Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD2454

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
27-05-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
06/580263-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar en 6 maanden voor het medeplegen van het van zijn vrijheid beroofd houden van het slachtoffer met het oogmerk om anderen te dwingen wiet terug te geven en een geldbedrag te betalen en het medeplegen van afpersing. (Promis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/580263-07

Uitspraak d.d.: 27 mei 2008

Tegenspraak / dip/oip/oip/oip/oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte L],

geboren te [plaats 1978],

wonende te [adres],

thans verblijvende in het huis van bewaring Ooyerhoekseweg te Zutphen.

1. Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

10 oktober 2007, 18 december 2007, 13 en 20 maart 2008, 21 april 2008 en 13 mei 2008.

2. Ter terechtzitting gegeven beslissingen

Ter terechtzitting van 10 oktober 2007 heeft de rechtbank het verzoek van de raadsman tot het horen van getuigen, als vermeld in het proces-verbaal van de zitting door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, toegewezen.

Op de terechtzittingen van 10 oktober 2007 en 18 december 2007 heeft de rechtbank de verzoeken van de raadsman tot opheffing dan wel schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis afgewezen.

Op de terechtzitting van 21 april 2008 heeft de rechtbank het verzoek van de raadsman tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis afgewezen.

3. De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 13 maart 2008 ex artikel 314a van het Wetboek van Strafrecht is aangepast, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 12 maart 2007 tot en met 16 maart 2007 in

de gemeente Amsterdam en/of in de gemeente Apeldoorn en/of in de gemeente

Utrecht en/of in de gemeente Arnhem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer A], wederrechtelijk van de

vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,

met het oogmerk (een) ander(en), te weten [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] en/of [slachtoffer B], althans een persoon, te dwingen iets te doen of niet te doen,

immers heeft hij, verdachte en/of een van zijn mededaders, die [slachtoffer A]:

- vastgepakt en/of meegenomen in een auto en/of vastgehouden in een auto en/of

in een auto vervoerd naar een garage(box) te Arnhem en/of

- in een garage(box) vastgebonden en/of vastgehouden en/of een draad om de

nek/hals gelegd en/of

- laten plaatsnemen in een auto en/of een busje en/of vastgehouden in een auto

en/of een busje en/of belet dat die [slachtoffer A] die auto en/of dat busje

kon verlaten en/of

- (aldus) voor die [slachtoffer A] een bedreigende situatie doen ontstaan

waaraan die [slachtoffer A] zich niet kon onttrekken,

teneinde voornoemde anderen te dwingen een hoeveelheid hennep en/of

een hoeveelheid (los)geld aan hem, verdachte en/of zijn mededaders, af te

staan;

art 282a lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

[medeverdachte C] en/of [medeverdachte D] en/of [medeverdachte E] en/of [medeverdachte F] en/of [medeverdachte G] en/of [medeverdachte H] en/of [medeverdachte I] en/of [medeverdachte J] en/of één of meer anderen in of omstreeks de periode van 12 maart 2007

tot en met 16 maart 2007 in de gemeente Amsterdam en/of in de gemeente

Apeldoorn en/of in de gemeente Utrecht en/of in de gemeente Arnhem en/of

(elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen,

opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer A], wederrechtelijk van de

vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,

met het oogmerk (een) ander(en), te weten [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] en/of [slachtoffer B], althans een persoon, te dwingen iets te doen of niet te doen,

immers hebben/heeft die [medeverdachte C] en/of [medeverdachte D] en/of [medeverdachte E] en/of [medeverdachte F] en/of [medeverdachte G] en/of [medeverdachte H] en/of [medeverdachte I] en/of [medeverdachte J] en/of één of meer anderen die [slachtoffer A]:

- vastgepakt en/of meegenomen in een auto en/of vastgehouden in een auto en/of

in een auto vervoerd naar een garage(box) te Arnhem en/of

- in een garage(box) vastgebonden en/of vastgehouden en/of een draad om de

nek/hals gelegd en/of

- laten plaatsnemen in een auto en/of een busje en/of vastgehouden in een auto

en/of een busje en/of belet dat die [slachtoffer A] die auto en/of dat busje

kon verlaten en/of

- (aldus) voor die [slachtoffer A] een bedreigende situatie doen ontstaan

waaraan die [slachtoffer A] zich niet kon onttrekken,

teneinde voornoemde personen te dwingen, een hoeveelheid hennep en/of

(los)geld aan hem, verdachte en/of een van zijn mededaders af te staan;

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de

periode van 12 maart 2007 tot en met 16 maart 2007 in de gemeente Amsterdam

en/of de gemeente Apeldoorn en/of de gemeente Arnhem en/of (elders) in

Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans aleen,

opzettelijk, gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

opzettelijk behulpzaam is geweest door:

- op of omstreeks 14 maart 2007 die [slachtoffer B] te vervoeren in een auto en/of

die [slachtoffer B] te dwingen, althans te bewegen tot afgifte van een hoeveelheid

hennep en/of een hoeveelheid (los)geld en/of (vervolgens) die [slachtoffer B] te

beletten die auto uit te gaan en/of

- in of omstreeks de periode van 12 maart 2007 tot en met 16 maart 2007

als tussenpersoon contacten te leggen tussen [medeverdachte C], althans een of

meerdere mededaders en/of die [slachtoffer B], althans (telefonisch) contact te

onderhouden met die [medeverdachte C] en/of die [medeverdachte E] en/of

- in of omstreeks de periode van 15 tot en met 16 maart 2007 met zijn auto op

de uitkijk te gaan staan, althans in zijn auto op korte afstand die [medeverdachte C] te volgen en/of bij te staan en

(aldus) die [medeverdachte C] en/of [medeverdachte E] en/of één of meer

mededaders in de gelegenheid te stellen die [slachtoffer D] en/of [slachtoffer C] en/of [slachtoffer B] te bewegen tot afgifte van een hoeveelheid hennep en/of een hoeveelheid

(los)geld;

art 282a lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij in of omstreeks de periode van 12 maart 2007 tot en met 16 maart 2007 in

de gemeente Amsterdam en/of in de gemeente Apeldoorn en/of in de gemeente

Utrecht en/of in de gemeente Arnhem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer A], wederrechtelijk van de

vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,

immers hebben/heeft hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

opzettelijk wederrechtelijk die [slachtoffer A]:

- vastgepakt en/of meegenomen in een auto en/of vastgehouden in een auto en/of

in een auto vervoerd naar een garage(box) te Arnhem en/of

- in een garage(box) vastgebonden en/of vastgehouden en/of een draad om de

nek/hals heeft gelegd en/of

- laten plaatsnemen in een auto en/of een busje en/of vastgehouden in een auto

en/of een busje en/of belet dat die [slachtoffer A] die auto en/of dat busje

kon verlaten en/of

- (aldus) voor die [slachtoffer A] een bedreigende situatie doen ontstaan

waaraan die [slachtoffer A] zich niet kon onttrekken

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

[medeverdachte C] en/of [medeverdachte D] en/of [medeverdachte E] en/of [medeverdachte F] en/of [medeverdachte G] en/of [medeverdachte H] en/of [medeverdachte I] en/of [medeverdachte J] en/of één of meer anderen in of omstreeks de periode van 12 maart 2007

tot en met 16 maart 2007 in de gemeente Amsterdam en/of in de gemeente

Apeldoorn en/of in de gemeente Utrecht en/of in de gemeente Arnhem en/of

(elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen,

opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer A], wederrechtelijk van de

vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,

immers hebben/heeft [medeverdachte C] en/of [medeverdachte D] en/of [medeverdachte E] en/of [medeverdachte F] en/of [medeverdachte G] en/of [medeverdachte H] en/of [medeverdachte I] en/of [medeverdachte J] en/of één of meer anderen opzettelijk

wederrechtelijk die [slachtoffer A]:

- vastgepakt en/of meegenomen in een auto en/of vastgehouden in een auto en/of

in een auto vervoerd naar een garage(box) te Arnhem en/of

- in een garage(box) vastgebonden en/of vastgehouden en/of een draad om de

nek/hals heeft gelegd en/of

- laten plaatsnemen in een auto en/of een busje en/of vastgehouden in een auto

en/of een busje en/of belet dat die [slachtoffer A] die auto en/of dat busje

kon verlaten en/of

- (aldus) voor die [slachtoffer A] een bedreigende situatie doen ontstaan

waaraan die [slachtoffer A] zich niet kon onttrekken,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de

periode van 12 maart 2007 tot en met 16 maart 2007 in de gemeente Amsterdam

en/of de gemeente Apeldoorn en/of de gemeente Arnhem en/of (elders) in

Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans aleen,

opzettelijk, gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

opzettelijk behulpzaam is geweest door:

