Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD2340

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
23-05-2008
Datum publicatie
23-05-2008
Zaaknummer
06/580328-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte is onder meer veroordeeld voor een poging tot moord samen met meerderjarige medeverdachte (zie uitspraak LJNummer BD2341) en verboden wapenbezit. De rechtbank legt de verdachte 18 maanden jeugddetentie op en plaatsing in een jeugdinrichting. Verder veroordeelt de rechtbank de beide verdachten tot het betalen van een schadevergoeding aan het slachtoffer van 9998,61 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/580328-07

Uitspraak d.d.: 23 mei 2008

tegenspraak / dip / oip

VONNIS

in de zaak tegen de minderjarige:

[verdachte],

geboren te [plaats 1991],

wonende te [adres],

thans verblijvende in de justitiële jeugdinrichting De Hunnerberg te Nijmegen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 februari

2008 en 9 mei 2008.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meerdere tijdstippen op of omstreeks 17 juni 2007 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- achter voornoemde [slachtoffer 1] is/zijn aangerend en/of

- (uit stilstand en/of op korte afstand) een vuurwapen op die [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht en/of

- (meermalen) op de borst, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op of omstreeks 17 juni 2007 te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- een vuurwapen van categorie II en/of categorie III (te weten het wapen van de onder feit 1 primair genoemde strafbepaling), en/of

- meerdere, althans (een) stuk(s) munitie van categorie II en/of categorie III, te weten 6 patronen behorend bij voornoemd vuurwapen,

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet Wapens en Munitie

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 08 november 2007 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool, merk FN , kaliber 6.35 en/of

- meerdere, althans (een) stuk(s) munitie van categorie III, te weten 3 patronen, kaliber 6.35 (behorend bij het vuurwapen merk FN) en/of 5 (kogel)patronen, kaliber 9mm, merk TZZ 87,

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3.

hij op of omstreeks 06 april 2007 te Apeldoorn [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd :"ik steek jullie allemaal neer en/of ik schiet jullie allemaal neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking;

(parketnummer 06/850927-07)

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Standpunt openbaar ministerie

1. De officier van justitie heeft tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten geconcludeerd.

Standpunt verdediging

2. Namens verdachte is vrijspraak bepleit van het onder één ten laste gelegde, omdat verdachte weliswaar tijd had om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, maar daartoe op dat moment niet (meer) in staat was, wegens daaraan voorafgaand excessief drank- en drugsgebruik.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat evenmin sprake is van bewijs voor een poging tot doodslag, omdat het opzet van verdachte niet, ook niet in de voorwaardelijke vorm, gericht is geweest op het doden van een persoon. Daarbij moet worden bedacht dat verdachte meende dat hij met het gebruikte pistool, dat klein van omvang was en waarvan hij weliswaar wist dat het was geladen, nimmer levensgevaarlijk letsel, laat staan de dood, kon toebrengen. Bij dat alles mag niet uit het oog worden verloren dat verdachte een niet-geoefend schutter is.

3. Ten aanzien van het onder twee ten laste gelegde refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

4. Namens verdachte is vrijspraak bepleit van het onder drie ten laste gelegde. Verdachte heeft dingen gezegd die hij niet meende. Daarbij komt dat onvoldoende duidelijk is geworden wat verdachte nu tegen beide aangevers heeft gezegd.

Bespreking standpunten ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

5. De raadsman heeft aangevoerd -samengevat- dat verdachtes drugs- en excessieve alcoholgebruik aan bewezenverklaring van voorbedachte raad in de weg staat. De rechtbank kan de mogelijke gevolgen van dat gebruik voor de voorbedachte raad in het midden laten, nu niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich in de door de raadsman geschetste -uitsluitend op niet consistente opgaven van verdachte gebaseerde- toestand heeft bevonden.

6. Naar het oordeel van de rechtbank is er voldoende wettig en overtuigend bewijs om voorbedachte raad aanwezig te achten. Deze voorbedachte raad blijkt uit de volgende omstandigheden. Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] hebben in de week voorafgaand aan 17 juni 2007 het plan besproken om wraak te nemen op een groep uit Utrecht afkomstige Marokkanen die het weekend ervoor [medeverdachte] had mishandeld. Daarbij is ook besproken dat [medeverdachte] een pistool zou meenemen. [medeverdachte] heeft daadwerkelijk een geladen pistool meegenomen op zaterdagavond 17 juni 2007. Dit pistool heeft hij voor de discotheek Urban aan verdachte gegeven, die het heeft aangenomen, bekeken en in zijn jas heeft gestopt. Vervolgens heeft medeverdachte [medeverdachte], zoals afgesproken, een vechtpartij met de groep Marokkanen uitgelokt en geïnitieerd. In die vechtpartij is verdachte met het pistool in zijn jaszak achter die groep Marokkanen aangerend richting de Nieuwstraat. Aan het begin van de Korte Nieuwstraat heeft de verdachte al rennend het pistool uit zijn jaszak gehaald en de safe van het pistool afgehaald. Vervolgens heeft hij, volgens zijn eigen verklaring ter terechtzitting en bij de politie, twee schoten gelost. Het eerste schot in de lengterichting van de straat en het tweede schot naar opzij.

