Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD1891

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
19-05-2008
Zaaknummer
07/1320
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BH1848, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In dit beroep ligt ter beoordeling voor of verweerder bij besluit van 22 maart 2007 de stillegging van de sloopwerkzaamheden op het perceel aan de Watsteeg te 's-Heerenberg heeft gehandhaafd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. Het beroep is ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 07/1320

Uitspraak in het geding tussen:

[naam] Bouw B.V., [eisers], eisers,

te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Montferland,

verweerder.

1. Bestreden besluit

Besluit van verweerder van 22 maart 2007.

2. Feiten en procesverloop

Bij besluit van 23 november 2006 zijn de sloopwerkzaamheden op het perceel aan de de Watsteeg te 's-Heerenberg stilgelegd, aangezien eiseres niet in het bezit was van een daartoe vereiste vergunning.

Bij brief van 1 december 2006 heeft mr. X. Visscher namens eisers een bezwaarschrift ingediend bij verweerder gericht tegen dat besluit.

Bij besluit van 15 december 2006 heeft verweerder de stillegging van de sloopwerkzaamheden opgeheven.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar, overeenkomstig het advies van de Commissie voor bezwaarschriften Montferland, ongegrond verklaard.

Namens eisers heeft mr. Visscher bij brief van 7 augustus 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank op de in de brief van 4 september 2007 vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is, gevoegd met het beroep, geregistreerd als 07/1370, behandeld ter zitting van 26 februari 2008, waar eiser [eiser A] is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Broekman en V.A.A.M. Jansen, ambtenaren van de gemeente.

3. Motivering

3.1 Ter beoordeling ligt allereerst voor of eisers kunnen worden ontvangen in het beroep.

3.2 Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8 van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:41 van de Awb, voor zover van belang, geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Ingevolge artikel 6:17 van de Awb zendt, indien iemand zich laat vertegenwoordigen, het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde.

Ingevolge artikel 2:1, eerste lid, van de Awb kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

3.3 Verweerder heeft betoogd dat eisers niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in het beroep. Verweerder voert hiertoe aan dat het bestreden besluit van 22 maart 2007 op 27 maart 2007 aan eiseres ter attentie van eisers (zelf) is verzonden en dat pas op 7 augustus 2007 bij de rechtbank beroep is ingesteld. Dat het besluit pas op 3 augustus 2007 aan de raadsman van eisers is verstuurd, levert volgens verweerder geen verschoonbare termijnoverschrijding op, nu uit het ingediende bezwaarschrift blijkt dat de raadsman niet als gemachtigde van eisers optrad, maar dat hij eisers slechts bijstond in de procedure.

3.4 De rechtbank volgt verweerder niet in dit betoog, waartoe het volgende wordt overwogen.

Gelet op het bezwaarschrift van 1 december 2006 en het in aanwezigheid van eisers [eiser A] en [eiser B] en ten behoeve van eiseres [naam] Bouw B.V. optreden van mr. Visscher op de hoorzitting van de commissie voor de bezwaarschriften op 31 januari 2007 moet mr. Visscher ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar als gemachtigde van eisers worden aangemerkt.

Uit artikel 2:1 van de Awb in samenhang met artikel 6:17 van de Awb en de wetsgeschiedenis vloeit voort dat het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact met een belanghebbende in beginsel via de gemachtigde loopt en dat, indien een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt toegezonden, sprake is van een bekendmaking op de voorgeschreven wijze. Hiervoor is niet doorslaggevend of het besluit, zoals verweerder stelt, daarnaast ook aan eisers zelf is gestuurd. Hiertoe wordt verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 24 oktober 2007 (AB 2008, 3).

Nu het bestreden besluit op 3 augustus 2007 is verzonden naar de gemachtigde van eisers en hij op 7 augustus 2007 beroep heeft ingesteld, is het beroep tijdig ingediend.

3.5 De rechtbank ziet in de omstandigheid dat bij brief van 15 december 2006 is besloten tot opheffing van de stillegging van de sloopwerkzaamheden op het perceel in geding evenmin grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Naar haar oordeel hebben eisers nog procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit, nu zijdens eisers in bezwaar is aangevoerd dat zij ten gevolge van het besluit tot stillegging van de sloopwerkzaamheden schade hebben geleden.

3.6 De rechtbank zal derhalve overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.7 Ingevolge artikel 100, derde lid, van de Woningwet (Wow) vindt toepassing van bestuursdwang, voor zover van belang, bestaande uit het stilleggen van werkzaamheden, indien wordt gesloopt in strijd met de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften, slechts plaats in bij de bouwverordening aangewezen gevallen en overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften.