- op of omstreeks 14 maart 2007 die [slachtoffer B] te vervoeren in een auto en/of

die [slachtoffer B] te dwingen, althans te bewegen tot afgifte van een hoeveelheid

hennep en/of een hoeveelheid (los)geld en/of (vervolgens) die [slachtoffer B] te

beletten die auto uit te gaan en/of

- in of omstreeks de periode van 12 maart 2007 tot en met 16 maart 2007

als tussenpersoon contacten te leggen tussen [medeverdachte C] en/of [medeverdachte E] en/of andere mededaders en die [slachtoffer B], althans

(telefonisch) contact te onderhouden met die [medeverdachte C] en/of die

[medeverdachte E] en/of

- in of omstreeks de periode van 15 tot en met 16 maart 2007 met zijn auto op

de uitkijk te gaan staan, althans in zijn auto op korte afstand die [medeverdachte C] te volgen en/of bij te staan;

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 14 maart 2007 in de gemeente Amsterdam tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld M. [slachtoffer B] heeft gedwongen tot de afgifte

van een hoeveelheid hennep, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan een ander, in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s),

immers heeft hij, verdachte, en/of een van zijn mededaders, die [slachtoffer B] gezegd

dat hij moest regelen dat de hennep terug werd gegeven,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of één of meer van zijn mededaders die [slachtoffer B] heeft/hebben:

- opgehaald en/of vervoerd in een auto en/of

- belet dat die [slachtoffer B] de auto kon verlaten en/of

- geslagen en/of gestompt tegen het hoofd en/of (elders) op het lichaam;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 14 maart 2007 in de gemeente Amsterdam en/of de gemeente

Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met en ander

of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of dat van een of meer van zijn

mededaders, voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer B]

te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid hennep, in elk geval van enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan een ander, in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte,

immers heeft hij, verdachte, en/of een van zijn mededaders, die [slachtoffer B] gezegd

dat hij moest regelen dat de hennep terug werd gegeven,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of één of meer van zijn mededaders die [slachtoffer B] heeft/hebben:

- opgehaald en/of vervoerd in een auto en/of

- belet dat die [slachtoffer B] de auto kon verlaten en/of

- geslagen en/of gestompt tegen het hoofd en/of (elders) op het lichaam;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 14 maart 2007 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer B], door geweld of enige andere

feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid

gericht tegen [slachtoffer B] en/of [slachtoffer A] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te

doen, niet te doen of te dulden, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of

meer van) zijn mededader(s) die [slachtoffer B] gezegd dat hij weggenomen hennep moest

teruggeven en/of (vervolgens) die [slachtoffer B] opgehaald en/of vervoerd in een auto

en/of belet dat die [slachtoffer B] de auto kon verlaten en/of die [slachtoffer B] geslagen en/of

gestompt tegen het hoofd en/of (elders) op het lichaam;

art 284 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4. Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. Vaststaande feiten

De rechtbank stelt de volgende feiten vast.

[slachtoffer A], zijn oom [slachtoffer B] en een derde niet nader genoemd persoon zijn in de nacht van maandag 12 op dinsdag 13 maart 2007 naar een garagebox in Arnhem gereden. De hennepkwekerij die in de garagebox was aangelegd, is vervolgens leeggehaald. Diezelfde nacht is de diefstal van de hennep ontdekt. Op dinsdagmorgen 13 maart 2007 is [slachtoffer A], die de nacht bij zijn oom had doorgebracht, op het telefoontoestel van [slachtoffer B], gebeld door zijn vader met het verzoek naar de van hem geweest zijnde bakkerij aan de Postjesweg/Hoofdweg in Amsterdam te komen. Hij is daar samen met [slachtoffer B] naar toe gegaan. Daar trof hij zijn vader en twee mannen aan. [slachtoffer A] is met de twee mannen meegegaan in een brons/grijze Mercedes. In de daaropvolgende periode is [slachtoffer A] mishandeld en zijn met zijn ouders losgeldgesprekken gevoerd. Op vrijdagmiddag 16 maart 2007 is hij in Utrecht aangetroffen. De verbalisanten die ter plaatse kwamen, zagen dat hij diverse verwondingen en bloeduitstortingen over zijn hele lichaam had.

6. De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan

6.1 Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde. Een afschrift van het schriftelijke requisitoir is aan het proces-verbaal van de zitting van 13 maart 2008 gehecht.

6.2 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit overeenkomstig de pleitnota’s die aan het proces-verbaal van respectievelijk 13 maart 2008 en 21 april 2008 zijn gehecht. De raadsman heeft geconcludeerd tot integrale vrijspraak.

6.3 Bewijsmiddelen feit 1

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de navolgende overwegingen ten aanzien van het bewijs, verwijzen onder meer naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal en de daarbij behorende bijlagen, dossiernummer PL0620/07-204566, gesloten en ondertekend op 27 augustus 2007 door [verbalisant] en [verbalisant].

De bewijsmiddelen zijn te vinden in de volgende stukken:

a. de aan het dossier toegevoegde processen-verbaal van de zittingen van 13 en 17

maart 2008 van medeverdachte [medeverdachte D] en zijn verklaring

op 20 maart 2008 als getuige in de zaak van verdachte;

b. processen-verbaal van de verhoren 1 t/m 20 van het slachtoffer, [slachtoffer A] (p. 1558

t/m1658);

c. fotomap 1 en proces-verbaal, ambtelijk verslag (p. 1946 t/m 1960);

d. processen-verbaal van de verhoren 1 t/m 5 van [slachtoffer D] (p. 2371 t/m 2405);

e. processen-verbaal van de verhoren 1 t/m 9 van [slachtoffer B] (p. 2406 t/m 2444) en de

verklaring van [slachtoffer B] bij de rechter-commissaris;

f. fotomap 2 en proces-verbaal, ambtelijk verslag (p. 2391 t/m 2397);

g. processen-verbaal van de verhoren 1 t/m 15 van [medeverdachte G] (p. 299 t/m 366);

h. proces-verbaal van het 2de verhoor van [slachtoffer C] ([slachtoffer B]) (p. 2366 t/m 2368);

i. processen-verbaal van de verhoren 1 t/m 7 van [naam] (p. 2847 t/m 2864);

j. processen-verbaal van de verhoren 1 t/m 9 van [medeverdachte A] (p. 97 t/m 164);

k. proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] (p. 1188 t/m 1190);

l. proces-verbaal technisch onderzoek met betrekking tot de verwondingen van het

slachtoffer, [slachtoffer A] (p. 4020 t/m 4051);

m. proces-verbaal aanvraag aanvullende doorzoeking (p. 1874 en 1875);

n. proces-verbaal sporenonderzoek (p. 4090 t/m 4096);

o. deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut (p. 4267 t/m 4277);

p. historische printgegevens (p. 1230 t/m 1236 en 4625 t/m 4642);

q. proces-verbaal van bevindingen (p 1228 en 1229);

r. tapgesprekken (diverse pagina’s).

6.4 Uit deze bewijsmiddelen worden de volgende redengevende feiten en omstandigheden afgeleid.

6.4a [medeverdachte D] (verder te noemen: [medeverdachte D]) heeft ter terechtzitting van 13 en 17 maart 2008 verklaringen afgelegd, die hij als getuige in de zaak van verdachte heeft bevestigd. Zakelijk weergegeven heeft [medeverdachte D] verklaard dat op woensdag 14 maart 2007 een oude man naar zijn zaak kwam, die [medeverdachte E] wilde spreken. [medeverdachte E] was er echter niet, waarna hij, de oude man, een telefoonnummer achterliet met het verzoek dat aan [medeverdachte E] af te geven. Die oude man was [slachtoffer D], de vader van [slachtoffer A]. Hij, [medeverdachte D], heeft het telefoonnummer gegeven aan [medeverdachte J]. Later belde [medeverdachte J] hem op en vroeg of hij naar het Mercatorplein kon komen. Hij is met een rode Mercedes daarheen gegaan en zag daar [medeverdachte J] en [verdachte L] (verdachte). Hij zag ook [slachtoffer D] en [slachtoffer B] en nog een Turkse man genaamd [naam]. Ze, [slachtoffer D], [slachtoffer B] en [naam], gingen een café in. Hij heeft een rode bus gehuurd op verzoek van [medeverdachte J] en deze bus bestuurd. De rode bus, een blauwe BMW, waarin [verdachte L] (verdachte) achterin zat, en de rode Mercedes zijn de snelweg opgereden in de richting van Apeldoorn. Op een parkeerplaats langs de snelweg zijn alle drie de auto’s gestopt. Personen die in de auto’s zaten, zijn uitgestapt en hebben met elkaar gesproken, maar hij, [medeverdachte D], is niet uitgestapt. Ze zijn vervolgens verder gereden naar de Mc Donalds in Apeldoorn. Bij de Mc Donalds is hij in de BMW achter het stuur gaan zitten. [slachtoffer B] zat voorin naast hem en [verdachte L] (verdachte) zat achterin. Toen hij het parkeerterrein verliet, heeft hij de rode bus en de rode Mercedes niet meer gezien. Onderweg kreeg hij telefoon van [medeverdachte J], die zei dat ze terug naar Amsterdam gingen. [slachtoffer B] werd hysterisch toen hij het woord Amsterdam hoorde. Hij wilde midden op de weg uitstappen en begon aan het stuur te trekken, waarna hij, [medeverdachte D], in de berm is gestopt.