Weliswaar heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij degene(n) op wie hij schoot alleen maar bang wilde maken. De verdachte heeft echter door gericht (van een korte afstand) op het slachtoffer te schieten bewust willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij hem zou doden. Dat het slachtoffer ook bijna is overleden blijkt uit de kritieke toestand waarin hij heeft verkeerd, nadat hij was geraakt. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet gericht (en ook niet met gestrekte arm) heeft geschoten op het slachtoffer. Deze verklaring ter zitting strookt echter niet met zijn verklaring bij de politie dat hij één keer gericht op een Marokkaan opzij van hem heeft geschoten (p. 549). De rechtbank houdt de verdachte aan zijn bij de politie afgelegde verklaring, nu ook zowel het slachtoffer, medeverdachte [medeverdachte] als de getuige [getuige 1] hebben verklaard dat de verdachte met gestrekte arm in de richting van het slachtoffer heeft geschoten. Het feit dat [verdachte] een ongeoefend schutter zou zijn maakt niet dat er geen sprake van voorbedachte raad is. Ook wanneer een ongeoefend schutter gericht (van korte afstand) op het lichaam van een ander schiet, aanvaardt hij willens en wetens de aanmerkelijke kans dat hij een dodelijk schot lost.

Het verweer dat verdachte niet zou hebben geweten dat een klein pistool (met kleine

kogeltjes) dodelijk kon zijn, wordt verworpen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat schieten met een vuurwapen letsel kan toebrengen en mogelijk de dood tot gevolg heeft. De rechtbank is van oordeel dat aan de grootte van het wapen niet afgeleid kan worden dat geen (dodelijk) letsel toegebracht kan worden. Daarbij komt dat verdachte van [medeverdachte] wist dat deze een pistool zou meenemen en dat hij zelf ter terechtzitting heeft verklaard dat hij het even heeft bekeken, toen hij het van [medeverdachte] kreeg, en dat hij zich ervan heeft vergewist dat het een echt pistool, te weten een 6.35, en doorgeladen was.

Uit het hiervoor overwogene volgt tevens dat verdachte de bewezenverklaarde poging tot moord tezamen en in vereniging met [medeverdachte] heeft gepleegd.

Bewijsmotivering van het onder 1 ten laste gelegde

7. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hierna weergegeven bewijsmiddelen het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0620/07-308056, gesloten en getekend d.d. 20 januari 2007.

De bewijsmiddelen zijn te vinden in de volgende stukken:

a. Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] (dossierpagina 940-946);

b. Medische verklaring [slachtoffer 1] (dossierpagina 946-949);

c. Proces-verbaal sporenonderzoek (dossierpagina 249-251);

d. Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] (dossierpagina 420-427);

e. Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] (dossierpagina 669-680);

f. Proces-verbaal van verhoor van verdachte (dossierpagina 549-553);

f. De verklaring van verdachte ter terechtzitting.

8. Uit deze bewijsmiddelen worden de volgende redengevende feiten en omstandigheden afgeleid:

9. In het weekend van 17 juni 2007 is verdachte betrokken geweest bij een vechtpartij in de discotheek Urban in Apeldoorn. Na een confrontatie met de groep jongeren en een groep vrienden van verdachte vond een vechtpartij plaats, waarna de groep jongeren wegrende. Verdachte en diens vrienden renden daar achteraan. Verdachte [verdachte], die inmiddels in het bezit was van het wapen van medeverdachte [medeverdachte], heeft geschoten op de groep, waarmee hij [slachtoffer 1] heeft geraakt en letsel toegebracht.