Ingevolge artikel 8.1.1 van de Bouwverordening Montferland 2006 (hierna: Bouwverordening) is het verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 11.3, aanhef en onder a, van de bouwverordening zijn burgemeester en wethouders bevoegd sloopwerkzaamheden stil te leggen, indien er wordt gesloopt zonder sloopvergunning, als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid, van deze verordening.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang. Ingevolge het tweede lid wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Ingevolge artikel 5:21 van de Awb wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Ingevolge artikel 5:24, eerste lid, van de Awb wordt een beslissing tot toepassing van bestuursdwang op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing is een beschikking.

Ingevolge het derde lid geschiedt de bekendmaking, voor zover relevant, aan de overtreder.

3.8 De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat eiser [eiser A] enig aandeelhouder is van [naam] Beheer B.V., welke vennootschap enig aandeelhouder van eiseres [naam] Bouw B.V. is. Niet is in geschil dat eisers ten tijde van het primaire besluit tot stillegging van de sloopwerkzaamheden niet beschikten over een sloopvergunning als bedoeld in artikel 8.1.1 van de bouwverordening. Naar vaste jurisprudentie, waaronder een uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2005 (JM 2005, 79, is overtreder degene die het te handhaven voorschrift daadwerkelijk schendt. Niet is in geschil dat eiseres uitvoerder en eiser [eiser A] opdrachtgever was van de sloopwerkzaamheden. Daarmee is, anders dan eisers menen, gegeven dat eiseres (mede) als overtreder van artikel 8.1.1 van de bouwverordening moet worden aangemerkt. Verweerder had dan ook de bevoegdheid om eiseres, ter attentie van eiser [eiser A], tot stillegging van de sloopwerkzaamheden te gelasten. Dat eiseres het, naar zij stelt, zelf niet in haar macht had om de overtreding te beƫindigen, leidt op zichzelf niet tot het oordeel dat zij niet als overtreder in vorenbedoelde zin dient te worden aangemerkt. Overigens is gebleken dat is voldaan aan de last tot stillegging.

3.9 Vervolgens komt de vraag aan de orde of verweerder gebruik heeft kunnen maken van de hem in beginsel toekomende bevoegdheid tot stillegging van de sloopwerkzaamheden. Daartoe wordt het navolgende overwogen.

3.10 Gelet op het algemeen belang dat met handhaving is gediend, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

3.11 Van zodanige bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. Gelet op de aard en het beoogde doel van de zogeheten sloopstop kon verweerder in dit geval afzien van onderzoek naar de mogelijkheid van legalisatie. De uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 100, derde lid, van de Wow is volgens vaste rechtspraak immers bij uitstek gericht op onmiddellijke stillegging van de met de wet strijdige sloopwerkzaamheden. Anders dan door eisers is betoogd, behoefde verweerder eiseres voorafgaande aan het besluit tot stillegging niet in de gelegenheid te stellen zelf de sloopwerkzaamheden te (doen) staken dan wel alsnog over te gaan tot overschrijving van de aan Vechtland B.V. bij besluit van 11 juli 2006 verleende sloopvergunning. Hieraan doet niet af dat verweerder ervan op de hoogte was dat de vergunning op naam van eiser [eiser A] zou komen te staan. Dat de stillegging onevenredig hoge kosten voor eiseres met zich brengen, vormt naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheid in evenbedoelde zin. Door het aanvangen van de sloopwerkzaamheden door eiseres zonder de daartoe vereiste vergunning heeft zij welbewust het risico genomen dat daartegen handhavend zou worden opgetreden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het belang van eiseres bij spoedige voltooiing van de sloopwerkzaamheden vanwege mogelijke uit privaatrechtelijke afspraken voortvloeiende financiƫle gevolgen niet opweegt tegen het algemeen belang dat is gediend met handhaving van wettelijke voorschriften. De eerst ter zitting geponeerde stelling van eiser [eiser A] dat de sloopwerkzaamheden ten tijde van de oplegging van de sloopstop volledig waren voltooid, vindt geen steun in het dossier. Het betoog dat verweerder om deze reden niet de bevoegdheid toekwam om de sloopstop op te leggen, wordt dan ook verworpen.

3.12 Gelet op het vorenoverwogene heeft verweerder in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid tot stillegging van de sloopwerkzaamheden op het perceel in geding. Hetgeen anderszins door eisers is aangevoerd, behoeft geen bespreking.

3.13 Het beroep is derhalve ongegrond. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.

4. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. A.H.J.J. van de Wetering en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2008 in tegenwoordigheid van mr. F.S. Zwerwer als griffier.