[medeverdachte D] heeft verder verklaard dat hij en [verdachte L] (verdachte) die woensdag vervolgens rond 19.00 à 20.00 uur zijn teruggegaan naar Amsterdam.

Op donderdag kreeg hij sms-jes van zijn broer [medeverdachte E] met een onbekend telefoonnummer. Hij heeft [medeverdachte E] die dag rond 18.00 à 19.00 uur gezien. Hij heeft hem ook in Amsterdam Osdorp gezien. Hij moest van [medeverdachte E] in de buurt blijven. Hij reed in een Volkswagen Fox en hij zag dat [verdachte L] (verdachte) iets verderop voor hem stond geparkeerd in een Peugeot. [verdachte L] (verdachte) vroeg hem achter hem aan te rijden. Ze hebben toen een klein stukje gereden naar de plaats waar later de aanhouding heeft plaatsgevonden.

6.4b Het slachtoffer, [slachtoffer A], heeft verklaard - zakelijk weergegeven - dat hij op 13

maart 2007 met zijn oom [slachtoffer B] naar de bakkerij aan de [adres] te Amsterdam is gegaan, waar hij zijn vader zag staan en twee jonge mannen, die hij herkende als [medeverdachte E] en [medeverdachte C] (p.1560). Hij is bij [medeverdachte E] in de auto, een Mercedes Benz, gestapt, waarin ook [medeverdachte C] zat (p.1561). Ze zijn naar Geuzenveld gereden, waar de auto werd geparkeerd en hij is uitgestapt. Na 10 minuten zei [medeverdachte E] dat hij moest instappen (p.1614). Ze zijn vervolgens via de A2 richting Arnhem gereden. Bij een benzinestation langs de A2 heeft [medeverdachte C] zijn telefoon afgepakt. [slachtoffer A] heeft verklaard dat hij toen het idee kreeg dat hij werd ontvoerd en dat hij bang werd (p.1661). Ze zijn verder gereden naar Arnhem en in de buurt van het Gelredome een garagegebouw binnengegaan (p.1563), waar hij is mishandeld. [medeverdachte E] heeft daarbij ondermeer een wit elektriciteitssnoer om zijn hals gedraaid (p.1605). Na de mishandeling in Arnhem hebben [medeverdachte E] en [medeverdachte C] hem naar buiten begeleid, hem in de brons/grijze Mercedes gezet en zijn ze gaan rijden. Op een drukke kruising bij Zandvoort/Haarlem heeft hij geprobeerd weg te rennen (p.1592). [slachtoffer A] heeft hierover in een ander verhoor verklaard dat hij bang was dat ze hem opnieuw zouden gaan mishandelen. Op een gegeven moment heeft hij het linkerachterportier geopend en geprobeerd uit de auto te springen. Hij werd door de jongen in het groene trainingsjack echter weer de auto ingetrokken. De jongen werd daarbij geholpen door [medeverdachte C] (p.1620). Dit was in de buurt van Bloemendaal/Aerdenhout/Zandvoort (p.1621). Toen het donker werd zag hij dat er een Hyundai bus achter hen reed. De jongen in het groene trainingsjack pakte zijn handen vast en [medeverdachte C] draaide vervolgens met grijs duck-tape zijn handen aan elkaar vast en vervolgens ook zijn voeten (p.1622). Hij is daarna overgeladen in de Hyundai. [medeverdachte E] en [medeverdachte C] zaten ook in die Hyundai (p.1623). In de bus is zijn hoofd beplakt met duck-tape, zodanig dat alleen zijn neus vrij werd gehouden (p.1624).

[slachtoffer A] heeft verder verklaard dat hij op foto 3 van fotomap 1 heeft herkend als [medeverdachte C] en dat deze persoon betrokken is geweest bij de wederrechtelijke vrijheidsbeneming en de mishandelingen (p.1611).

6.4c Verbalisant [verbalisant] heeft verklaard dat de persoon op foto 3 van fotomap 1 [medeverdachte C] is (p.1959).

6.4d Getuige [slachtoffer D], vader van [slachtoffer A], heeft verklaard - zakelijk weergegeven - dat hij omstreeks 9.00 uur naar de bakkerij is gegaan en daar twee jongens zag (p.2372). Ze vroegen naar [slachtoffer A] en zeiden dat [slachtoffer A] spullen van hen gestolen had. Hij heeft [slachtoffer B] gebeld en na enige tijd kwamen [slachtoffer B] eraan. Hij heeft gezien dat [slachtoffer A] bij die jongens in de auto is gaan zitten en dat de auto wegreed (p.2373).

[slachtoffer D] heeft verder verklaard dat [slachtoffer B] werd gebeld door iemand die hem wilde spreken (p.2388). Afgesproken werd in een café aan het Mercatorplein in Amsterdam (p.2389). Ze hebben, via tussenkomst van een Turkse man die tolkte, gesproken met twee Marokkaanse jongens, die zeiden dat [slachtoffer A] goederen had gestolen. Nadat ze het café hadden verlaten, is [slachtoffer B] met 2 of 3 jongens in zijn BMW gestapt. Hij, [slachtoffer D], is in de Mercedes gestapt en hij zag nog een rode bus. In de buurt van Apeldoorn zijn ze naar een parkeerplaats gegaan (p.2400). De mannen spraken met elkaar en er is veel getelefoneerd. Hij, [slachtoffer D], is toen overgestapt in het rode busje. De Turkse man van de garage is ook ingestapt en ze zijn weggereden. De andere auto’s zijn niet meegegaan. Ze zijn naar een hotel gereden, uitgestapt en naar binnen gegaan. Bij het hotel waren meerdere Turkse mannen. Hij, [slachtoffer D], heeft hen gezegd dat de ‘spullen’ terug moesten omdat zijn zoon anders niet meer terug zou komen. Ze zijn vervolgens naar de Gamma, op een industrieterrein vlak bij een benzinestation, gegaan. Toen ze daar aankwamen, zagen ze de BMW van [slachtoffer B] staan en de Mercedes waarmee hij, [slachtoffer D], naar Apeldoorn is gereden. Ze hebben daar gewacht. Er is ruzie ontstaan tussen [slachtoffer B] en de andere jongens (p.2401). De anderen zeiden op een gegeven moment dat ze terug naar Amsterdam zouden gaan. Hij, [slachtoffer D], is met de Turkse man in de rode bus teruggereden. In Amsterdam zijn ze naar de KFC gegaan en hebben gewacht op de ‘spullen’. [naam] kwam met een andere vrouw in een personenauto en vertelde dat de auto in Osdorp zou staan. In Osdorp zagen ze een witte kleine vrachtwagen staan (p.2402). Hij, [slachtoffer D], is in de witte vrachtwagen gestapt en achter de rode bus aan gereden. Ze zijn gestopt bij een fabriek bij Sloterdijk, waar de dozen zijn overgeladen. Hij, [slachtoffer D], had van de Turkse man van de garage gehoord dat als alles geteld was, [slachtoffer A] zou worden vrijgelaten (p. 2403). Om 2 of 3 uur ’s nachts is hij gebeld door een Marokkaanse man, die hij heeft herkend op foto 3 van fotomap 1. Aan zijn stem herkende hij de man als degene die [slachtoffer A] op dinsdag 13 maart 2007 vanaf de bakkerij heeft meegenomen. De man zei dat de helft van de goederen niet aanwezig was, eiste nog

€ 30.000,- en gaf hem, [slachtoffer D], tot die avond 18.00 uur de tijd om het geld bij elkaar te krijgen.

