Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD2341

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
23-05-2008
Datum publicatie
23-05-2008
Zaaknummer
06/580320-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte (meerderjarig) is onder meer veroordeeld voor een poging tot moord samen met een minderjarige medeverdachte (zie uitspraak LJNummer BD2340) en verboden wapenbezit. De rechtbank legt de verdachte 9 jaar gevangenisstraf op. Verder veroordeelt de rechtbank de beide verdachten tot het betalen van een schadevergoeding aan het slachtoffer van 9998,61 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/580320-07

Uitspraak d.d.: 23 mei 2008

tegenspraak/ dip / oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats 1980],

wonende te [adres],

thans verblijvende in het huis van bewaring Ooyerhoekseweg te Zutphen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 februari 2008 en 9 mei 2008.

De tenlastelegging

Aan verdachte is dan ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meerdere tijdstippen op of omstreeks 17 juni 2007 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- achter voornoemde [slachtoffer] is/zijn aangerend en/of

- (uit stilstand en/of op korte afstand) een vuurwapen op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht en/of

- (meermalen) op de borst, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op of omstreeks 17 juni 2007 te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- een vuurwapen van categorie II en/of categorie III (te weten het wapen van de onder feit 1 primair genoemde strafbepaling), en/of

- meerdere, althans (een) stuk(s) munitie van categorie II en/of categorie III, te weten 6 patronen behorend bij voornoemd vuurwapen,

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet Wapens en Munitie

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 06 oktober 2007 te Zutphen en/of te Enschede en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- een vuurwapen van categorie III, te weten een zilverkleurig pistool, merk Zastava, kaliber 7.65 , en/of

- munitie van categorie III, te weten 8 (kogel)patronen, kaliber 7.65 (behorende bij voornoemd vuurwapen),

heeft overgedragen aan een persoon;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 31 lid 1 Wet wapens en munitie

3.

hij op of omstreeks 06 oktober 2007 te Zutphen en/of te Enschede en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 4,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

4.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 juni 2007 tot en met 5 oktober 2007 te Zutphen en/of te Apeldoorn en/of te Enschede en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)

- een vuurwapen van categorie III, te weten een zilverkleurig pistool, merk Zastava, kaliber 7.65 en/of

- een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool, merk FN , kaliber 6.35 en/of

- meerdere, althans (een) stuk(s) munitie van categorie III, te weten 8 (kogel)patronen, kaliber 7.65 (behorend bij het vuurwapen merk Zastava) en/of 3 patronen, kaliber 6.35 (behorend bij het vuurwapen merk FN) en/of 5 (kogel)patronen, kaliber 9mm, merk TZZ 87,

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

5.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 juni 2007 tot en met 5 oktober 2007 te Zutphen en/of Apeldoorn en/of te Enschede en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 oktober 2007 tot en met 7 november 2007 te Apeldoorn en/of te Zutphen en/of te Zwolle en/of te Enschede en/of te 's-Hertogenbosch en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- meerdere, althans (een) vuurwapen(s) van categorie II en/of categorie III, te weten een pistool (kaliber 9mm) en/of een enkelloops hagelgeweer (riotgun), en/of

- meerdere, althans (een) stuk(s) munitie van categorie II en/of categorie III,

heeft overgedragen aan een persoon;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(RIJLAT)

art 31 lid 1 Wet wapens en munitie

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde

1. De officier van justitie heeft onder meer tot bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde feit geconcludeerd.

2. De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde: ten aanzien van het wapen, merk FN, omdat het enige bewijs hiervoor is de leugenachtige verklaringen van [medeverdachte] en [vriendin medeverdachte];

ten aanzien van het pistool, merk Zastava, omdat verdachte het wapen op dezelfde dag, te weten 6 oktober 2007, dat hij het wapen aan pseudo-koper Tom leverde van iemand anders heeft ontvangen. Hieruit volgt dat verdachte laatstbedoeld wapen niet op 5 oktober 2007, zijnde de laatste dag van de ten laste gelegde periode, voorhanden heeft gehad.

3. Naar het oordeel van de rechtbank dient verdachte van het onder 4 ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank onvoldoende bewijs voorhanden acht om vast te stellen dat verdachte hiervoor bedoelde wapens in de ten laste gelegde periode voorhanden heeft gehad.

