeverdachte E] en [medeverdachte C] zaten ook in die Hyundai (p.1623). In de bus is zijn hoofd beplakt met duck-tape, zodanig dat alleen zijn neus vrij werd gehouden (p.1624). Op vrijdag 16 maart 2007 is [slachtoffer A] uit de bus gezet en achtergelaten. [slachtoffer A] heeft verder verklaard dat hij de persoon op foto 3 van fotomap 1 kent als [medeverdachte C] en als de persoon die betrokken is geweest bij de wederrechtelijke vrijheidsbeneming en de mishandelingen die hebben plaatsgevonden (p.1611).

[slachtoffer A] heeft tegenover de rechter-commissaris en ter zitting verklaard dat hij [medeverdachte C] ten onrechte heeft belast; hij zou [medeverdachte C] in de drie dagen na Geuzenveld niet hebben gezien. De rechtbank gaat echter uit van de verklaringen van [slachtoffer A] bij de politie. Zij acht de reden die [slachtoffer A] opgeeft om [medeverdachte C] aanvankelijk wel te belasten onaannemelijk. Dit temeer nu [slachtoffer A] eerst na vele gedetailleerde – voor [medeverdachte C] belastende – verklaringen zijn getuigenis ten aanzien van [medeverdachte C] heeft gewijzigd.

6.5c Verbalisant [naam] heeft verklaard dat de persoon op foto 3 van fotomap 1 [medeverdachte C] is (p.1959).

6.5d Getuige [slachtoffer D], vader van [slachtoffer A], heeft verklaard - zakelijk weergegeven - dat hij omstreeks 9.00 uur naar de bakkerij is gegaan en daar twee jongens zag (p.2372). Ze vroegen naar [slachtoffer A] en zeiden dat [slachtoffer A] spullen van hen gestolen had. Hij heeft [slachtoffer B] gebeld en na enige tijd kwamen [slachtoffer B] en [slachtoffer B] eraan. Hij heeft gezien dat [slachtoffer A] bij die jongens in de auto is gaan zitten en dat de auto wegreed (p.2373).

[slachtoffer D] heeft verder verklaard dat [slachtoffer B] werd gebeld door iemand die hem wilde spreken (p.2388). Afgesproken werd in een café aan het Mercatorplein in Amsterdam (p.2389). Ze hebben, via tussenkomst van een Turkse man die tolkte, gesproken met twee Marokkaanse jongens, die zeiden dat [slachtoffer A] goederen had gestolen. Nadat ze het café hadden verlaten, is [slachtoffer B] met 2 of 3 jongens in zijn BMW gestapt. Hij, [slachtoffer D], is in de Mercedes gestapt en hij zag nog een rode bus. In de BMW, die niet door [slachtoffer B] zelf werd bestuurd, zat ook de man die hij, [slachtoffer D], heeft herkend op foto 1 van fotomap 2 (p.2399). In de buurt van Apeldoorn zijn ze naar een parkeerplaats gegaan (p.2400). De mannen spraken met elkaar en er is veel getelefoneerd. Hij, [slachtoffer D], is toen overgestapt in het rode busje. De Turkse man van de garage is ook ingestapt en ze zijn weggereden. De andere auto’s zijn niet meegegaan. Ze zijn naar een hotel gereden, uitgestapt en naar binnen gegaan. Bij het hotel waren meerdere Turkse mannen. Hij, [slachtoffer D], heeft hen gezegd dat de ‘spullen’ terug moesten omdat zijn zoon anders niet meer terug zou komen. Ze zijn vervolgens naar de Gamma, op een industrieterrein vlak bij een benzinestation, gegaan. Toen ze daar aankwamen, zagen ze de BMW van [slachtoffer B] staan en de Mercedes waarmee hij, [slachtoffer D], naar Apeldoorn is gereden. Ze hebben daar gewacht. Er is ruzie ontstaan tussen [slachtoffer B] en de andere jongens (p.2401). De anderen zeiden op een gegeven moment dat ze terug naar Amsterdam zouden gaan. Hij, [slachtoffer D], is met de Turkse man in de rode bus teruggereden. In Amsterdam zijn ze naar de KFC gegaan en hebben gewacht op de ‘spullen’. [naam] kwam met een andere vrouw in een personenauto en vertelde dat de auto in Osdorp zou staan. In Osdorp zagen ze een witte kleine vrachtwagen staan (p.2402). Hij, [slachtoffer D], is in de witte vrachtwagen gestapt en achter de rode bus aan gereden. Ze zijn gestopt bij een fabriek bij Sloterdijk, waar de dozen zijn overgeladen. Een van de mannen die hielp met overladen was verdachte (p.2390). Hij, [slachtoffer D], had van de Turkse man van de garage gehoord dat als alles geteld was, [slachtoffer A] zou worden vrijgelaten (p. 2403). Om 2 of 3 uur ’s nachts is hij gebeld door een Marokkaanse man, die hij heeft herkend op foto 3 van fotomap 1. Hij herkende zijn stem als degene die [slachtoffer A] heeft ontvoerd. De man zei dat de helft van de goederen niet aanwezig was, eiste nog € 30.000,- en gaf hem, [slachtoffer D], tot die avond 18.00 uur de tijd om het geld bij elkaar te krijgen. Op sommige punten heeft [slachtoffer D] tegenover de rechter-commissaris anders verklaard of verklaard het zich niet te kunnen herinneren. De rechtbank gaat uit van zijn verklaringen bij de politie. Deze zijn afgelegd in de periode maart – juni 2007, (zeer) kort na de periode van 13 tot en met 15 maart 2007. Die verklaringen zijn gedetailleerd en (delen ervan) vinden steun in andere bewijsmiddelen, te weten in verklaringen en taps.