6.4e [slachtoffer B] heeft verklaard dat op hij omstreeks 9:30 à 10:00 uur met zijn neef [slachtoffer A] naar de bakkerij is gegaan (p.2407). Daar zagen ze de Marokkaanse en de Iraanse man (p.2431). [slachtoffer A] moest met hun mee. [slachtoffer B] heeft op foto 3 van fotomap 1 de Marokkaan herkend die bij [medeverdachte E] was toen hij [slachtoffer A] bij de bakkerij bracht (p.2430). Van [slachtoffer A] heeft hij gehoord dat deze Marokkaan [medeverdachte C] heet (p.2429). Op dinsdag 13 maart 2007 vertelden de Iraanse en de Marokkaanse man aan hem en aan zijn zwager, [slachtoffer D], dat ze 2000 wietplantjes of 100 kilo wiet of € 300.000 wilden hebben (p.2407). Op dinsdag 13 en woensdag 14 maart 2007 is hij drie keer gebeld en is tegen hem gezegd dat hij tot woensdag 14 maart 2007 om 14.00 uur de tijd had om voor het geld of de wiet te zorgen (p.2408). Op woensdag 14 maart 2007 is hij eerst gebeld door een Marokkaanse man en korte tijd later door een Turkse man, genaamd [naam] en eigenaar van garage [naam garage] (p.2443). [naam] vroeg hem naar het Mercatorplein te komen. Hij is met [slachtoffer D] naar een café op het Mercatorplein gegaan. [naam] zei dat hij wilde bemiddelen als tolk. Ze moesten de wiet teruggeven en dan zou hij met 1½ uur [slachtoffer A] terugbrengen. Hij heeft de Turkse vriend van [slachtoffer A] gebeld, die zei dat de wiet in Apeldoorn was. Ze zijn vervolgens naar Apeldoorn gereden.

[slachtoffer B] heeft op 29 februari 2008 tegenover de rechter-commissaris verklaard dat ze na 70 à 80 kilometer op een parkeerplaats zijn gestopt. De huurauto kwam daar ook. Met [slachtoffer D] en hem erbij, waren ze met 6 tot 8 mensen. Er werd daar gesproken. Ze zijn in de auto gestapt, de Turk ([naam]) ging bij [slachtoffer D] in de auto. Naast hem, [slachtoffer B], ging een Marokkaan zitten. Vlak voor Apeldoorn zijn ze weer op een parkeerplaats gaan staan. [slachtoffer D] zei dat hij de wiet wilde gaan halen en hij wilde dat er iemand meeging. Hij, [slachtoffer B], mocht niet mee van de Iraniër. De Turk ([naam]) is met [slachtoffer D] meegegaan. De Iraniër ([medeverdachte D]), drie Marokkanen en hij, [slachtoffer B], zijn als eerste van de parkeerplaats vertrokken. De rode Mercedes volgde hen.

Tegenover de politie heeft [slachtoffer B] verder verklaard dat op een parkeerplaats bij Kwantum de rode vrachtwagen en de rode Mercedes stonden (p.2444). Daar zag hij [slachtoffer D] en [naam] weer. Hij heeft de telefoon van [naam] gepakt en heeft gebeld naar de Turkse vriend van [slachtoffer A]. Hij hoorde dat [slachtoffer D] tegen die vriend zei dat ze zijn zoon hadden en hij hoorde dat [slachtoffer D] die vriend smeekte om met de wiet te komen. Hij, [slachtoffer B], moest in de auto gaan zitten en ze zijn weggereden. De broer van [medeverdachte E] bestuurde de auto, een dikke Nederlander zat naast hem. Links naast hem, [slachtoffer B], zat [medeverdachte J] en rechts van hem, [slachtoffer B], de persoon die hij heeft herkend op foto 4 van fotomap 2 (p.2435). Bij stoplichten heeft hij de deur van de auto geopend en geprobeerd te vluchten (p.2410). Hij werd door de broer van [medeverdachte E] (p.2435), en twee andere personen vastgehouden. Er ontstond een worsteling, waarbij hij klappen tegen zijn hoofd heeft gehad om hem weer in de auto te krijgen (p.2411).

6.4f Verbalisant [verbalisant] heeft verklaard dat de persoon op foto 4 van fotomap 2 [verdachte L], geboren te [plaats 1978] is (p.2392).

6.4g [medeverdachte G] heeft verklaard dat hij twee telefoonnummers heeft van [verdachte L] (verdachte). Het telefoonnummer 06-[nummer] is zeker van [verdachte L] (verdachte) en het nummer 06-[nummer] mogelijk ook (p.343). Hij heeft op foto 4 van fotomap 2 [verdachte L] (verdachte) herkend (p.361). Ook heeft hij ten aanzien van een gesprek tussen de telefoonnummers 06-[nummer] en 06-[nummer], dat heeft plaatsgevonden op 15 maart 2007 om 17.17 uur, aangegeven dat de ene stem van [medeverdachte [medeverdachte C] is en de andere stem volgens hem de stem van [verdachte L] (verdachte) (p.365).

6.4h [slachtoffer C] ([slachtoffer B]), moeder van [slachtoffer A], heeft verklaard dat zij een dag nadat [slachtoffer B] was vrijgelaten, werd gebeld en dat ze € 300.000,- wilden hebben. Ze heeft gezegd dat ze niet wist hoe ze aan dat geld moest komen. Het bedrag werd toen verlaagd naar € 30.000,- en later verhoogd naar € 40.000,-. De man heeft meerdere malen gebeld (p.2367).

6.4i [naam] heeft verklaard dat hij op woensdag 14 maart 2007 heeft getolkt tussen twee Marokkaanse mannen en twee Turkse mannen (p.2861). [medeverdachte J] zei wat hij tegen de Turkse mannen moest zeggen, nl. “jullie hebben iets van ons en wij iets van jullie”. De oude man huilde en vertelde dat het om zijn zoon ging (p.2862). De lange man zei dat de wiet in de buurt van Apeldoorn was. De mannen kwamen overeen dat de wiet teruggegeven zou worden en dat de oude man dan zijn zoon terugkreeg. Een van de Marokkaanse mannen belde om een busje te regelen om de wiet op te halen. In de auto, een donkerblauwe sedan, waarmee ze naar Apeldoorn zijn gegaan, zat ondermeer de lange Turk, van wie hij tijdens de rit hoorde dat hij [slachtoffer B] heette. De oude Turk zou opgepikt worden door iemand met een busje. Vlakbij Apeldoorn stopten ze op een parkeerplaats. [slachtoffer B] was constant aan het bellen. Na ongeveer 15 minuten stopte een rode bus van het merk Volkswagen bij hen. [medeverdachte D] en die oude Turkse man zaten daarin. [slachtoffer B] belde waar de wiet bleef. Na een half uur zei [slachtoffer B] dat hij de wiet alleen moest ophalen. De anderen geloofden hem niet en besloten terug te keren naar Amsterdam. De oude man begon te huilen en smeekte niet weg te gaan. [slachtoffer B] heeft weer gebeld en gezegd dat de oude man de wiet zou ophalen. Hij, [naam], is met die oude Turk meegegaan. Ze zijn met de rode bus naar Apeldoorn gereden, hebben geparkeerd bij een hotel en zijn het hotel binnengegaan. Toen ze de wiet niet kregen, zijn ze met de rode bus naar Amsterdam teruggereden (p.2863). Ze hebben ongeveer twee uur gewacht bij KFC aan de Jan van Gaalenstraat. Toen kwam er een donkerkleurige Volkswagen Golf Type 3 met 2 vrouwen die vertelden dat de wiet in een vrachtwagen in Osdorp was. De vrouwen reden voor hen uit naar Osdorp. Ze werden naar een witte vrachtwagen gebracht die langs de weg op een parkeerplaats stond. De oude Turk liep naar de vrachtwagen, stapte in en reed de vrachtwagen naar een industrieterrein in de buurt van Sloterdijk. Daar is de wiet overgeladen in de rode bus.

6.4j [medeverdachte A] heeft verklaard dat ze op woensdag 14 maart 2007 achter een BMW reden. In de BMW zat een man achter het stuur. Naast hem zat een Turkse man en achterin de auto zat de broer van [medeverdachte B] (p.97/98). Op een kruising zag hij plotseling het rechtervoorportier opengaan. Het leek erop dat de Turkse man uit de auto wilde springen. De BMW begon te slingeren, reed met het rechtervoorwiel de trottoirband op en stopte. De auto, waarin hij, [medeverdachte A], zat is voor de BMW gestopt. Hij zag dat de Turkse man al buiten de wagen stond, dat hij werd vastgehouden door de bestuurder van de BMW en dat de man zich probeerde los te trekken. Hij heeft de man in zijn gezicht geslagen. De bestuurder van de BMW zei tegen hem dat hij de Turkse man terug in de BMW moest gooien (p.139).

[medeverdachte A] heeft verder verklaard dat hij die woensdag om 16.26 uur [verdachte L], de broer van [medeverdachte B] en [naam], heeft gebeld, hem heeft gevraagd wat er aan de hand was en wat hij bij de politie moest verklaren (p.159).