Bewijsmotivering van het onder 1 ten laste gelegde

4. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hierna weergegeven bewijsmiddelen het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0620/07-308056, gesloten en getekend d.d. 20 januari 2007.

De bewijsmiddelen zijn te vinden in de volgende stukken:

a. Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (dossierpagina 940-949);

b. Medische verklaring [slachtoffer] (dossierpagina 946-949);

c. Deskundigenrapport, munitieonderzoek naar aanleiding van schietpartij (dossierpagina 271-275);

d. Proces-verbaal van sporenonderzoek (dossierpagina 249-251);

e. Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] (dossierpagina 549-553);

f. Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] (dossierpagina 669-680);

g. Proces-verbaal van verhoor verdachte (dossierpagina 420-427);

h. De verklaring van verdachte ter terechtzitting.

5. De rechtbank neemt op grond van hiervoor genoemde bewijsmiddelen als vaststaand aan dat in het weekend van 10 juni 2007 verdachte betrokken is geweest bij een vechtpartij met Marokkaanse jongeren in de discotheek Urban te Apeldoorn. Verdachte heeft zich, in het weekend daarop, op deze de jongeren willen wreken. Met dat doel heeft hij zich op 17 juni 2007 naar de binnenstad van Apeldoorn begeven en daarbij een geladen pistool meegenomen. Een door verdachte en zijn vrienden georganiseerde confrontatie met een groep Marokkaanse jongeren, is uitgemond in een vechtpartij, waarna die groep Marokkaanse jongeren wegrende. Verdachte en diens vrienden hebben die groep achtervolgd. Medeverdachte [medeverdachte], die inmiddels in het bezit was gekomen van het pistool van verdachte, heeft geschoten op de groep, waardoor hij [slachtoffer] geraakt heeft en hem (ernstig) letsel toegebracht heeft.

6. Aangever heeft verklaard dat de jongen met het pistool zijn arm uitstrekte en dat hij zag dat die jongen het pistool op hem richtte en dat hij een knal hoorde (dossierpagina 944). Direct daarop voelde hij in zijn linkerarm een soort krampgevoel, waardoor hij besefte dat hij geraakt was. Uit de medische gegevens van aangever blijkt dat hij een schotwond heeft aan de linker bovenarm en geen exit-wound, hetgeen betekent dat de kogel zich nog in het lichaam van aangever bevindt (dossierpagina 947).

7. [getuige 1] verklaart, dat toen hij de hoek om kwam lopen hij als eerste [medeverdachte] zag staan. Hij zag dat [medeverdachte] met gestrekte arm in de richting van de andere kant van de straat wees en daar een jongen stond, waarop hij schoot. Verdachte heeft eveneens verklaard dat [medeverdachte] met gestrekte hand in de richting van de jongen heeft geschoten (dossierpagina 423). [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij een Marokkaan zag lopen en dat hij, met het wapen wat hij van verdachte had gekregen, op aangever gericht en geschoten heeft (dossierpagina 551).

8. Voorts zijn er op de plaatsdelict drie patroonhulzen aangetroffen (dossierpagina 249). Uit het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt dat het drie hulzen van een kaliber 6.35 Browning betreft, die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid met hetzelfde vuurwapen zijn verschoten (dossierpagina 275).

Bewijsmotivering van het onder 2, 3, 5 en 6 ten laste gelegde

9. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hierna weergegeven bewijsmiddelen de onder 2, 3, 5 en 6 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, waarbij elk bewijsmiddel slechts gebruikt is ten aanzien van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. De vindplaatsvermeldingen (onder a tot en met h) verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0620/07-308056, gesloten en getekend d.d. 20 januari 2007. De vindplaatsvermeldingen (onder i tot en met m) verwijzen naar het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL/0620/07384711.