10. Aangever heeft verklaard dat de jongen met het pistool zijn arm uitstrekte en dat hij zag dat die jongen richtte op de groep Marokkanen. Voorts keek hij de jongen met het pistool recht in zijn gezicht en zag hij dat die jongen het pistool op hem richtte en hoorde hij een knal (dossierpagina 944). Gelijk voelde hij in zijn linkerarm een soort krampgevoel, waardoor hij besefte dat hij geraakt was. Uit de medische gegevens van aangever blijkt dat hij een schotwond heeft aan de linker bovenarm en geen exit-wound, hetgeen betekent dat de kogel zich nog in het lichaam van aangever bevindt (dossierpagina 947).

11. [getuige 1] verklaart, dat toen hij de hoek om kwam lopen hij als eerste verdachte zag staan. Hij zag dat verdachte met gestrekte arm in de richting van de andere kant van de straat wees en daar een jongen stond (dossierpagina 275). Vervolgens hoorde hij een knal en hoorde hij dat de jongen zei dat hij getroffen was en dat er een ambulance gebeld moest worden (dossierpagina 275). Medeverdachte [medeverdachte] heeft eveneens verklaard dat verdachte met gestrekte hand in de richting van de jongen heeft geschoten (dossierpagina 423). Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij een Marokkaan opzij zag lopen en dat hij op hem gericht en geschoten heeft (dossierpagina 551).

12. Voorts zijn er op de plaatsdelict drie patroonhulzen aangetroffen (dossierpagina 249). Uit het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt dat het drie hulzen van een kaliber 6.35 Browning betreft, die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid met hetzelfde vuurwapen zijn verschoten (dossierpagina 275).

13. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij geschoten heeft om de groep jongeren bang te maken en dat hij niet gericht op het slachtoffer heeft geschoten.

Bewijsmotivering van het onder 2 ten laste gelegde

14. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hierna weergegeven bewijsmiddelen het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0620/07-308056, gesloten en getekend d.d. 20 januari 2007.

15. De bewijsmiddelen zijn te vinden in de volgende stukken:

a. Proces-verbaal van ambtelijk verslag ten aanzien van de inbeslagname van een wapen (dossierpagina 204-208);

b. De verklaring van verdachte ter terechtzitting.

Bewijsmotivering van het onder 3 ten laste gelegde

16. De vindplaatsvermeldingen, voorkomende in de - navolgende - overwegingen ten aanzien van het bewijs, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0620/07-205480, gesloten en getekend d.d. 4 juli 2007.

De bewijsmiddelen zijn te vinden in de volgende stukken:

a. Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] (dossierpagina 13-15);

b. Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] (dossierpagina 21-24);

c. Proces-verbaal van verhoor van [vriendin verdachte] (dossierpagina 16-17);

d. Proces-verbaal van verhoor van verdachte (dossierpagnia 18-20).

17. Uit deze bewijsmiddelen worden de volgende redengevende feiten en omstandigheden afgeleid:

18. Verdachte was op 6 april 2007 in de kamer van [vriendin verdachte] aan de [adres] in Apeldoorn. Die avond had verdachte ruzie met [vriendin verdachte]. [vriendin verdachte] had van haar buurmeisjes gehoord dat verdachte de nacht ervoor bezoek had ontvangen van een vrouw. [vriendin verdachte] heeft toen tegen verdachte gezegd dat hij moest opkankeren (dossierpagina 16). Verdachte liep toen de kamer uit, naar de buurmeisjes toe. Hij en die meisjes stonden tegen elkaar te schreeuwen. [vriendin verdachte] heeft hem iets horen zeggen van: “Ik pak jullie nog wel” (dossierpagina 17).

19. Aangeefster [slachtoffer 2] is de buurvrouw van [vriendin verdachte] (en verdachte). Zij zat op 6 april 2007 samen met [slachtoffer 3] thuis op de bank. Toen zag zij de buurman in de keuken staan die tegen haar begon te schreeuwen. Op een gegeven moment nam hij volgens haar een agressieve houding aan en deed zij de deur op slot. Toen hoorde ze verdachte zeggen: “Ik heb een pistool en schiet je neer”. Hij herhaalde dit tegen haar en haar vriendin [slachtoffer 3] (dossierpagina 14). Aangeefster [slachtoffer 3] bevestigt dit en stelt dat zij verdachte hoorde schreeuwen: “Ik steek jullie allemaal neer en ik schiet jullie allemaal neer” (dossierpagina 22).

20. Verdachte heeft verklaard dat hij misschien iets over een pistool, en dat hij zou schieten heeft gezegd. Hij kan het zich voorstellen dat de twee vrouwen zich als gevolg daarvan door hem bedreigd voelden (dossierpagina 19 en 20).