6.4k Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 14 maart 2007 aan het eind van de middag een BMW 3 zag op de Europaweg te Apeldoorn die aan de rechterkant in de berm stond (p.1188). Aan de kant van het bijrijderportier stapte een persoon uit. Hij had het gevoel dat hij bij het uitstappen belemmerd werd. Even later zag hij dat een tweede man de eerste man ter hoogte van het rechterachterportier van de BMW tegenhield/vasthield.

6.4l Verbalisant [verbalisant] heeft verklaard dat hij op de enkels en handen van het slachtoffer [slachtoffer A] lijmresten van waarschijnlijk plakband zag en dat het slachtoffer kennelijk met plakband gebonden is geweest (p.4021).

6.4m Verbalisant [verbalisant] heeft verklaard dat op 3 en 4 april 2007 in het kader van artikel 96c van het Wetboek van Strafvordering een doorzoeking ter inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen heeft plaatsgevonden in garagebox [adres] te Arnhem (achter perceel [nummer]) en dat daarbij ondermeer een wit elektriciteitssnoer met aan de ene zijde gestripte draden en aan de andere zijde een stekker, in beslag is genomen (p.1874).

6.4n De verbalisanten [verbalisant], [verbalisant] en [verbalisant] hebben verklaard dat zij op 3 en 4 april 2007 in een opslagruimte aan de [adres] te Arnhem onder meer de volgende voorwerpen en sporen hebben veiliggesteld (p.4094):

- een wit elektriciteitssnoer met vaste stekker en aan de andere zijde gestripte draden

(svo-1372);

- een wit elektriciteitssnoer met aan beide einden gestripte draden (svo-1373).

6.4o Uit het rapport, opgemaakt door gerechtelijk deskundige Jansen komt naar voren dat op het elektriciteitssnoer (met aan beide einden gestripte draden) DNA is aangetroffen van [slachtoffer A], waarbij de kans dat het DNA van een ander afkomstig zou kunnen zijn, is gesteld op minder dan 1 op 1 miljard (p.4273 en 4276).

6.4p Uit de historische printgegevens komt onder meer naar voren dat de telefoonnummers 06-[nummer], 06-[nummer] en 06-[nummer] op de volgende tijdstippen de genoemde GSM-masten hebben aangestraald (p.1234 en 4634 t/m 4638):

woensdag 14 maart 2007:

- 06-[nummer]: om 14.51 uur de GSM-mast aan de Schweitzerlaan/Molecatenlaan te

Apeldoorn;

- 06-[nummer]: om 15.02 en 15.03 uur de GSM-mast op de locatie Oude

Apeldoornseweg/Het Witte Veen/A1 te Apeldoorn;

- 06-[nummer]: tussen 15.09 en 15.50 uur de GSM-mast op de locatie Kuipersdijk/A1

te Apeldoorn;

- 06-[nummer]: 15.53 uur de GSM-mast op de locatie Paramaribo/Surinameweg/Oude

Apeldoornseweg te Apeldoorn;

- 06-[nummer]: 15.55 uur de GSM-mast op de locaties Oude Apeldoornseweg/het

Witte Veen/A1 te Apeldoorn;

- 06-[nummer]: 15.59 uur de GSM-mast op de Europaweg/Laan van Spitsbergen te

Apeldoorn;

- 06-[nummer]: tussen 16.25 en 19.22 uur de GSM-mast aan de Albert

Schweitzerlaan/Molecatenlaan te Apeldoorn;

- 06-[nummer]: tussen 17.28 en 19.50 uur de GSM-mast op de Albert Schweitzerlaan/

Molecatenlaan te Apeldoorn (met tussentijdse verplaatsingen naar

Hoogbuurloseweg/A1 en Europaweg/A1 te Apeldoorn);

- 06-[nummer]: om 20.08 uur een GSM-mast in Hoevelaken;

- 06-[nummer]: om 20.45 uur Amsterdam;

donderdag 15 maart 2007:

- 06-[nummer]: om 05.17 uur de GSM-mast aan de Kobaltstraat/Mangaanstraat te

Apeldoorn;

- 06-[nummer]: om 05.33 uur de GSM-mast aan de Alverschotenweg/A1 te Hoog

Soeren;

vrijdag 16 maart 2007:

- 06-[nummer]: tussen 01.33 en 01.47 uur de GSM-mast op het Osdorpplein -

M. Hanenbergstraat te Amsterdam;

- 06-[nummer]: tussen 01.31 en 01.49 uur de GSM-mast aan de Ookmeerweg - Geer

Ban te Amsterdam.

6.4q Verbalisant [verbalisant] heeft verklaard dat zij op donderdag 15 maart 2007 omstreeks 05:32 uur een melding kreeg dat een bouwkeet aan de Tinweg te Apeldoorn in brand zou staan (p.1228). Toen zij en haar collega ter plaatse kwamen, zagen ze een brandende auto van het merk BMW met het kenteken [kenteken]. Via de meldkamer heeft zij gehoord dat de auto op woensdag 14 maart 2007 betrokken was bij een incident aan de Europaweg te Apeldoorn.

6.4r Op 15 maart 2007 worden diverse losgeldgesprekken gevoerd met de ouders van [slachtoffer A]. Om 09.51 uur worden ze gebeld. De beller zegt dat [slachtoffer A] bij hem is en dat niet alle spullen terug zijn. [slachtoffer D] biedt aan € 10.000,- te betalen en verhoogt dit tijdens het gesprek tot € 20.000,-, te betalen in juli. De beller eist

€ 30.000,- en wil het bedrag dezelfde dag hebben. De beller zegt dat hij contact met die mensen moet opnemen en dat [slachtoffer D] de spullen moet terugbrengen. Als [slachtoffer D] daarop zegt dat hij geen contact heeft en dat de spullen via [slachtoffer B] waren geregeld, zegt de beller dat hij via [slachtoffer B] de rest van de spullen moet regelen (p.4754 t/m 4756).

Om 13.59 uur wordt [slachtoffer D] gebeld door de [telefoonnummer A]. [slachtoffer D] zegt dat hij die mensen niet kan bereiken en dat hij [slachtoffer B] niet heeft gezien. De beller wil dat [slachtoffer D] [slachtoffer B] bereikt en dat [slachtoffer B] zorgt voor het contact met die mensen. Hij wil de afgepakte ‘dinges’ terughebben (p.4667 en 4668).

Om 16.41 uur wordt [slachtoffer D] gebeld door de [telefoonnummer A]. Aan [slachtoffer D] wordt gezegd dat hij de vorige keer contact heeft gehad met [slachtoffer B] en dat hij nu weer contact moet maken met [slachtoffer B]. [slachtoffer B] kan dan contact opnemen met die mensen en de spullen naar hem, [slachtoffer D], brengen. De beller zal dan de zoon van [slachtoffer D] terugbrengen. Hij wil de ‘dinges’ voor die avond hebben en geeft [slachtoffer D] opdracht geld te gaan zoeken (p.4669 en 4670).

Om 18.54 uur wordt [slachtoffer D] gebeld door de [telefoonnummer A], die hem vraagt hoever hij is met het geld. [slachtoffer D] zegt dat hij op zoek is naar geld en bijna 30 bij elkaar heeft. De beller zegt daarop dat het 40 moet zijn, dat hij het die avond wil hebben en dat [slachtoffer D] dan zijn zoon terug krijgt (p.4672 en 4673).

Om 21.12 uur wordt [slachtoffer D] gebeld door de [telefoonnummer A]. Hij zegt dat hij 34 en een half heeft. De beller zegt dat hij over een uur opnieuw belt, dat hij dan [slachtoffer A] mag spreken en dat hij de rest moet regelen (p.4674).

Op 16 maart 2007 wordt [slachtoffer D] om 01.36 uur gebeld door de [telefoonnummer A], die tegen hem zegt dat hij zijn zoon heeft. [slachtoffer D] zegt dat hij bang is en dat hij [slachtoffer A] alsjeblieft wil (p.4676).

Om 01.44 uur wordt [slachtoffer D] gebeld door de [telefoonnummer A]. [slachtoffer D] belooft dat hij het geld moet betalen, hetgeen door de beller wordt bevestigd (p.4751).

Verder wordt de [telefoonnummer C] op 15 maart 2007 om 17.17 uur gebeld door de [telefoonnummer A]. Uit het gesprek komt naar voren dat de gebelde in het gezelschap is van een andere, onbekende, man, die ook spreekt met de [telefoonnummer A]. De gebelde en de onbekende man staan in de polder bij de Gamma en de beller (de [telefoonnummer A]) zal daar heen gaan en er over een paar minuten zijn (p.2643).

Om 23.20 uur belt de [telefoonnummer A] de [telefoonnummer B] en zegt dat hij “fucking vijf zes dingen tegelijk doet” (p.2664). Om 23.26 uur belt de [telefoonnummer C] met de [telefoonnummer B] en vraagt de gebelde ([telefoonnummer B]) aan de beller ([telefoonnummer C]) met die man te praten. Hij is doorgedraaid. De [telefoonnummer B] zegt dat hij aan het einde de grootste lul is, dat hij tien meter van de shit zit en moet kotsen (p.2809/2810).