De bewijsmiddelen zijn te vinden in de volgende stukken:

a. Proces-verbaal sporenonderzoek (dossierpagina 276-286);

b. Deskundigenrapport Opiumwet (dossierpagina 269-270);

c. Proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 89-91);

d. Proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 94-95);

e. Proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 98-99);

f. Proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 102-103);

g. Proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 106-107);

h. Proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 111-113);

i. Proces-verbaal (dossierpagina 226-227);

j. Proces-verbaal (dossierpagina 228-232);

k. Proces-verbaal ambtelijk verslag (dossierpagina 283-286);

l. Proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] (dossierpagina 448-451);

m. De verklaring van verdachte ter terechtzitting.

10. Nadat bij de politie een anonieme melding is binnengekomen, is een onderzoek gestart naar verdachte. Op grond van verdenking bij de schietpartij zijn bevelen voor pseudokoop afgegeven, met als doel het wapen dat gebruikt is bij de schietpartij in handen te krijgen. Verdachte heeft vervolgens bij verschillende transacties een kleine hoeveelheid cocaïne en een drietal wapens aan pseudokoper Tom (ook wel aangeduid als A-3083) verkocht. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend die drugs en wapens aan de pseudokoper te hebben verkocht en geleverd. Voorts heeft hij bekend enkele maanden in cocaïne te hebben gehandeld.

Standpunt openbaar ministerie

11. De officier van justitie heeft tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten geconcludeerd.

Standpunt verdediging

12. Namens verdachte is vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 eerste tekstblok, 2, 3, en 6.

13. Ten aanzien van het onder 1 eerste tekstblok, ten laste gelegde heeft de raadsman bepleit dat er geen sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking met medeverdachte. Verdachte had geen mogelijkheid zich te distantiëren van de schietpartij.

14. Ten aanzien van het onder 2, 3, en 6 ten laste gelegde is bepleit dat de pseudokoop onrechtmatig heeft plaatsgevonden, waardoor de vruchten van de pseudokoop van het bewijs behoren te worden uitgesloten. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat bij de beoordeling van de juiste toepassing van artikel 126i lid 2 van het Wetboek van Strafvordering het Tallon-criterium (HR 4 december 1979, LJN: AB7479, NJ 1980, 356) heeft te gelden. Dat wil zeggen dat achteraf moet kunnen worden vastgesteld of verdachte de feiten 2, 3 en 6, waarvoor hij hier wordt vervolgd, ook zou hebben begaan zonder inschakeling van de pseudokoper. Naar de mening van de raadsman is voor het aannemen daarvan in dit geval geen bewijs, maar juist voor het tegendeel. Daaruit vloeit voort dat de pseudokoper hiervoor bedoelde strafbare feiten heeft uitgelokt.

15. Verdachte heeft bekend het onder 5 ten laste gelegde feit te hebben gepleegd. Zijn raadsman heeft zich omtrent de bewezenverklaring van dit feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Bespreking standpunten ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

16. De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat het wettig en overtuigend bewijs voor het medeplegen ontbreekt, nu geen sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] met betrekking tot het schieten door [medeverdachte] op het slachtoffer. Daarbij komt dat de verdachte niet in de gelegenheid is geweest om zich van dat schieten te distantiëren.

17. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor het medeplegen door verdachte. Daarbij kan in het midden worden gelaten of verdachte zelf het derde schot heeft gelost, zoals medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard. Verdachte heeft immers, nadat hij in het weekend van 10 juni 2007 klappen had opgelopen van een groep uit Utrecht afkomstige Marokkanen, besloten om wraak op hen te nemen. Het voornemen daartoe heeft hij met [medeverdachte] besproken, waarbij [medeverdachte] hem heeft toegezegd hem terzijde te staan. Verdachte heeft zelf ook verklaard (dossierpagina 420) dat hij wist dat [medeverdachte] hem zou helpen: “Hij is als een broer voor mij en ik zou dat ook voor hem doen.” Tijdens dat gesprek heeft verdachte gezegd dat hij voor die nieuwe confrontatie een pistool zou meenemen. Verdachte heeft op de avond van 17 juni 2007 ook daadwerkelijk een geladen pistool meegenomen. Verdachte heeft met vrienden, onder wie ook medeverdachte [medeverdachte], een confrontatie met een groep uit Utrecht afkomstige Marokkanen uitgelokt. Daartoe heeft verdachte zijn vriendin verzocht om voor de discotheek Urban een groep Marokkanen aan te spreken om erachter te komen of zij uit Utrecht kwamen. Vervolgens heeft hij de aanzet gegeven tot een vechtpartij, door als eerste een van deze Marokkanen een harde klap op het gezicht te geven. De ontstane vechtpartij is voor de Urban begonnen en heeft zich verplaatst in de richting van de Nieuwstraat. Verdachte heeft erkend niet alleen te hebben geslagen, maar ook in de richting van die Marokkanen met fietsen te hebben gegooid. Verdachte en zijn medeverdachte zijn daarna achter die Marokkanen aangerend, toen deze wegrenden richting de Nieuwstraat. Nadat [medeverdachte] heeft geschoten, heeft verdachte het pistool van hem overgenomen en dat, om ontdekking daarvan te voorkomen, begraven. Daarbij heeft hij [medeverdachte] gezegd de kruitsporen van zijn handen te verwijderen door deze te wassen met zand.