6.5e Verbalisant [naam] heeft verklaard dat de persoon op foto 1 van fotomap 2 [verdachte D] is (p.2392).

6.5f [slachtoffer B] heeft verklaard dat op dinsdag 13 maart 2007 de Iraanse en de Marokkaanse man aan hem en aan zijn zwager, [slachtoffer D], vertelden dat ze 2000 wietplantjes of 100 kilo wiet of € 300.000 wilden hebben (p.2407). Op dinsdag 13 en woensdag 14 maart 2007 is hij drie keer opgebeld en is tegen hem gezegd dat hij tot woensdag 14 maart 2007 om 14.00 uur de tijd had om voor het geld of de wiet te zorgen (p.2408). Op woensdag 14 maart 2007 is hij eerst gebeld door een Marokkaanse man en korte tijd later door een Turkse man, genaamd [tolk] en eigenaar van garage [naam] (p.2443). [tolk] vroeg hem naar het Mercatorplein te komen. Hij is met [slachtoffer D] naar een café op het Mercatorplein gegaan. [tolk] zei dat hij wilde bemiddelen als tolk. Ze moesten de wiet teruggeven en dan zou hij met 1½ uur [slachtoffer A] terugbrengen. Hij heeft de Turkse vriend van [slachtoffer A] gebeld, die zei dat de wiet in Apeldoorn was. Ze zijn vervolgens naar Apeldoorn gereden.

[slachtoffer B] heeft op 29 februari 2008 tegenover de rechter-commissaris verklaard dat ze na 70 à 80 kilometer op een parkeerplaats zijn gestopt. De huurauto kwam daar ook. Met [slachtoffer D] en hem erbij, waren ze met 6 tot 8 mensen. Er werd daar gesproken. Ze zijn in de auto gestapt, de Turk ([tolk]) ging bij [slachtoffer D] in de auto. Naast hem, [slachtoffer B], ging een Marokkaan zitten. Vlak voor Apeldoorn zijn ze weer op een parkeerplaats gaan staan. [slachtoffer D] zei dat hij de wiet wilde gaan halen en hij wilde dat er iemand meeging. Hij, [slachtoffer B], mocht niet mee. De Turk ([tolk]) is met [slachtoffer D] meegegaan. De Iraniër, drie Marokkanen en hij, [slachtoffer B], zijn als eerste van de parkeerplaats vertrokken. De rode Mercedes volgde hen.

Tegenover de politie heeft [slachtoffer B] verder verklaard dat op een parkeerplaats bij Kwantum de rode vrachtwagen en de rode Mercedes stonden (p.2444). Daar zag hij [slachtoffer D] en [tolk] weer. Hij heeft de telefoon van [tolk] gepakt en heeft gebeld naar de Turkse vriend van [slachtoffer A]. Hij hoorde dat [slachtoffer D] tegen die vriend zei dat ze zijn zoon hadden en hij hoorde dat [slachtoffer D] die vriend smeekte om met de wiet te komen. Hij, [slachtoffer B], moest in de auto gaan zitten en ze zijn weggereden. Bij stoplichten heeft hij de deur van de auto geopend en geprobeerd te vluchten (p.2410). Hij werd door de bestuurder, de broer van [medeverdachte E] (p.2435), en twee andere personen vastgehouden.

6.5g [slachtoffer C], moeder van [slachtoffer A], heeft verklaard dat zij een dag nadat [slachtoffer B] was vrijgelaten, werd gebeld en dat ze € 300.000,- wilden hebben. Ze heeft gezegd dat ze niet wist hoe ze aan dat geld moest komen. Het bedrag werd toen verlaagd naar € 30.000,- en later verhoogd naar € 40.000,-. De man heeft meerdere malen gebeld (p.2367).