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 17 juni 2007 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, achter voornoemde [slachtoffer 1] is aangerend en op korte afstand een vuurwapen op die [slachtoffer 1] heeft gericht en op de borst, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

en

hij op 17 juni 2007 te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een vuurwapen van categorie II of categorie III (te weten het hiervoor bedoelde wapen), en stuks munitie van categorie II of categorie III, te weten 6 patronen behorend bij voornoemd vuurwapen, voorhanden heeft gehad;

2.

hij op 8 november 2007 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander, een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool, merk FN , kaliber 6.35 en meerdere, stuks munitie van categorie III, te weten 3 patronen, kaliber 6.35 (behorend bij het vuurwapen merk FN) en 5 kogelpatronen, kaliber 9mm, merk TZZ 87, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 6 april 2007 te Apeldoorn [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik steek jullie allemaal neer en ik schiet jullie allemaal neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

21. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders onder 1, 2 en 3 is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

22. Het bewezene levert op de misdrijven:

Feit 1: medeplegen van poging tot moord en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd en het feit eenmaal begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

23. Omtrent de persoon van verdachte is een multidisciplinair onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport gedateerd 28 januari 2008 van

drs. H.C. Schoenmaker (GZ-psycholoog), alsmede in een rapport gedateerd 14 januari 2008 opgemaakt door drs. P.M. Boeting (kinder- en jeugdpsychiater). De rechtbank neemt de conclusies van deze rapporten over, inhoudende dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

24. Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

25. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van achttien maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna PIJ-maatregel) op te leggen.

26. De raadsman heeft bepleit dat oplegging van de PIJ-maatregel niet aan de orde is, aangezien hij vrijspraak ten aanzien van feit 1 en 3 heeft bepleit. Voor oplegging van de PIJ-maatregel geldt als voorwaarde dat voorlopige hechtenis is toegelaten, waarvan pas sprake kan zijn indien de rechtbank oordeelt dat naast het onder 2 ten laste gelegde ook het onder drie ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Indien dat het geval is, is het opleggen van de PIJ-maatregel niet opportuun aangezien deze maatregel een ultimum remedium is en de aard en ernst van de bedreiging onvoldoende zijn om een dergelijke maatregel op te leggen.

27. De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

28. Verdachte heeft een wapen voorhanden gehad, dat hij van zijn medeverdachte overhandigd heeft gekregen. Daarmee heeft verdachte (gericht) geschoten en vervolgens [slachtoffer 1] geraakt en ernstig letsel toegebracht. Door deze poging tot moord is de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] geschonden en de rechtsorde ernstig geschokt. [slachtoffer 1] kampt nog steeds met de psychische en lichamelijke gevolgen van het handelen van verdachte. Verdachte heeft door het schieten met een wapen in de binnenstad van Apeldoorn ook anderen in gevaar gebracht, te meer nu hij heeft geschoten in de richting van een groep jongeren. De omstan¬digheid dat het slachtoffer het leven niet heeft verloren is een gelukkige, die geenszins aan verdachte is te danken. Ook dat buiten het slachtoffer geen andere slachtoffers gevallen zijn, is een gelukkige omstandigheid, die geenszins aan verdachte is te danken.

29. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie van nader te noemen duur op zijn plaats is.

30. Voorts is de rechtbank gebleken dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden en zich nog altijd evenmin bewust is van de gevolgen van het voorhanden hebben van een wapen als hiervoor bedoeld.

31. Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven zelf geen begeleiding en hulp nodig te hebben. Dit is echter ter zitting tegengesproken door zijn moeder en eveneens in de schriftelijke adviezen van de reclassering, van de hand van de psycholoog drs. H.C. Schoenmaker en de psychiater drs. P. Boeting.

32. Uit het rapport van drs. H.C. Schoenmaker blijkt dat bij verdachte reeds vanaf de basisschoolleeftijd sprake is van grensoverschrijdend en agressief gedrag in combinatie met drugsgebruik. Er is sprake van een gedragsstoornis beginnend in de kindertijd, in combinatie met een chronisch misbruik van cannabis. De recidivekans met betrekking tot het onderhavige gedrag is groot. Terugkijkend op de delicten is verdachte niet in staat te reflecteren op zijn gedrag en heeft hij geen enkel oog voor de gevolgen voor het slachtoffer. Behandeling is dringend noodzakelijk. Verdachte is gebaat bij een langdurige behandeling in een sterk gestructureerde orthopedagogische voorziening met duidelijke controle en een gedragsmatige insteek, die aansluit bij zijn cognitieve niveau. Gestart zal moeten worden met plaatsing in een ge/besloten groep. Drs. Schoenmaker adviseert deze behandeling te laten plaats vinden in het kader van een PIJ-maatregel.