18. Op grond van vorenstaande oordeelt de rechtbank dat tussen verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] nauw en doelbewust is samengewerkt. Beiden hebben doelbewust een vechtpartij uitgelokt met het vooropgezette plan om een groep Marokkanen te pakken te nemen. Zij hebben daarmee een gewelddadige sfeer gecreëerd en een geweldsspiraal op gang gebracht die is uitgelopen op het lossen van het levensbedreigende schot op [slachtoffer]. Verdachte heeft bewust, met het oog op de uit te lokken vechtpartij, een pistool meegenomen. Of hij het pistool direct ofwel indirect aan [medeverdachte] heeft overgedragen doet in dit kader niet ter zake. Door op deze avond een geladen pistool mee te nemen en uit handen te geven alsmede een serie gewelddadigheden uit te lokken, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat medeverdachte [medeverdachte] het door hem meegebrachte (en uit handen gegeven) pistool zou gebruiken. Het feit dat verdachte uiteindelijk zelf, zoals hij verklaard, niet heeft geschoten doet daar niet aan af. De rechtbank verwijst in dit verband naar het zogenaamde Bacchus-arrest van de Hoge Raad van 8 mei 2001, LJN: AB1472, NJ 2001, 480. Dat verdachte heeft verklaard dat hij zich op het moment dat [medeverdachte] schoot niet meer van hem kon distantiëren, laat dat medeplegen onverlet. Verdachte heeft immers naar het oordeel van de rechtbank eerder verschillende mogelijkheden gehad om zich te distantiëren, maar heeft nagelaten deze mogelijkheden te gebruiken. In dat verband wordt opgemerkt dat verdachte moeite had kunnen doen het pistool uit de omgeving van de vechtpartij te laten verdwijnen of in plaats van de vechtpartij aan te wakkeren deze te sussen. Voor geen van deze inspanningen is bewijs in het dossier aangetroffen. Integendeel, er is voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de omstandigheid dat verdachte onverdroten is voortgegaan op zijn pad de door hem uitgelokte vechtpartij aan te wakkeren en te laten escaleren. Zelfs nadat er geschoten was, is hij nog achter Marokkanen aangerend. Het verweer van de raadsman dat geen sprake van medeplegen was wordt dan ook verworpen.

Bespreking standpunten ten aanzien van het onder 2, 3 en 6 ten laste gelegde

19. Het verweer van de raadsman dat de bevelen van pseudokoop uitsluitend zijn gebaseerd op een CIE-melding waarin over de neef van verdachte wordt gesproken, hetgeen volgens de raadsman als enige basis voor die bevelen onvoldoende is en deze bevelen mitsdien onrechtmatig zijn, kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin slagen, omdat dit verweer berust op een onjuiste lezing van de afgegeven bevelen pseudokoop van 10, 19 en 26 september 2007 en de daaraan ten grondslag liggende processen-verbaal.

20. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de bevelen van pseudokoop de toets aan het zogenoemde Tallon-criterium kunnen doorstaan. Daarvoor baseert de rechtbank zich op de volgende passage uit het ambtsedig procesverbaal van bevindingen van A-3083 van 11 september 2007 (dossierpagina 89). Nadat de pseudokoper A-3083 de man, die later verdachte blijkt te zijn, op 11 september 2007 om 16.00 uur bij het NS-station te Zutphen heeft ontmoet, “(…)[ ging] [naam 1] achter het stuur en ik, A-3083, op de bijrijdersplaats [zitten]. [naam 1] vroeg aan mij of ik voor “die 500” kwam. Waarop ik zei dat ik voor die 500 euro kwam. Maar de man reageerde direct hierop door te zeggen: “Wit toch hé?” Ik antwoordde hierop dat ik niet voor wit kwam. Hierna maakte [naam 1] een gebaar langs zijn buik met zijn wijsvinger en duim, vermoedelijk daarmee een pistool aanduidende en merkte op: “Oh, je komt voor dat andere ding”(…)”. Hieruit kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat het initiatief van de verkoop van een wapen niet van de pseudokoper maar van verdachte is uitgegaan, hetgeen aannemelijk maakt dat verdachte ook zonder pseudokoper tot verkoop zou zijn overgegaan. Dat verdachte ook zonder tussenkomst van de pseudokoper tot wapenverkoop zou zijn gekomen, bevestigt nog eens het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van A-3083 van 6 oktober 2007 (dossierpagina 31). Verdachte deelt blijkens dat proces-verbaal de pseudokoper ongevraagd mee dat, indien hij daarvoor belangstelling heeft, hij maar moet bellen om van verdachte meer wapens van allerlei soorten en maten geleverd te krijgen. Ook dit verweer kan derhalve niet slagen.

Bewezenverklaring

21. Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, eerste en tweede tekstblok, 2, 3, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 17 juni 2007 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade

[slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, achter voornoemde [slachtoffer] is aangerend en op korte afstand een vuurwapen op die [slachtoffer] heeft gericht en op de borst, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en

hij op 17 juni 2007 te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een vuurwapen van categorie II of categorie III (te weten het hiervoor bedoelde wapen) en

stuks munitie van categorie II of categorie III, te weten 6 patronen behorend bij voornoemd vuurwapen, voorhanden heeft gehad;

2.

hij op 6 oktober 2007 te Enschede, een vuurwapen van categorie III, te weten een zilverkleurig pistool, merk Zastava, kaliber 7.65, en munitie van categorie III, te weten 8 kogelpatronen, kaliber 7.65 (behorende bij voornoemd vuurwapen), heeft overgedragen aan een persoon;

3.

hij op 6 oktober 2007 te Enschede opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd, ongeveer 4,3 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

5.

hij op tijdstippen in de periode van 17 juni 2007 tot en met 5 oktober 2007 te Zutphen en Apeldoorn en Enschede en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

6.

hij op tijdstippen in de periode van 7 oktober 2007 tot en met 7 november 2007 te Zutphen en Zwolle, tezamen en in vereniging met anderen, vuurwapens van categorie II en categorie III, te weten een pistool (kaliber 9mm) en een enkelloops hagelgeweer (riotgun), en

stuks munitie van categorie II en categorie III heeft overgedragen aan een persoon.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

22. Wat meer of anders is ten las¬te gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

23. Het bewezene levert op de misdrijven:

Feit 1: medeplegen van poging tot moord en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, gepleegd en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, sub a van de Wet wapens en munitie.

Feit 3: handelen in strijd met artikel 2 aanhef, onder B van de Opiumwet, strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet.

Feit 5: medeplegen van handelen in strijd met artikel 2 aanhef, onder B van de Opiumwet, strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet, meermalen gepleegd.

Feit 6: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd en het feit onder meer begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, sub a van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

24. Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf

25. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaar, met aftrek van de tijd die door verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

26. De raadsman heeft gesteld dat de door hem bepleitte vrijspraak ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 4 en 6 maakt dat aanzienlijk moet worden afgeweken van de eis van de officier van justitie. Voorts is oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf bepleit, opdat verdachte na enige tijd een behandeling kan volgen bij Groot Batelaar.