Om 23.30 uur wordt de [telefoonnummer C] gebeld door de [telefoonnummer A]. De beller (de [telefoonnummer A]) zegt dat hij (de [telefoonnummer C]) zo direct even stand-by moet staan en dat die ouwe komt met dinges. De gebelde (de [telefoonnummer C]) maant de beller (de [telefoonnummer A]) om rustig te blijven (p.2667).

Op 16 maart 2007 om 00.10 uur belt de [telefoonnummer C] met de [telefoonnummer A]. De gebelde (de [telefoonnummer A]) zegt tegen de beller (de [telefoonnummer C]) dat hij zijn auto neer moet zetten en dat ze ‘hiero’ lopen. De beller (de [telefoonnummer C]) vraagt “die mensen in die auto? Niks?”, waarop de gebelde (de [telefoonnummer A]) bevestigt dat het niks is (p.2670).

Om 01.04 uur wordt de [telefoonnummer C] gebeld door de [telefoonnummer A] met de vraag wie er in de auto zit die achter hem staat. De gebelde (de [telefoonnummer C]) antwoordt dat het [medeverdachte D] is (p.2672).

Om 01.20 uur wordt de [telefoonnummer C] gebeld door de [telefoonnummer A], die hem zegt, dat hij naar die dinges toe gaat lopen en dat hij (de [telefoonnummer C]) voor hem (de [telefoonnummer A]) moet lopen en dat ‘hun’ achter hem (de [telefoonnummer A]) lopen. De beller (de [telefoonnummer A]) vraagt de gebelde om hem terug te bellen als hij erin gaat. Hij zal laten zien hoe de gebelde (de [telefoonnummer C]) moet rijden, want “ik doe geen knipper” (p.2675).

Om 01.23 uur belt de [telefoonnummer C] naar de [telefoonnummer A]. De gebelde (de [telefoonnummer A]) zegt tegen de beller “start je auto zonder lichten, als ik eruit rij, als ik bijna eruit rij, rij je ineen keer voor mij” (p.2676).

Om 01.24 uur wordt de [telefoonnummer C] gebeld door de [telefoonnummer A]. Er volgt een gesprek hoe de beller (de [telefoonnummer A]) het beste achter de flats kan komen met de auto en of er plaats is om te parkeren. De beller (de [telefoonnummer A]) zegt vervolgens tegen de gebelde (de [telefoonnummer C]) “stap uit en blijf dat je mij kunt zien” en hij zegt dat hij (de [telefoonnummer C]) ‘die’ jongens moet bellen en moet zeggen dat ze hetzelfde moeten doen (p.2677).

6.5 Bewijsmiddelen feit 2

Voor de bewijsmiddelen van feit 2 wordt verwezen naar de bewijsmiddelen, genoemd onder 6.4a, 6.4c, 6.4d, 6.4e, 6.4f, 6.4g, 6.4i, 6.4j, 6.4k, 6.4p en 6.4q en verder naar de verklaring van [naam] (p. 4584 t/m 4586).

[naam] heeft verklaard dat zij op woensdag 14 maart 2007 meerdere keren heeft geprobeerd haar broer [slachtoffer B] te bellen, doch geen gehoor kreeg. Uiteindelijk kreeg zij haar zwager [slachtoffer D] aan de telefoon, die haar vertelde dat hij de telefoon van [slachtoffer B] bij zich had en dat er grote problemen waren tussen [slachtoffer B] en [slachtoffer A] en andere mannen. [slachtoffer D] vroeg haar in Apeldoorn een witte vrachtauto op te halen. Onderweg belde [slachtoffer D] haar op en zei dat ze de vrachtwagen op moest halen en onmiddellijk naar Amsterdam moest brengen. Ze werd vervolgens gebeld door een Bulgaarse vrouw, die haar heeft uitgelegd hoe ze bij de vrachtauto moest komen. Bij de vrachtauto trof zij vervolgens een Bulgaarse man en vrouw aan, die achter haar aan zijn gereden naar Amsterdam Osdorp. Ze is samen met de Bulgaarse vrouw naar [slachtoffer D] gereden en heeft [slachtoffer D] begeleid naar de vrachtauto. Ze heeft gezien dat [slachtoffer D] achter het stuur van de witte vrachtauto plaatsnam en dat hij wegreed.

6.6 Bespreking van de verweren

6.6.1 De raadsman heeft betoogd dat verdachtes zwijgen niet tegen verdachte mag worden gebruikt, daartoe stellende dat “het enkele gegeven dat verdachte zich consequent op zijn zwijgrecht heeft beroepen, niet kan dienen als excuus om de gatenkaas die het dossier feitelijk is, naar eigen believen in te vullen” (p.4 pleitnota van 13 maart 2008).

De rechtbank volgt de raadsman daarin niet. Het de verdachte belastende materiaal, te weten,

a. de bij de politie door [slachtoffer B] afgelegde verklaringen,

b. de verklaring van [medeverdachte G] over de [telefoonnummer C],

c. de verklaring van [medeverdachte A],

d. de historische printgegevens van woensdag 14 en donderdag 15 maart 2007 in

Apeldoorn,

e. de telefoontaps van donderdag 15 maart 2007,

f. de op de terechtzittingen van 13 en 17 maart 2008 door [medeverdachte D] afgelegde en door hem als getuige in verdachtes zaak bevestigde

verklaringen,

vormt naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk “a formidable case”.

In het licht van het voorgaande vindt de rechtbank het een daad van gezond verstand (common sense; vgl. het Murray-arrest) om conclusies te trekken uit verdachtes weigering om een verklaring te geven voor zijn aanwezigheid in de BMW op 14 maart 2007 en zijn aanwezigheid in de omgeving waar de aanhouding van medeverdachten heeft plaatsgevonden op 16 maart 2007.

Om met de Hoge Raad te spreken (het ook door de raadsman aangehaald arrest NJ 2004, 464):

“Weliswaar kan de omstandigheid dat een verdachte weigert een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf niet tot het bewijs bijdragen, maar dat brengt niet mee dat een rechter, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken.”

De rechtbank acht verdachtes aanwezigheid in de voornoemde auto en in de omgeving van de voornoemde aanhouding een omstandigheid als door de Hoge Raad bedoeld en zal verdachtes voormelde weigering dan ook in de bewijsoverwegingen betrekken.

6.6.2 De raadsman heeft aangevoerd dat de veronderstelling dat verdachte het nummer eindigend op -612 heeft gebruikt, enkel is gebaseerd op de verklaring van [medeverdachte G] en dat er geen officiële stemherkenning heeft plaatsgevonden (p.9 pleitnota van 13 maart 2008 en p.2 pleitnota van 21 april 2008).

De rechtbank overweegt allereerst dat de enkele omstandigheid dat geen officiële stemherkenning heeft plaatsgevonden, nog niet meebrengt dat de verklaring van [medeverdachte G] bewijsrechtelijk geen betekenis kan hebben.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit de in het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte G] opgenomen zin “De andere stem is volgens mij de stem van [verdachte L].” niet volgt dat [medeverdachte G] aarzelde over de stemherkenning. De betrouwbaarheid van de stemherkenning wordt versterkt door zijn verklaring dat hij verdachte kende van de coffeeshop Liberty in Haarlem (p. 306), dat hij in ieder geval één en mogelijk zelfs twee telefoonnummers van verdachte in zijn mobiele telefoon had (p.343), terwijl verder van belang is dat [medeverdachte G] over specifieke omstandigheden waaronder het betreffende gesprek plaatsvond, heeft verklaard, namelijk onder meer dat tijdens dat gesprek de telefoon aan hem ([medeverdachte G]) wordt overgegeven.

Daarnaast heeft [medeverdachte D] ter terechtzitting verklaard dat hij in de nacht van 15 op 16 maart 2007 achter verdachte stond geparkeerd. Dit komt overeen met de telefoontap, waarbij om 01.04 uur de [telefoonnummer C] wordt gebeld door de [telefoonnummer A] met de vraag wie er in de auto zit die achter hem staat. De gebelde (de [telefoonnummer C]) antwoordt dat het [medeverdachte D] is (p.2672). De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de [telefoonnummer C] terecht door de politie is toegeschreven aan verdachte.

Voorts overweegt de rechtbank dat de [telefoonnummer B] in gebruik was bij [medeverdachte E], nu [medeverdachte D] ter zitting heeft verklaard dat zijn broer hem had gevraagd voor een slaapzak, (reis)papieren en kleding te zorgen en uit het dossier blijkt dat een sms-je van deze strekking is verstuurd door de [telefoonnummer B] aan de [telefoonnummer D] (van [medeverdachte D]).