6.5h [Tolk] heeft verklaard dat hij op woensdag 14 maart 2007 heeft getolkt tussen twee Marokkaanse mannen en twee Turkse mannen (p.2861). [medeverdachte J] zei wat hij tegen de Turkse mannen moest zeggen, nl. “jullie hebben iets van ons en wij iets van jullie”. De oude man huilde en vertelde dat het om zijn zoon ging (p.2862). De lange man zei dat de wiet in de buurt van Apeldoorn was. De mannen kwamen overeen dat de wiet teruggegeven zou worden en dat de oude man dan zijn zoon terugkreeg. Een van de Marokkaanse mannen belde om een busje te regelen om de wiet op te halen. In de auto, een donkerblauwe sedan, waarmee ze naar Apeldoorn zijn gegaan, zat ondermeer de lange Turk, van wie hij tijdens de rit hoorde dat hij [slachtoffer B] heette. De oude Turk zou opgepikt worden door iemand met een busje. Vlakbij Apeldoorn stopten ze op een parkeerplaats. [slachtoffer B] was constant aan het bellen. Na ongeveer 15 minuten stopte een rode bus van het merk Volkswagen bij hen. [verdachte D] (verdachte) en die oude Turkse man zaten daarin. [slachtoffer B] belde waar de wiet bleef. Na een half uur zei [slachtoffer B] dat hij de wiet alleen moest ophalen. De anderen geloofden hem niet en besloten terug te keren naar Amsterdam. De oude man begon te huilen en smeekte niet weg te gaan. [slachtoffer B] heeft weer gebeld en gezegd dat de oude man de wiet zou ophalen. Hij, [tolk], is met die oude Turk meegegaan. Ze zijn met de rode bus naar Apeldoorn gereden, hebben geparkeerd bij een hotel en zijn het hotel binnengegaan. Toen ze de wiet niet kregen, zijn ze met de rode bus naar Amsterdam teruggereden (p.2863). Ze hebben ongeveer twee uur gewacht bij KFC aan de Jan van Gaalenstraat. Toen kwam er een donkerkleurige Volkswagen Golf Type 3 met 2 vrouwen die vertelden dat de wiet in een vrachtwagen in Osdorp was. De vrouwen reden voor hen uit naar Osdorp. Ze werden naar een witte vrachtwagen gebracht die langs de weg op een parkeerplaats stond. De oude Turk liep naar de vrachtwagen, stapte in en reed de vrachtwagen naar een industrieterrein in de buurt van Sloterdijk. Daar is wiet is overgeladen in de rode bus. De oude Turkse man, [medeverdachte J], de Marokkaan op de motor, [verdachte D] (verdachte), [medeverdachte E] en hij, [tolk], waren daarbij aanwezig. [tolk] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren of [verdachte D] (verdachte) erbij was.

6.5i [medeverdachte A] heeft verklaard dat ze op woensdag 14 maart 2007 achter een BMW reden. In de BMW zat een man achter het stuur. Naast hem zat een Turkse man en achterin de auto zat de broer van [medeverdachte B] (p.97/98). Op een kruising zag hij plotseling het rechtervoorportier opengaan. Het leek erop dat de Turkse man uit de auto wilde springen. De BMW begon te slingeren, reed met het rechtervoorwiel de trottoirband op en stopte. De auto, waarin hij, [medeverdachte A], zat is voor de BMW gestopt. Hij zag dat de Turkse man al buiten de wagen stond, dat hij werd vastgehouden door de bestuurder van de BMW en dat de man zich probeerde los te trekken. Hij heeft de man in zijn gezicht geslagen. De bestuurder van de BMW zei tegen hem dat hij de Turkse man terug in de BMW moest gooien (p.139).

6.5j [Getuige] heeft verklaard dat hij op 14 maart 2007 aan het eind van de middag een BMW 3 zag op de Europaweg te Apeldoorn die aan de rechterkant in de berm stond (p.1188). Aan de kant van het bijrijderportier stapte een persoon uit. Hij had het gevoel dat hij bij het uitstappen belemmerd werd. Even later zag hij dat een tweede man de eerste man ter hoogte van het rechterachterportier van de BMW tegenhield/vasthield.

6.5k De verbalisanten [namen] relateren dat op vrijdag 16 maart 2007 omstreeks 00.12 uur een observatieteam van de regiopolitie Noord- en Oost Gelderland zich in de directe omgeving van de Allendelaan te Amsterdam bevond. Enkele leden van het observatieteam zagen dat een Volkswagen Fox met het kenteken [kenteken] op een parkeerplaats tegenover de Hotelschool van Amsterdam stond. Omstreeks 01.49 uur zijn de inzittenden van een Renault Laguna met het kenteken [kenteken] aangehouden. Direct na deze aanhouding zag het observatieteam dat de eerdergenoemde Volkswagen Fox met hoge snelheid wegreed (p.2336 en 1706).

6.5l Verbalisant [naam] heeft verklaard dat hij het slachtoffer [slachtoffer A] op vrijdagochtend 16 maart 2007 heeft aangetroffen in Utrecht (p.1739-1741) en dat hij op de enkels en handen van het slachtoffer lijmresten van waarschijnlijk plakband zag en dat het slachtoffer kennelijk met plakband gebonden is geweest (p.4021).

6.5m Verbalisant [naam] heeft verklaard dat op 3 en 4 april 2007 in het kader van artikel 96c van het Wetboek van Strafvordering een doorzoeking ter inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen heeft plaatsgevonden in garagebox [perceel] (achter perceel 37) en dat daarbij ondermeer een wit elektriciteitssnoer met aan de ene zijde gestripte draden en aan de andere zijde een stekker, in beslag is genomen (p.1874).

6.5n De verbalisanten [namen] hebben verklaard dat zij op 3 en 4 april 2007 in een opslagruimte aan [adres en plaats] onder meer de volgende voorwerpen en sporen hebben veiliggesteld (p.4094):

- een wit elektriciteitssnoer met vaste stekker en aan de andere zijde gestripte draden

(svo-1372);

- een wit elektriciteitssnoer met aan beide einden gestripte draden (svo-1373).

6.5o Uit het rapport, opgemaakt door gerechtelijk deskundige Jansen komt naar voren dat op het elektriciteitssnoer (met aan beide einden gestripte draden) DNA is aangetroffen van [slachtoffer A], waarbij de kans dat het DNA van een ander afkomstig zou kunnen zijn, is gesteld op minder dan 1 op 1 miljard (p.4273 en 4276).

