Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD2445

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
27-05-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
06/460174-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 weken waarvan 4 weken voorwaardelijk in verband met openlijke geweldpleging. (Promis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460174-07

Uitspraak d.d.: 27 mei 2008

tegenspraak/ oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte A],

geboren te [plaats] (Marokko) op [1979],

wonende te [adres en plaats].

1. Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 oktober 2007, 11 maart, 20 maart en 13 mei 2008.

2. Ter terechtzitting gegeven beslissing

Ter terechtzitting van 9 oktober 2007 heeft de rechtbank het verzoek van de officier van justitie tot het horen van de getuige [slachtoffer B] bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, toegewezen.

3. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 maart 2007, te Apeldoorn, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Europaweg/Laan van Westenenk, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer B], welk geweld bestond uit het vastpakken en/of vasthouden van die [slachtoffer B] en/of uit stompen en/of slaan en/of schoppen en/of trappen tegen/op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer B];

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 14 maart 2007, te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer B] heeft/hebben vastgepakt en/of vastgehouden en/of die [slachtoffer B] in/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt, waardoor voornoemde [slachtoffer B] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4. Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan

5.1 Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

5.2 Standpunt van de verdediging

Aan de hand van een toelichting als vermeld in zijn ter terechtzitting overgelegde pleitnota is door de raadsman van verdachte aangevoerd dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

5.3 Ter zitting heeft verdachte - kort samengevat - bekend dat hij het slachtoffer meermalen tegen het hoofd heeft gestompt.

5.4 Bewijsmiddelen

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de navolgende overwegingen ten aanzien van het bewijs, verwijzen onder meer naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal en de daarbij behorende bijlagen, dossiernummer PL0620/07-204566, gesloten en ondertekend op 27 augustus 2007 door [namen]

a) de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting

b) proces-verbaal van ambtelijk verslag, d.d. 14 maart 2007 (p.1173 en 1177)

c) processen-verbaal van verhoor van het slachtoffer, [slachtoffer B], d.d. 15 maart 2007 (p. 1063, 1064 en 1100)

d) proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 14 maart 2007 (p. 97 e.v.)

e) proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte B] d.d. 18 juni 2007 (p. 202 e.v.)

f) proces-verbaal van [getuige] d.d. 14 maart 2007 (p. 1188 en 1189).

6. Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 14 maart 2007, te Apeldoorn op de openbare weg, de Europaweg/Laan van Westenenk, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer B], welk geweld bestond uit het vastpakken en vasthouden van die [slachtoffer B] en uit stompen tegen het hoofd van die [slachtoffer B].

7. Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

8. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

9. Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

10. Oplegging van straf en/of maatregel

10.1 De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 96 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Zij heeft de hoogte van haar eis enerzijds gebaseerd op haar overtuiging dat de openlijke geweldpleging verband houdt met een groter geheel en dat verdachte op de hoogte moet zijn geweest van onderdelen hiervan en hier zijn rol in heeft gespeeld. Anderzijds heeft zij in ogenschouw genomen de open proceshouding van verdachte en het feit dat verdachte tijdens zijn voorarrest lange tijd in beperkingen heeft gezeten.

10.2 De raadsman van verdachte verzoekt de rechtbank verdachte een straf op te leggen maximaal gelijk aan de tijd dat hij in voorarrest heeft gezeten.

10.3 De rechtbank houdt - op basis van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting - ten nadele van verdachte rekening met de bijzondere omstandigheden waaronder verdachte en zijn [medeverdachte B] tegen [slachtoffer B] geweld hebben gebruikt.