6.6.3 De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 het verweer gevoerd dat verdachte geen uitvoeringshandelingen heeft verricht en dat uit niets zijn betrokkenheid bij de gijzeling dan wel wederrechtelijke vrijheidsberoving blijkt. Voorts blijkt niet dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer A] op enig moment tegen zijn wil zijn vrijheid werd ontnomen (p.6 pleitnota van 13 maart 2008).

Voor de beoordeling of verdachte het onder feit 1 primair heeft begaan, is naar het oordeel van de rechtbank van belang of er sprake is van wetenschap bij verdachte ten aanzien van de gijzeling van [slachtoffer A].

6.6.3a Op dinsdag 13 maart 2007 is verdachte volgens de verklaring van medeverdachte [medeverdachte G] naar Geuzenveld gereden. [medeverdachte G] heeft verklaard dat hij achter verdachte aanreed en dat hij heeft gezien dat verdachte in Geuzenveld heeft gesproken met

[medeverdachte [medeverdachte C]. Nu geen van de overige medeverdachten heeft verklaard over de aanwezigheid van verdachte in Geuzenveld en geen ander bewijs hiervoor voorhanden is, leidt dit tot de slotsom dat niet bewezen kan worden dat verdachte op dat moment wetenschap had of kon hebben van wat er gaande was ten aanzien van [slachtoffer A], nog daargelaten het feit dat, indien verdachte al in Geuzenveld aanwezig was, niet bekend is waarover hij heeft gesproken met zijn broer.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat niet bewezen kan worden dat verdachte wetenschap heeft gehad van het begin van de wederrechtelijke vrijheidsberoving.

6.6.3b Medeverdachte [medeverdachte D] heeft op de terechtzittingen van 13 en 17 maart 2008 verklaard en ter zitting van 20 maart 2008 als getuige in verdachtes zaak bevestigd, dat hij [verdachte L] (verdachte) heeft gezien op woensdag 14 maart 2007 op het Mercatorplein te Amsterdam. Uit zijn verklaring, noch uit andere verklaringen over de bijeenkomst in het café op het Mercatorplein komt naar voren dat verdachte bij het gesprek aanwezig is geweest. Een en ander leidt tot de conclusie dat niet bewezen kan worden dat verdachte op dit moment wetenschap had of kon hebben van hetgeen hem wordt verweten door het openbaar ministerie.

6.6.3c [medeverdachte D] heeft verder ter terechtzitting van 13 en 17 maart 2007 verklaard dat hem is verzocht een busje te huren, hetgeen hij heeft gedaan, en dat hij in het gehuurde busje heeft gereden. Er waren verder nog een blauwe BMW en de rode Mercedes; alle drie de auto’s zijn richting Apeldoorn gereden en op een parkeerplaats vóór Apeldoorn langs de snelweg gestopt. Personen die in de auto’s zaten, zijn uitgestapt en hebben met elkaar gesproken, doch hij is niet uitgestapt. [naam] heeft over het stoppen op de parkeerplaats verklaard, zakelijk weergegeven, dat [slachtoffer B] meerdere keren met iemand belde om te vragen waar de wiet bleef en dat op enig moment werd besloten terug te gaan naar Amsterdam. De oude man (lees: [slachtoffer D]) begon toen te huilen en te smeken dat ze niet weg moesten gaan en dat ze de wiet moesten halen, aldus [naam]. Hij wilde zijn zoontje terug. Bij de rechter-commissaris heeft [naam] dit herhaald en verder verklaard dat [slachtoffer D] half in het Nederlands en half in het Turks sprak. [naam] heeft ook verklaard dat die anderen wisten van de ontvoering omdat zij hem hadden gevraagd om te komen bemiddelen. Op een parkeerplaats bij de Gamma zouden de spullen (lees: wiet) gebracht worden. Toen hij, [slachtoffer D], daar aankwam zag hij daar de BMW van [slachtoffer B] staan en de Mercedes, waarmee hij naar Apeldoorn was gekomen. Op die parkeerplaats is volgens [slachtoffer D] ruzie ontstaan tussen [slachtoffer B] en de andere jongens. [slachtoffer B] heeft voorts ook over de aanwezigheid van verdachte in de blauwe BMW verklaard en over het feit dat [slachtoffer D] smeekte de wiet te komen brengen en dat ze zijn zoon hadden.

De rechtbank is van oordeel dat uit de verschillende verklaringen blijkt dat op de parkeerplaats vóór de Mc Donalds is gesproken over het terugbrengen van de wiet en het vasthouden van [slachtoffer A] en dat zulks voor ieder van de aanwezigen kenbaar was en dat ieder daarbij een rol heeft gehad.

6.6.3d Hoewel verdachte vanaf woensdagmiddag 14 maart 2007 wetenschap heeft gehad van de gijzeling van [slachtoffer A], heeft hij zich daarvan naar het oordeel van de rechtbank niet gedistantieerd. Integendeel, door verdachte zijn vervolgens (uitvoerings)handelingen verricht, waaruit blijkt van een voldoende bewuste en nauwe samenwerking gericht op (het voortduren van) de gijzeling van [slachtoffer A]. Zo heeft verdachte op donderdag 15 maart 2007 telefonische contacten gehad met onder meer zijn broer [medeverdachte [medeverdachte C]. Gelet op de verklaring van [medeverdachte D], de getapte gesprekken tussen de 612- en de [telefoonnummer A] en op de historische printgegevens in samenhang bezien met de stemherkenning door [medeverdachte G] ([telefoonnummer C]), kan worden vastgesteld dat verdachte in de buurt was toen het losgeld moest worden overgedragen, dat hij wist dat dat ging gebeuren en daarbij een ondersteunende rol heeft gespeeld.

6.6.3e De rechtbank overweegt verder dat voor medeplegen is vereist dat sprake is van bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering. Bewuste samenwerking veronderstelt dat de medeplegers met opzet samenwerken tot het verrichten van de delictueuze gedraging (i.c. de gijzeling). Ook stilzwijgende samenwerking kan echter medeplegen opleveren. Dit is met name het geval in de situatie waarin iemand bewust ergens bij blijft, niet ingrijpt, zich niet distantieert van de situatie en de ander dat kennelijk accepteert, hetgeen een totaalbeeld kan opleveren van een (stilzwijgende) samenwerking die voldoende kan zijn voor medeplegen. Voor wat betreft de vereiste gezamenlijke uitvoering is niet vereist dat de medeplegers allen eigenhandig aan de uitvoering van de delictshandeling deelnemen.

Zoals hiervoor is overwogen, is verdachte in ieder geval op woensdag 14 maart 2007 op de hoogte geraakt van de gijzeling van [slachtoffer A]. Hij heeft zich op geen enkele wijze hiervan gedistantieerd, noch ingegrepen. Integendeel. Verdachte heeft die dag druk uitgeoefend op de familie van [slachtoffer A] teneinde de wiet terug te halen (reis naar Apeldoorn). Hij heeft in de avond en nacht van 15 op 16 maart 2007 veelvuldig contact gehad met onder meer zijn broer [medeverdachte C] en was in de buurt toen zijn broer het losgeld wilde gaan halen. Zijn broer vroeg hem stand-by te staan en hem in het oog te houden. Ook heeft verdachte bemiddeld tussen zijn broer [medeverdachte C] en [medeverdachte E] toen de spanning tijdens de gijzeling opliep. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake van medeplegen van gijzeling door verdachte.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman.