6.5p Uit de historische printgegevens komt onder meer naar voren dat het telefoonnummer 06-[nummer 3] op woensdag 14 maart 2007 tussen 15.08 en 15.47 uur de GSM-mast op de locatie Paramaribo/Surinameweg/Oude Apeldoornseweg te Apeldoorn heeft aangestraald (p.4634), om 15.58 uur de GSM-mast aan de Otterloseweg te Ugchelen (Apeldoorn), tussen 16.00 en 16.24 uur de GSM-mast op de Europalaan/Laan van Spitsbergen te Apeldoorn en tussen 16.25 en 19.43 uur de GSM-mast op de Albert Schweitzerlaan/Molecatenlaan te Apeldoorn. Om 19.56 uur heeft de telefoon een GSM-mast aangestraald aan de A1, parkeerplaats Lucasgat/Alverschotenseweg te Hoog Soeren. Daarna verplaatste de telefoon zich naar GSM-masten in Amsterdam (p.4636). Om 20.58 uur is de mast aan de Antony Moddermanstraat 2 te Amsterdam aangestraald (p.4453).

Op donderdag 15 maart 2007 heeft genoemd telefoonnummer tussen 01.33 en 01.50 uur de GSM-mast Ookmeerweg-Geerban te Amsterdam aangestraald (p. 4638).

6.5q Uit de historische printgegevens van het telefoonnummer 06-[nummer 1] komen meerdere contacten met de [telefoonnummer D] naar voren, te weten:

Op 14 maart 2007 belt de [telefoonnummer A] om 22.05.35 uur en om 22.08.20 uur met de [telefoonnummer D].

Op 15 maart 2007 belt de [telefoonnummer A] op de volgende tijden met de [telefoonnummer D]: om 0.46.45 uur, om 01.30.26 uur, om 01.49.50 uur, om 02.13.31 uur, om 02.35.15 uur, om 11.03.34 uur, om 16.16.01 uur, om 17.06.47 uur en om 18.51.17 uur.

Op 15 maart 2007 stuurt de [telefoonnummer D] om 01.20.31 uur een sms-je naar de [telefoonnummer A].

6.5r Op 15 maart 2007 om 11.23 heeft de [telefoonnummer D] een sms’je ontvangen van de [telefoonnummer B], waarin hem gevraagd wordt te zorgen voor een hele nieuwe outfit, wat nu is moet worden weggegooid (p.2740).

Om 11.25 uur heeft de [telefoonnummer D] een sms’je verstuurd aan de [telefoonnummer B], waarin hij vraagt of hij een personenauto zal huren (p.2741).

Om 11.27 uur heeft de [telefoonnummer D] een sms’je ontvangen van de [telefoonnummer B] met de mededeling dat hij moet doen wat hij denkt dat goed is en dat hij die bus nog niet terug moet geven (p.2742).

Om 11.51 uur heeft de [telefoonnummer D] een sms’je ontvangen van de [telefoonnummer B], waarin de [telefoonnummer D] wordt gevraagd om Iraanse en Hollandse papieren (p.2747).

Om 11.51 uur heeft de [telefoonnummer D] een sms’je ontvangen van de [telefoonnummer B], waarin hem wordt gevraagd een zaklamp en 2 slaapzakken te kopen en een nieuwe outfit (p.2748).

Om 12.25 uur heeft de [telefoonnummer D] een sms’je ontvangen van de [telefoonnummer B], waarin hem wordt gezegd inkomende en uitgaande sms’jes te wissen (p.2750).

Om 14.29 uur heeft de [telefoonnummer D] een sms’je ontvangen van de [telefoonnummer B], waarin wordt gevraagd of hij de slaapzak en lamp mee heeft en waarin hij wordt gevraagd een kartonnen doos mee te nemen omdat de verzender niet weer in een plas wil slapen (p.2762).

6.5s Op 15 maart 2007 worden diverse losgeldgesprekken gevoerd met de ouders van [slachtoffer A]. Om 09.51 uur worden ze gebeld door de [telefoonnummer A]. De beller zegt dat [slachtoffer A] bij hem is en dat niet alle spullen terug zijn. [slachtoffer D] biedt aan € 10.000,- te betalen en verhoogt dit tijdens het gesprek tot € 20.000,-, te betalen in juli. De beller eist € 30.000,- en wil het bedrag dezelfde dag hebben. De beller zegt dat hij contact met die mensen moet opnemen en dat [slachtoffer D] de spullen moet terugbrengen. Als [slachtoffer D] daarop zegt dat hij geen contact heeft en dat de spullen via [slachtoffer B] waren geregeld, zegt de beller dat hij via [slachtoffer B] de rest van de spullen moet regelen (p.4754 t/m 4756).

Om 13.59 uur wordt [slachtoffer D] gebeld door de [telefoonnummer A]. [slachtoffer D] zegt dat hij die mensen niet kan bereiken en dat hij [slachtoffer B] niet heeft gezien. De beller wil dat [slachtoffer D] [slachtoffer B] bereikt en dat [slachtoffer B] zorgt voor het contact met die mensen. Hij wil de afgepakte ‘dinges’ terughebben (p.4667 en 4668).

Om 16.41 uur wordt [slachtoffer D] gebeld door de [telefoonnummer A]. Aan [slachtoffer D] wordt gezegd dat hij de vorige keer contact heeft gehad met [slachtoffer B] en dat hij nu weer contact moet maken met [slachtoffer B]. [slachtoffer B] kan dan contact opnemen met die mensen en de spullen naar hem, [slachtoffer D], brengen. De beller zal dan de zoon van [slachtoffer D] terugbrengen. Hij wil de ‘dinges’ voor die avond hebben en geeft [slachtoffer D] opdracht geld te gaan zoeken (p.4669 en 4670).