33. Uit het rapport van drs. Boeting blijkt eveneens dat het risico op herhaling als groot wordt ingeschat. Verdachte heeft geen inzicht in zijn beperkingen en er is sprake van een fors verstoorde agressieregulatie, gebrek aan empathie en een zeer gebrekkige gewetensfunctie. Hij heeft een behandeling nodig, die gericht moet zijn op het trainen van gewenst gedrag, grenzen, regels, normen, waarden en het verbeteren en vergroten van zijn sociale vaardigheden en voorkomen van agressieve impulsdoorbraken. Hij lijkt vooral baat te hebben bij een structurerende, gedragsmatige aanpak en behandeling. Een langdurige behandeling in een orthopedagogische leefgroep voor jongeren binnen een justitiële voorziening wordt aanbevolen.

34. Met de beschouwingen en de adviezen kan de rechtbank zich verenigen. De rechtbank heeft tevens vastgesteld dat aan de voorwaarden van artikel 77s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is voldaan, waarbij zij met name nog het herhalingsgevaar in ogenschouw heeft genomen. Zij acht mede op grond van het bovenstaande het opleggen van een PIJ-maatregel passend en geboden, teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, dan wel op doeltreffende wijze te kunnen ingrijpen.

Vordering tot schadevergoeding

35. De benadeelde partij, [naam 1], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2.500,00 gevoegd in het strafproces.

36. De officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

37. Deze benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, nu deze vordering geen betrekking heeft op een ten laste gelegd feit en aan de benadeelde partij derhalve geen rechtstreekse schade is toegebracht door een bewezen verklaard feit, zoals bedoeld in artikel 361, tweede lid aanhef en sub b van het Wetboek van Strafvordering.

38. De benadeelde partij, [slachtoffer 1], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 12.498,61 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde.

39. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een voorschot van immateriële schade van € 5.000,00 kan worden toegewezen en voor de overige materiële schadeposten acht zij het een bedrag van € 2.498,61 toewijsbaar.

40. De raadsman van verdachte heeft de genoemde bedragen op de posten inschrijfgeld, lesgeld en boekengeld betwist. Hij voert aan dat onvoldoende duidelijk is gemaakt of de benadeelde partij moeite heeft gedaan om desbetreffende bedragen terug te vragen bij de school. Ten aanzien van de boeken merkt hij op dat deze volgend jaar alsnog gebruikt kunnen worden. De raadsman verzoekt de bedragen op de genoemde posten af te wijzen. Voorts heeft hij zich, ten aanzien van de immateriële schade op het standpunt gesteld dat dit gedeelte van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze binnen het strafgeding kan worden afgedaan. De benadeelde partij zal op dit punt in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden met de mogelijkheid deze vordering in te dienen bij de burgerlijk rechter.

41. De rechtbank is van oordeel dat alle door de benadeelde partij gevorderde materiële schade voor toewijzing in aanmerking komt. Dit geldt ook voor de door de raadsman betwiste posten, nu niet is betwist en is onderbouwd dat de benadeelde partij deze kosten heeft gemaakt en niet is vast komen te staan dat hij deze bedragen heeft teruggekregen, dan wel terug zal krijgen. Ten aanzien van de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat een voorschot van € 7.500,00 toewijsbaar is. Vast staat dat de benadeelde partij (immateriële) schade heeft ondervonden, waarvoor verdachte -naar burgerlijk recht- hoofdelijk aansprakelijk is. Slachtoffer zijn van een brute schietpartij als de onderhavige, met vergaande nadelige gevolgen voor de benadeelde partij, zowel op psychisch als op lichamelijk gebied -de kogel bevindt zich nog altijd in het lichaam van de benadeelde partij, omdat het nog altijd te gevaarlijk is om deze te verwijderen- rechtvaardigt toewijzing van genoemd bedrag als voorschot.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 27, 45, 47, 57, 77a, 77i, 77s, 77gg, 91, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 Wet wapens en munitie.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorge¬bracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht.

Legt aan verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Verklaart de benadeelde partij [naam 1] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] te [plaats] (bankrekeningnummer [nummer]) van een bedrag van € 9.998,61, vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Aldus gewezen door mrs. Gilhuis, voorzitter, tevens plaatsvervangend kinderrechter, De Bie en Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Soest, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 mei 2008.