6.6.4 Op het punt van het gebruik maken van de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer B] met betrekking tot de aanwezigheid van verdachte in de BMW van [slachtoffer B] op woensdag 14 maart 2007, is namens verdachte verweer gevoerd met een beroep op jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot het (niet) toelaatbaar zijn van het gebruik van een belastende verklaring, waarop later, bij de rechter-commissaris, is teruggekomen. De rechtbank verwerpt dit verweer. Daargelaten dat hier geen sprake is van “het enige proces-verbaal waaruit zou moeten worden afgeleid dat cliënt op 14 maart 2007 in de BMW van [slachtoffer B] heeft gezeten”- immers (ook) [medeverdachte D] heeft aldus verklaard – is [slachtoffer B] noch later bij de politie, noch bij de rechter-commissaris hierop teruggekomen. Hij is teruggekomen op zijn oorspronkelijke verklaring dat hij op dinsdag 13 maart 2007 is ontvoerd. Met betrekking tot de feitelijke gang van zaken zoals die volgens [slachtoffer B] op woensdag 14 maart 2007 zich heeft voorgedaan tijdens de autorit van Amsterdam naar Apeldoorn en in het bijzonder het einde daarvan, heeft [slachtoffer B] niet volkomen anders verklaard. Hiermee verwerpt de rechtbank tevens het kennelijke verweer namens verdachte dat [slachtoffer B] dusdanig wisselend verklaart, dat in het geheel niet van zijn verklaringen gebruik mag worden gemaakt. Dit klemt temeer nu [slachtoffer B]s verklaring met betrekking tot de gebeurtenissen nabij en in Apeldoorn op 14 maart 2007, zoals onder 6.4e weergegeven, steun vindt in andere zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

De rechtbank verwerpt een gelijkluidend verweer namens verdachte met betrekking tot de verklaring van [medeverdachte A]. Ook deze heeft op het punt van de aanwezigheid van de broer van [medeverdachte B] in de BMW van het slachtoffer [slachtoffer B] zijn verklaring niet ingetrokken. Hij heeft tegenover de rechter-commissaris immers (ook) verklaard dat hij niet zeker wist of [medeverdachte B] hem had verteld dat diens ([medeverdachte B]s) broer (achter)in de BMW zat. Daar doet niet aan af, dat [medeverdachte A] tegenover de rechter-commissaris vervolgens heeft verklaard dat hij niet kon weten dat diens broer (achter)in de BMW zat. De rechtbank gaat uit van de gedetailleerde verklaring van [medeverdachte A] bij de politie met betrekking tot de gang van zaken op 14 maart 2007, in het bijzonder op dit punt, nu diens verklaring met betrekking tot de broer van [medeverdachte B] steun vindt in andere zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

6.6.5 Alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemend en alle bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde bewezen.

7. Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in de periode van 12 maart 2007 tot en met 16 maart 2007 in de gemeente Amsterdam en/of in de gemeente Apeldoorn en/of in de gemeente Utrecht en/of in de gemeente Arnhem en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer A], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd gehouden, met het oogmerk anderen, te weten [slachtoffer C] en [slachtoffer D] en [slachtoffer B], te dwingen iets te doen,

immers heeft/hebben (een van) zijn mededaders, die [slachtoffer A]:

- meegenomen in een auto en vastgehouden in een auto en in een auto vervoerd naar

een garagebox te Arnhem en

- in een garagebox vastgebonden en vastgehouden en een draad om de nek/hals gelegd

en

- laten plaatsnemen in een auto en/of een busje en vastgehouden in een auto en/of een

busje en belet dat die [slachtoffer A] die auto en/of dat busje kon verlaten en

- aldus voor die [slachtoffer A] een bedreigende situatie doen ontstaan waaraan die

[slachtoffer A] zich niet kon onttrekken,

teneinde voornoemde anderen te dwingen een hoeveelheid hennep en/of een hoeveelheid (los)geld aan hem, verdachte en/of zijn mededaders, af te

staan;

2.

hij op 14 maart 2007 in de gemeente Amsterdam en/of de gemeente Apeldoorn en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer B] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid hennep, toebehorende aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededaders,

immers heeft hij, verdachte, en/of een van zijn mededaders, die [slachtoffer B] gezegd

dat hij moest regelen dat de hennep terug werd gegeven,

welk geweld hierin bestond dat verdachte en/of één of meer van zijn mededaders die [slachtoffer B] heeft/hebben:

- opgehaald en vervoerd in een auto en

- belet dat die [slachtoffer B] de auto kon verlaten en

- geslagen en/of gestompt tegen het hoofd en/of elders op het lichaam.

De rechtbank ziet het feit dat in de tenlastelegging van feit 2 primair alleen de gemeente Amsterdam is genoemd als een kennelijke verschrijving, mede gelet op de subsidiair ten laste gelegde poging tot afpersing, waarin meerdere plaatsen zijn genoemd. Om die reden zullen de in het subsidiair ten laste gelegde plaatsen worden ingelezen in het 2 primair ten laste gelegde feit.

8. Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

9. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

Feit 1: medeplegen van gijzeling;

Feit 2: medeplegen van afpersing.

10. Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

11. Oplegging van straf en/of maatregel

11.1 De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de vordering die door de benadeelde partij is ingediend, acht zij de vergoeding voor immateriële schade, te weten € 500,-, toewijsbaar en de vergoeding voor kosten van rechtsbijstand, te weten € 2.750,- met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

11.2 De raadsman heeft primair integrale vrijspraak bepleit en subsidiair betoogd dat de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf buitensporig hoog is. De benadeelde partij dient naar zijn mening niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat de vordering niet eenvoudig van aard is. De kosten van rechtsbijstand dienen te worden afgewezen, omdat deze geen betrekking hebben op een aan verdachte ten laste gelegd feit.

11.3 De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het van zijn vrijheid beroofd houden van [slachtoffer A] met het oogmerk om anderen te dwingen wiet terug te geven en een geldbedrag te betalen. Hij heeft hiermee samen met zijn mededaders een grote inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van [slachtoffer A]. Diens oom, [slachtoffer B], is gebeld met het verzoek te komen praten, hetgeen resulteerde in een onderhandelingsgesprek over de teruggave van de gestolen wiet en vrijlating van [slachtoffer A]. Een van de mededaders heeft vervolgens de ouders van [slachtoffer A] meerdere keren telefonisch opdracht gegeven de weggehaalde spullen, te weten wiet, terug te geven, dan wel te zorgen voor geld. Pas na teruggave dan wel betaling van het gevraagde geld zou hun zoon vrijgelaten worden. Aannemelijk is dat dit hevige schrik en ontsteltenis bij de ouders en bij [slachtoffer B] teweeg heeft gebracht. De aard en de ernst van het gepleegde misdrijf en het daardoor veroorzaakte leed neemt de rechtbank bij de straftoemeting dan ook nadrukkelijk in aanmerking. Naar de ervaring leert zullen [slachtoffer A] en zijn familie nog lange tijd psychische gevolgen hiervan (kunnen) ondervinden. Uit hetgeen [slachtoffer A] bij de rechter-commissaris heeft verklaard, maakt de rechtbank op dat hij bang is voor represailles van de kant van verdachte en/of een of meer van zijn mededaders. Ook uit de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer B] komt naar voren dat hij bang is.

De rechtbank ziet verdachte niet als een van de initiatiefnemers van de gijzeling, nu niet bewezen kan worden dat hij wetenschap heeft gehad van de aanvang van de gijzeling en evenmin van het op [slachtoffer A] uitgeoefende geweld. Wel heeft hij een meer ondergeschikte rol gehad bij het voortduren van de gijzeling. Hij is op diverse momenten aanwezig geweest en is faciliterend opgetreden ten aanzien van zijn broer en andere mededaders, door aanwezig te zijn bij de poging van de familie van [slachtoffer A] om de wiet terug te halen (reis naar Apeldoorn) en door daarbij druk uit te oefenen op [slachtoffer D] en [slachtoffer B], door te bemiddelen tussen [medeverdachte C] en de gebruiker van de [telefoonnummer B] als de spanning van de – de ontknoping naderende – gijzeling oploopt, door stand-by te zijn bij de beoogde losgeldoverdracht en door de situatie in de gaten te houden. Niet is gebleken dat verdachte heeft getracht zich te distantiëren van de gebeurtenissen.

Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan afpersing van [slachtoffer B]. Het handelen van verdachte en zijn mededaders was intimiderend en gericht op het terugkrijgen zoveel mogelijk wiet. Het feit dat [slachtoffer B] daartoe gedwongen werd, waarbij verdachte en zijn mededaders gebruik hebben gemaakt van [slachtoffer B]s eigen auto, moet grote indruk op [slachtoffer B] hebben gemaakt. Temeer daar zijn auto een dag later brandend is aangetroffen.

De hiervoor vermelde omstandigheden, in het bijzonder de aard en de ernst van het gepleegde feit, acht de rechtbank onvoldoende tot uitdrukking gebracht in de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf. De rechtbank acht in het onderhavige geval na te melden geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf wèl passend en geboden.

De rechtbank heeft verder naast de proceshouding van verdachte ook in aanmerking genomen de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.

12. Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer B], p/a [naam], [adres], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 10.000,- voor immateriële schade en € 2.750,- voor de kosten van rechtsbijstand, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 2 primair bewezen verklaarde handelen immateriële schade heeft geleden tot na te melden bedrag, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering, inclusief de vordering voor de kosten van rechtsbijstand, nu de vordering niet zo eenvoudig van aard is dat deze zich leent voor afdoening in het strafgeding.

13. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

14. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 47, 57, 282a, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaar en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij

[slachtoffer B], p/a [naam], [adres] (girorekeningnummer [nummer]), van een bedrag van € 250,-, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer B], een bedrag te betalen van € 250,-, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 5 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mrs. De Bie, voorzitter, Van der Hooft en Van der Mei, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Althoff, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 mei 2008.