Om 18.54 uur wordt [slachtoffer D] gebeld door de [telefoonnummer A], die hem vraagt hoever hij is met het geld. [slachtoffer D] zegt dat hij op zoek is naar geld en bijna 30 bij elkaar heeft. De beller zegt daarop dat het 40 moet zijn, dat hij het die avond wil hebben en dat [slachtoffer D] dan zijn zoon terug krijgt (p.4672 en 4673).

Om 21.12 uur wordt [slachtoffer D] gebeld door de [telefoonnummer A]. Hij zegt dat hij 34 en een half heeft. De beller zegt dat hij over een uur opnieuw belt, dat hij dan [slachtoffer A] mag spreken en dat hij de rest moet regelen (p.4674).

Diezelfde dag om 17.26 uur wordt de [telefoonnummer D] gebeld door de [telefoonnummer B]. De gebelde, de [telefoonnummer D], zegt, dat ‘hij’ naast hem zit met shit (p.2769).

Om 18.28 uur wordt de [telefoonnummer D] gebeld door de [telefoonnummer B]. De beller zegt dat hij, de [telefoonnummer D], een nieuwe telefoon moet kopen (p.2780).

Op 16 maart 2007 om 00.07 uur wordt de [telefoonnummer B] gebeld door de [telefoonnummer D], waarbij gezegd wordt dat hij, de [telefoonnummer B], in de gaten wordt gehouden vanaf de tweede verdieping (p.2811).

Om 01.04 uur belt de [telefoonnummer A] met de [telefoonnummer C] en vraagt wie er in de auto achter hem zit, waarop de gebelde, de [telefoonnummer C], zegt dat dat [verdachte D] is (p.2672).

Om 01.51 uur belt de [telefoonnummer D] met de [telefoonnummer B]. De beller, de [telefoonnummer D], waarschuwt de [telefoonnummer B] niet in de buurt te komen daar waar zij waren. Er is actie, scotoo (p.2817).

6.6. Bewijsoverweging

Naar het oordeel van de rechtbank kan het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen worden verklaard. Zij overweegt hiertoe als volgt.

Voor de beoordeling of verdachte het onder feit 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, is van belang of er sprake is van wetenschap bij verdachte ten aanzien van de gijzeling van [slachtoffer A].

6.6a Op dinsdag 13 maart 2007 is [slachtoffer A] naar de bakkerij aan [adres en plaats] gegaan en daar aangesproken door twee mannen. Hij is met hen in een auto, een Mercedes, gestapt. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij die morgen door zijn broer werd gebeld met het verzoek zijn auto te brengen naar de kruising Hoofdweg/Postjesweg en dat hij aan dit verzoek heeft voldaan. Niet in geschil is derhalve dat verdachte op dinsdagmorgen 13 maart 2007 (in de buurt) bij de bakkerij is geweest. De rechtbank acht echter de enkele aanwezigheid van verdachte bij de bakkerij onvoldoende voor de conclusie dat hij op dat moment op de hoogte was of moest zijn van (voorbereidingen op) de gijzeling van [slachtoffer A]. Er zijn geen bewijsmiddelen die in die richting wijzen, noch omstandigheden, waaruit verdachte dit had kunnen of moeten afleiden. Voor zover ervan moet worden uitgegaan dat verdachte zijn auto in gebruik heeft gegeven aan ([medeverdachte E] als) een van de (vermoedelijke) daders van de gijzeling, overweegt de rechtbank, dat op grond van de voorhanden zijnde stukken, zelfstandig en in onderlinge samenhang beschouwd, niet geconcludeerd kan worden dat verdachte op dat moment wist of moest weten dat zijn auto zou worden gebruikt in de hem door het openbaar ministerie verweten zin, nog daargelaten dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat de auto niet van hem was.

Uit het dossier komt naar voren dat de Mercedes waarin [slachtoffer A] zat, naar Geuzenveld is gereden. Hoewel het telefoonnummer eindigend op [nummer D], waarvan verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat dat zijn nummer is, rond die tijd een paal heeft aangestraald in die wijk, blijkt noch uit de verklaringen van de medeverdachten, noch uit de verklaring van [slachtoffer A], dat verdachte lijfelijk aanwezig is geweest in Geuzenveld. Verdachte zelf heeft ontkend in Geuzenveld te zijn geweest en heeft verklaard dat hij de paal in die wijk kan hebben aangestraald, omdat deze op de route ligt als hij richting zijn growshop rijdt. Dit leidt tot de slotsom dat niet bewezen kan worden dat verdachte op dat moment wetenschap had of hoefde te hebben van wat er gaande was ten aanzien van [slachtoffer A].

Uit het dossier is niet af te leiden, dat verdachte aanwezig is geweest, althans op de hoogte was van het verblijf van het slachtoffer [slachtoffer A] in de garagebox te Arnhem, laat staan dat verdachte een aandeel heeft gehad in de mishandelingen in die garagebox.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat niet bewezen kan worden dat verdachte wetenschap heeft gehad van het begin van de wederrechtelijke vrijheidsberoving.