27. De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

28. De rechtbank heeft bij haar straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - dat een poging tot moord en het voorhanden hebben en overdragen van wapens zeer ernstige feiten betreffen die maatschappelijke gevoelens van onveiligheid en onrust met zich meebrengen. Dat geldt in het bijzonder voor de poging tot moord, nu het daaraan voorafgaande schietincident plaatsvond in de binnenstad van Apeldoorn. Het bemiddelen bij het in omloop brengen van wapens vergroot de maatschap¬pelijke onveiligheid. Het voorhanden hebben van vuurwapens met bijbehorende muni¬tie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee. In het bijzonder weegt de rechtbank mee dat [slachtoffer] ernstig letsel is toegebracht door deze poging tot moord. Zijn lichamelijke integriteit is op zeer ernstige wijze geschonden. [slachtoffer] kampt nog steeds met de psychische en lichamelijke gevolgen van het handelen van verdachte.

29. Daarnaast heeft verdachte enige tijd in cocaïne gehandeld. Het is algemeen bekend dat cocaïne een gevaar vormt voor de volksgezondheid. Daarbij moet mede in aanmerking worden genomen dat het aldus in omloop brengen van cocaïne bijdraagt tot verslaving en bestaande verslavingen in stand houdt. Dat alles is onaanvaardbaar.

30. Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor bezit van, en handel in, drugs en wapens. Voorts heeft hij meerdere malen een gevangenisstraf van langere duur opgelegd gekregen, hetgeen verdachte er niet van heeft weerhouden nogmaals strafbare feiten te plegen. Daarbij rekent de rechtbank het verdachte ernstig aan dat hij de hier bewezen strafbare feiten heeft begaan gedurende een proeftijd. Deze loopt van 15 juli 2006 tot en met 14 juli 2008 en is verbonden aan een aan verdachte door de politierechter te Maastricht opgelegde voorwaardelijke straf voor een met het hier bewezenverklaarde verwant strafbaar feit, te weten mishandeling. Het is de rechtbank tenslotte gebleken dat verdachte geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden en zich derhalve ook thans nog niet bewust lijkt te zijn van de ernst van zijn daden en de gevolgen daarvan.

31. Op grond van het voorgaande vindt de rechtbank de oplegging van een lange gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden, waarbij is rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte van het onder 4 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

In beslag genomen voorwerpen

32. De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het bewezenverklaarde is begaan.

De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. De tussen haakjes achter de verschillende voorwerpen vermelde nummers verwijzen naar de aan dit vonnis gehechte beslaglijst:

- Garmin Nuvi navigator, kleur grijs (nr. 11)

- Alcatel E220x, telefoontoestel (nr. 12)

In beslag genomen voorwerpen

33. De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking tot welke het bewezenverklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

- Crvena Zastava Model 70 (nr. 4)

- Munitie (8 stuks), koperkleurig, kaliber 6.75 (nr. 5)

- Munitie (5 stuks) TZZ 87 (nr. 14)

- FN pistool 6.35 mm, pistool met houder en drie patronen (nr. 15)

- GEKO munitie (3 stuks), koperkleurig (nr. 16)

- Drugsweegschaal (nr. 17)

- Schilmes, kleur zwart (nr. 18)

- JS imitatie pistool (nr. 19)

- NOBEL hagel 12 s (nr. 20)

- WE trommel, kleur grijs (nr. 21)

- DVD mini, weegapparatuur verpakt in wit kartonnen doos (nr. 22)

- Schilmes, kleur zwart (nr. 23)

- Tas, met rol boterhamzakjes (nr. 24)

In beslag genomen voorwerpen

34. Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de na te melden voorwerpen aan de veroordeelde danwel de na te noemen rechthebbende.

Aan veroordeelde:

- MP-3 speler, merk Xiron (nr. 6)

- ABN Amro wereldpas (nr. 7)

- Rabobank pas, pasnummer [nummer] (nr. 8)

- Rabobank pas, pasnummer [nummer] (nr. 9)

- Orange simkaarthouder (nr. 10)

Aan de Staat der Nederlanden:

- 2 bankbiljetten van 100 euro

- 2 bankbiljetten van 50 euro

Aan Yeliz Koç:

- Volkswagen Golf, kenteken [kenteken].

Vordering tot schadevergoeding van [naam 2]

35. De benadeelde partij, [naam 2] te [adres], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2.500,00 gevoegd in het strafproces.