Zo heeft verdachte op 14 maart 2007 bij de politie verklaard (voetnoot 1) dat [medeverdachte B] hem, toen zij in de Peugeot naar de McDonalds in Apeldoorn waren gereden, een blauwe BMW aanwees en hem (verdachte) vertelde dat zijn ([medeverdachte B]) broer daarin zat bij een Turkse man. [medeverdachte B] vertelde verdachte dat de Turkse man zijn ([medeverdachte B]) broer nog moest betalen. Toen verdachte en [medeverdachte B] vervolgens achter de BMW aanreden, zag verdachte het rechtervoorportier opengaan waarbij het erop leek dat de Turkse man uit de auto wilde springen. [medeverdachte B] sprong vervolgens uit de Peugeot en rende naar de BMW, aldus verdachte. Verdachte zag dat de Turkse man al buiten de auto stond en werd vastgehouden door de bestuurder van de BMW. De Turkse man probeerde zich los te rukken, waarna een worsteling tussen de Turkse man en [medeverdachte B] ontstond. Verdachte is daarop naar hen toegelopen en heeft de Turkse man ([slachtoffer B]) een paar - naar verdachtes zeggen - krachtige vuistslagen gegeven. Verdachte heeft verder verklaard, dat de mensen in de BMW riepen dat ze weg wilden en dat verdachte daarop gebaarde en riep "rij maar weg, rij maar weg".

De rechtbank ziet geen aanleiding verdachte niet te houden aan zijn aldus bij de politie op 14 maart 2007 afgelegde verklaring, nu verdachtes verklaring bij de rechter-commissaris van 8 februari 2008 als zou hij verzonnen hebben dat de Turkse man nog geld moest betalen aan de broer van [medeverdachte B] niet geloofwaardig is, mede gelet op de eerdere - herhaaldelijke - verklaringen van verdachte op dit punt.

Verder acht de rechtbank van belang dat [medeverdachte B] heeft verklaard (voetnoot 2) dat hij dacht dat het 'om geld' ging en dat hij met verdachte naar Apeldoorn was gekomen als een soort van bescherming.

De rechtbank rekent het verdachte in het bijzonder aan, dat hij zonder enige aarzeling of terughoudendheid geweld heeft gebruikt tegen een man ([slachtoffer B]), terwijl deze werd vastgehouden door zijn [medeverdachte B] en van wie hem gezegd was dat deze geld verschuldigd was aan de broer van de man, in wiens gezelschap hij zich op dat moment bevond, op het moment dat die [slachtoffer B] zich aan het gezelschap van de man(nen) aan wie hij moest betalen probeerde te onttrekken.

10.4 De rechtbank heeft bij de straftoemeting tevens met de hiervoor door de officier van justitie genoemde omstandigheden (proceshouding en beperkingen) rekening gehouden.

10.5 Verdachte is eerder met politie en justitie in aanraking geweest. Met veroordelingen uit 1997 en 1998 zal de rechtbank ten nadele van verdachte geen rekening houden, gelet op het tijdsverloop. Wel is rekening gehouden met de veroordeling in 2003 wegens bedreiging en vernieling.

10.6 Gelet op het voorgaande, de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, komt de rechtbank tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf, van na te melden duur.

10.7 De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

11. Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer B] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 10.000,- voor immateriële schade en € 2.750,- voor de kosten van rechtsbijstand, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot een bedrag van € 250,- voor immateriële schade, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen. De benadeelde partij wordt voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering, inclusief de vordering voor de kosten van rechtsbijstand, nu de vordering niet zo eenvoudig van aard is dat deze zich leent voor afdoening in het strafgeding.

12. Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffer.

13. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

* Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

* Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

* Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

* Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) weken.

* Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) weken niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

* Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

* Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer B], p/a [naam, adres en plaats], girorekeningnummer [nummer], van een bedrag van € 250,- (tweehonderd vijftig euro) met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil. Verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

* Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering voor het overige slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

* Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer B], voornoemd, een bedrag te betalen van € 250,-, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 5 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

* Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mrs. Van der Hooft, voorzitter, De Bie en Van der Mei, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Erp, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 mei 2008.

Voetnoten:

1 Zie hiervoor proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina 97 e.v.

2 Zie hiervoor proces-verbaal ambtelijk verslag, pagina 208.