6.6b [slachtoffer A] heeft verklaard dat hij na de mishandelingen in Arnhem in de brons/grijze Mercedes is gezet en dat ze naar Amsterdam zijn gereden, waar ze stopten voor een growshop. Volgens [slachtoffer A] heeft verdachte een plastic tas gegeven aan de man met het groene trainingsjack, die naast hem achterin in de auto zat. Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend, dat hij een zak heeft aangegeven en dat hij niet weet of de auto, waarin [slachtoffer A] zat, bij zijn growshop is geweest.

De rechtbank overweegt dat er, naast de verklaring van [slachtoffer A], geen ander bewijsmiddel is, waaruit blijkt dat verdachte een plastic tas zou hebben aangegeven aan een van de inzittenden van de Mercedes. Daarom kan niet bewezen worden dat verdachte op dat moment wist of moest weten van de gijzeling van [slachtoffer A].

6.6c Uit het dossier komt verder naar voren dat [slachtoffer B] en [slachtoffer D] op woensdag 14 maart 2007 naar de growshop zijn gegaan. [slachtoffer B] heeft hierover verklaard dat ze, toen [slachtoffer A] was ontvoerd en ze niets van hem hoorden, naar de growshop zijn gegaan en dat hij tegen de broer van [medeverdachte E] heeft gezegd dat als [slachtoffer A] niet voor 5 uur terug zou zijn, hij naar de politie zou gaan. Noch uit de verklaring van verdachte, noch uit de verklaringen van [slachtoffer D] en [slachtoffer B] valt af te leiden dat [slachtoffer B] met [slachtoffer D] mee naar binnen is gegaan bij de growshop. Niet uitgesloten kan derhalve worden dat [slachtoffer D] in de growshop was en daardoor niet heeft gehoord dat [slachtoffer B] iets tegen verdachte heeft gezegd. Voor zover moet worden aangenomen dat [slachtoffer D] uit de manier waarop verdachte en [slachtoffer B] naar elkaar keken toen hij, [slachtoffer D], de growshop had verlaten, had kunnen afleiden dat er woorden waren gesproken tussen beiden, dan leidt dit niet tot een ander oordeel omdat [slachtoffer D] de inhoud van het gesprek niet hoeft te hebben gehoord. Een en ander leidt tot de conclusie dat niet bewezen kan worden dat verdachte op dit moment wetenschap had of kon hebben van de gijzeling.

6.6d Volgens verklaring van verdachte is hij daarna gebeld door [medeverdachte J] met het verzoek naar het Mercatorplein te komen, waaraan hij heeft voldaan. Uit diverse verklaringen over de bijeenkomst in het café op het Mercatorplein komt naar voren dat verdachte niet bij het gesprek aanwezig is geweest. Hoewel [slachtoffer B] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat de Iraniër (verdachte) wel in het café is geweest, blijkt niet uit zijn verklaring dat verdachte bij het (volledige) gesprek aanwezig is geweest, nu hij, verdachte, volgens [slachtoffer B] later (“in de tussentijd”) is binnengekomen. Verdachte is (telefonisch) verzocht een busje te huren, hetgeen hij heeft gedaan. Derhalve kan evenmin bewezen worden dat verdachte ten tijde van de ontmoeting op het Mercatorplein wetenschap had of kon hebben van de gijzeling.

6.6e Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij in het gehuurde busje heeft gereden, dat er nog een blauwe BMW en de rode Mercedes waren, dat alle drie de auto’s richting Apeldoorn zijn gereden en op een parkeerplaats vóór Apeldoorn langs de snelweg zijn gestopt. [tolk] heeft over het stoppen op de parkeerplaats verklaard, zakelijk weergegeven, dat [slachtoffer B] meerdere keren met iemand belde om te vragen waar de wiet bleef en dat op enig moment werd besloten terug te gaan naar Amsterdam. De oude man (lees: [slachtoffer D]) begon toen te huilen en te smeken dat ze niet weg moesten gaan en dat ze de wiet moesten halen, aldus [tolk]. Hij wilde zijn zoontje terug. Bij de rechter-commissaris heeft [tolk] dit herhaald en verder verklaard dat [slachtoffer D] half in het Nederlands en half in het Turks sprak. Volgens [tolk] was verdachte op de parkeerplaats aanwezig was en stond verdachte samen met [slachtoffer D] bij een rood busje. [tolk] heeft ook verklaard dat die anderen wisten van de ontvoering omdat die hem hadden gevraagd om te komen bemiddelen. [slachtoffer D] heeft verklaard dat hij verdachte heeft herkend op foto 1 van fotomap 2 en dat verdachte in de blauwe BMW van [slachtoffer B] zat. Op een parkeerplaats bij de Gamma zouden de spullen (lees: wiet) gebracht worden. Toen hij, [slachtoffer D], daar aankwam zag hij daar de BMW van [slachtoffer B] staan en de Mercedes, waarmee hij naar Apeldoorn was gekomen. Op die parkeerplaats is volgens [slachtoffer D] ruzie ontstaan tussen [slachtoffer B] en de andere jongens. [slachtoffer B] heeft voorts ook over de aanwezigheid van verdachte verklaard en over het feit dat [slachtoffer D] smeekte de wiet te komen brengen en dat ze zijn zoon hadden.