36. De officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

37. De rechtbank zal deze benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu deze vordering geen betrekking heeft op een ten laste gelegd feit en aan de benadeelde partij derhalve geen rechtstreekse schade is toegebracht door een bewezen verklaard feit, zoals bedoeld in artikel 361, tweede lid aanhef en sub b van het Wetboek van Strafvordering.

Vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer]

38. De benadeelde partij, [slachtoffer] te [adres], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 12.498,61 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde.

39. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een voorschot van immateriële schade van € 5.000,00 kan worden toegewezen en voor de overige posten acht zij het een bedrag van € 2.498,61 toewijsbaar.

40. De raadsman heeft gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, nu hij vrijspraak heeft bepleit ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit.

41. De rechtbank is van oordeel dat alle door de benadeelde partij gevorderde materiële schadeposten voor toewijzing in aanmerkingen komen, nu deze niet zijn betwist en goed zijn onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat een voorschot van € 7.500,00 toewijsbaar is. Vast staat dat de benadeelde partij schade heeft ondervonden, waarvoor de verdachte -naar burgerlijk recht- hoofdelijk aansprakelijk is. Slachtoffer zijn van een brute schietpartij als de onderhavige, met vergaande nadelige gevolgen voor de benadeelde partij, zowel op psychisch als lichamelijk gebied -de kogel bevindt zich nog altijd in het lichaam van de benadeelde partij, omdat het nog altijd te gevaarlijk is om deze te verwijderen- rechtvaardigt toewijzing van genoemd bedrag als voorschot.

Schadevergoedingsmaatregel

42. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 24, 27, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 45, 47, 57, 91 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, 26, 31 en 55 van de Wet wapens en munitie en

2, 10 en 13 van de Opiumwet.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 eerste en tweede tekstblok, 2, 3, 5, en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaar.

Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorge¬bracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, waarbij de vermelde nummers verwijzen naar de beslaglijst, te weten:

- Crvena Zastava Model 70 (nr. 4)

- Munitie (8 stuks), koperkleurig, kaliber 6.75 (nr. 5)

- Munitie (5 stuks) TZZ 87 (nr. 14)

- FN pistool 6.35 mm, pistool met houder en drie patronen (nr. 15)

- GEKO munitie (3 stuks), koperkleurig (nr. 16)

- Drugsweegschaal (nr. 17)

- Schilmes, kleur zwart (nr. 18)

- JS imitatie pistool (nr. 19)

- NOBEL hagel 12 s (nr. 20)

- WE trommel, kleur grijs (nr. 21)

- DVD mini, weegapparatuur verpakt in wit kartonnen doos (nr. 22)

- Schilmes, kleur zwart (nr. 23)

- Tas, met rol boterhamzakjes (nr. 24)

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, waarbij de vermelde nummers verwijzen naar de beslaglijst, te weten:

- Garmin Nuvi navigator, kleur grijs (nr. 11)

- Alcatel E220x, telefoontoestel (nr. 12)

Gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan veroordeelde, waarbij de vermeldde nummers verwijzen naar de beslaglijst, te weten:

- MP-3 speler, merk Xiron (nr. 6)

- ABN Amro wereldpas (nr. 7)

- Rabobank pas, pasnummer [nummer] (nr. 8)

- Rabobank pas, pasnummer [nummer] (nr. 9)

- Orange simkaarthouder (nr. 10)

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan de rechthebbende de Staat der Nederlanden, de vermelde nummers verwijzen naar de beslaglijst, te weten:

- 2 bankbiljetten van 100 euro (nr. 1)

- 2 bankbiljetten van 50 euro (nr. 2)

Gelast de teruggave van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp aan de rechthebbende de Staat der Nederlanden, het vermeldde nummer verwijst naar de beslaglijst, te weten:

- Volkswagen Golf, kenteken [kenteken] (nr. 3)

Verklaart de benadeelde partij [naam 2] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] te [adres] (bankrekeningnummer [nummer]), van een bedrag van € 9.998,61, vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 9.998,61, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 79 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mrs. De Bie, voorzitter, Gilhuis en Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Soest, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 mei 2008.