De rechtbank is van oordeel dat uit de verschillende verklaringen blijkt dat op de parkeerplaats vóór de Mc Donalds is gesproken over het terugbrengen van de wiet en het vasthouden van [slachtoffer A] en dat ieder van de aanwezigen daarbij een rol heeft gehad. In het licht van de verklaringen van [slachtoffer D], [slachtoffer B] en [tolk] gaat de rechtbank voorbij aan de verklaring van verdachte dat hij op die parkeerplaats de auto niet uit is geweest en (dus) niets heeft gehoord van de tussen de mannen gevoerde gesprekken. De rechtbank acht evenmin aannemelijk dat verdachte pas bij de volgende stop (de Mc Donalds) is overgestapt in de BMW, omdat uit de verklaring van [slachtoffer D], [slachtoffer B] en [Tolk] blijkt dat de groep mannen zich op eerstgenoemde parkeerplaats gesplitst heeft in die zin dat [slachtoffer D] en [Tolk] naar het hotel zijn gereden en de anderen vervolgens naar de Mc Donalds, alsmede dat beide groepen vervolgens op een parkeerterrein bij de Kwantum elkaar weer zijn tegengekomen.

6.6 Hoewel verdachte vanaf woensdagmiddag 14 maart 2007 geacht kan worden wetenschap te hebben gehad van de gijzeling van [slachtoffer A], heeft hij zich daarvan naar het oordeel van de rechtbank niet gedistantieerd. Integendeel, door verdachte zijn vervolgens (uitvoerings)handelingen verricht, waaruit blijkt van een voldoende bewuste en nauwe samenwerking op (het voortduren van) de gijzeling van [slachtoffer A]. Zo heeft verdachte, volgens de verklaringen van [slachtoffer B], [medeverdachte A] en [getuige], [slachtoffer B], die zich in moest spannen om de wiet terug te halen, tegengehouden toen deze uit de BMW wilde ontsnappen.

Uit de verklaringen van [slachtoffer D] en [tolk] komt naar voren dat verdachte diezelfde avond bij het overladen van de wiet aanwezig is geweest. Ook de historische printgegevens geven aan dat de [telefoonnummer D] van verdachte die avond rond de tijd dat de wiet moet zijn overgeladen, in de buurt van Sloterdijk is gepeild. Verdachtes verweer, dat [tolk] bij de rechter-commissaris heel stellig zou hebben verklaard dat verdachte niet aanwezig was bij het overladen van de wiet, volgt de rechtbank niet, nu [tolk], geconfronteerd met zijn verklaring bij de politie, vervolgens is gebleven bij de verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd en daaraan heeft toegevoegd dat hij zich de aanwezigheid van verdachte niet meer kan herinneren. De rechtbank houdt [tolk] aan zijn bij de politie ter zake afgelegde verklaring.

Op donderdag 15 maart 2007 heeft verdachte telefonische contacten gehad met zijn broer [medeverdachte E], met [medeverdachte C] en [medeverdachte J]. Vastgesteld kan worden dat hij in de buurt was toen het losgeld moest worden overgedragen. Naar het oordeel van de rechtbank was verdachte op de hoogte van wat er op dat moment gebeurde, zeker ook gezien de hiervoor beschreven gebeurtenissen nabij en in Apeldoorn op woensdag 14 maart 2007, waarbij verdachte betrokken was en zijn toen ontstane wetenschap met betrekking tot de gijzeling van [slachtoffer A] daarbij in ogenschouw nemend. De rechtbank acht in dit verband verder van belang de sms’jes die verdachte van zijn broer kreeg betreffende het zorgen voor papieren, een zaklamp, slaapzak en kleding. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zijn broer de gevraagde spullen heeft gegeven. De rechtbank acht verdachtes verklaring dat hij niet aan zijn broer heeft gevraagd waarom hij deze spullen nodig had, niet aannemelijk of verschoonbaar. Verder acht de rechtbank van belang het sms’je van zijn broer dat hij, verdachte, alle inkomende en uitgaande sms’jes moest wissen. Niet valt in te zien waarom verdachte dit zonder reden zou moeten doen. Voorts acht de rechtbank van belang dat verdachte om 16 maart 2007 om 01.51 uur, rond de tijd derhalve dat de inzittenden van de Renault Laguna zijn aangehouden, heeft gebeld met de [telefoonnummer B], die in gebruik was bij zijn broer. Verdachte heeft zijn broer gewaarschuwd niet in de buurt te komen van de plaats waar zij waren. Er was actie, scotoo. Dat de [telefoonnummer B] in gebruik was bij de broer van verdachte leidt de rechtbank af uit het feit dat verdachte ter zitting heeft verklaard dat zijn broer hem had gevraagd te zorgen voor een slaapzak, reispapieren en kleding en gelet op het sms-je van deze strekking dat de [telefoonnummer B] heeft verstuurd aan de [telefoonnummer D] van verdachte.

Alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemend en alle bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen.

Voor zover door verdachte is gewezen op de schriftelijke verklaringen van [medeverdachte E] die hem, verdachte, zouden ontlasten, overweegt de rechtbank dat zij deze niet bij de beoordeling betrekt, nu op geen enkele wijze verifieerbaar is of die stukken daadwerkelijk afkomstig zijn van zijn broer [medeverdachte E] en [medeverdachte E], wiens huidige verblijfplaats onbekend is, hierover niet is gehoord.

7. Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in de periode van 12 maart 2007 tot en met 16 maart 2007 in de gemeente Amsterdam en/of in de gemeente Apeldoorn en/of in de gemeente Utrecht en/of in de gemeente Arnhem en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer A], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd gehouden, met het oogmerk anderen, te weten [slachtoffer C] en [slachtoffer D] en [slachtoffer B], te dwingen iets te doen,

immers heeft/hebben (een van) zijn mededaders, die [slachtoffer A]:

- meegenomen in een auto en vastgehouden in een auto en in een auto vervoerd naar

een garagebox te Arnhem en

- in een garagebox vastgebonden en vastgehouden en een draad om de nek/hals gelegd

en

- vastgebonden en tegen zijn wil in een auto en/of een bestelbus gebracht en

vervolgens belet dat die [slachtoffer A] die auto en/of dat busje kon verlaten en

- aldus voor die [slachtoffer A] een bedreigende situatie doen ontstaan waaraan die

[slachtoffer A] zich niet kon onttrekken,

teneinde voornoemde anderen te dwingen een hoeveelheid hennep en/of een hoeveelheid (los)geld aan hem, verdachte en/of zijn mededaders, af te staan.

8. Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten las¬te gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

9. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

Medeplegen van gijzeling.

10. Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

11. Oplegging van straf en/of maatregel

11.1 De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Ten aanzien van de vordering die door de benadeelde partij is ingediend, acht zij de vergoeding voor immateriële schade, te weten € 500,-, toewijsbaar en de vergoeding voor kosten van rechtsbijstand, te weten € 2.750,-, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

11.2 De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit en verder betoogd dat de vordering van de benadeelde partij om die reden dient te worden afgewezen. Subsidiair heeft hij verzocht de vordering van de benadeelde partij te matigen, omdat de kosten van rechtsbijstand lager zouden zijn geweest als de benadeelde partij om een toevoeging had verzocht.

11.3 De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het van zijn vrijheid beroofd houden van [slachtoffer A] met het oogmerk om anderen te dwingen wiet terug te geven en een geldbedrag te betalen. Hij heeft hiermee samen met zijn mededaders een grote inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van [slachtoffer A]. Met de ouders en de oom, [slachtoffer B], van [slachtoffer A] zijn vervolgens onderhandelingen gevoerd over de teruggave van wiet en de vrijlating van [slachtoffer A]. Pas na teruggave dan wel betaling van het gevraagde geld zou [slachtoffer A] vrijgelaten worden. Aannemelijk is dat dit hevige schrik en ontsteltenis bij de ouders teweeg heeft gebracht.

De rechtbank ziet verdachte niet als een van de initiatiefnemers van de gijzeling, nu niet bewezen kan worden dat hij wetenschap heeft gehad van de aanvang van de gijzeling en van het op [slachtoffer A] uitgeoefende geweld. Wel heeft hij een meer ondergeschikte rol gehad bij het voortduren van de gijzeling. Hij is op diverse momenten aanwezig geweest en is faciliterend opgetreden ten aanzien van zijn broer en andere mededaders door aanwezig te zijn bij de poging van de familie van [slachtoffer A] om de wiet terug te halen (reis naar Apeldoorn) en door daarbij druk uit te oefenen op [slachtoffer D] en [slachtoffer B], door te helpen bij het overladen van de wiet, door spullen naar [medeverdachte E] te brengen en door de situatie in de gaten te houden. Niet is gebleken dat verdachte heeft getracht zich te distantiëren van de gebeurtenissen.

De aard en de ernst van het gepleegde misdrijf, waarvan verdachte minstgenomen vanaf woensdagmiddag 14 maart 2007 kennis droeg en aan het voortduren waarvan verdachte heeft bijgedragen, en het daardoor veroorzaakte leed neemt de rechtbank bij de straftoemeting dan ook nadrukkelijk in aanmerking. Naar de ervaring leert zullen [slachtoffer A] en zijn familie nog lange tijd psychische gevolgen hiervan (kunnen) ondervinden. Uit de houding van [slachtoffer A] ter terechtzitting en uit hetgeen hij toen en ook eerder bij de rechter-commissaris heeft verklaard, maakt de rechtbank op dat hij bang is voor represailles van de kant van verdachte en/of een of meer van zijn mededaders. Ook uit de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer B] komt naar voren dat hij bang is.

Anderzijds houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte op het gebied van geweldsdelicten geen justitiële documentatie heeft en dat hij tijdens de voorlopige hechtenis enige tijd in beperkingen heeft doorgebracht. Met een eerdere veroordeling voor hennepteelt houdt de rechtbank geen rekening, nu deze veroordeling nog niet onherroepelijk is.

De hiervoor vermelde omstandigheden, in het bijzonder de aard en de ernst van het gepleegde feit, acht de rechtbank onvoldoende tot uitdrukking gebracht in de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf. De rechtbank acht na te melden geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf wèl passend en geboden.

De rechtbank ziet – alles afwegende – geen aanleiding ten voordele van verdachte rekening te houden met de omstandigheid dat hij (eerst) ter zitting enige verklaring heeft afgelegd.

12. Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer B], p/a [naam, adres en plaats], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 10.000,- voor immateriële schade en € 2.750,- voor de kosten van rechtsbijstand, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, nu de vordering geen betrekking heeft op een bewezen verklaard feit en aan de benadeelde partij derhalve geen rechtstreekse schade is toegebracht door een bewezen verklaard feit, zoals bedoeld in artikel 361, tweede lid aanhef en sub b van het Wetboek van Strafvordering.

13. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 47 en 282a van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorge¬bracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer B] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Aldus gewezen door mrs. Van der Mei, voorzitter, De Bie en Van der Hooft, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Althoff, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 mei 2008.

RECHTBANK ZUTPHEN

Meervoudige kamer voor strafzaken