Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD1118

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
07-05-2008
Zaaknummer
06-850047-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging tot doodslag. Beroep op noodweer en noodweerexces slaagt niet.

Veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. (promis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/850047-08

Uitspraak d.d.: 7 mei 2008

tegenspraak/ dnip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats 1978] ,

wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

23 april 2008.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij,

op of omstreeks 19 november 2007, te 's-Heerenberg, gemeente Montferland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een (honkbal)knuppel althans met een hard voorwerp, meermalen althans eenmaal, op en/of tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij,

op of omstreeks 19 november 2007, te 's-Heerenberg, gemeente Montferland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] een of meermalen met een (honkbal)knuppel, althans met een hard voorwerp, meermalen althans eenmaal, op en/of tegen het hoofd en/of lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij,

op of omstreeks 19 november 2007 te 's-Heerenberg, gemeente Montferland,

opzettelijk mishandelend [slachtoffer] een of meermalen met een (honkbal)knuppel,

althans met een hard voorwerp, op en/of tegen het hoofd en/of het op lichaam

heeft geslagen, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk

letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan (Eindnoot 1)

Standpunten openbaar ministerie en verdediging

1. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder primair tenlastegelegde.

2. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte aangever [slachtoffer] één keer met de honkbalknuppel op het hoofd heeft geslagen. De honkbalknuppel heeft verdachte op de trap in het flatgebouw kapotgeslagen en niet op het hoofd van aangever [slachtoffer] zoals getuige [getuige 1] heeft verklaard. Het is volgens de verdediging de vraag of [getuige 1] wel alles kon zien, nu hij via het balkon is ontsnapt en aan het balkon hing.

Bespreking van de standpunten

3. De rechtbank overweegt ten aanzien van het slaan met de honkbalknuppel als volgt. Getuige [getuige 1] heeft op 20 november 2007 bij de politie verklaard dat hij is weggerend naar het balkon en dat hij het balkon is overgeklommen naar het balkon van de benedenverdieping. Hij hing even aan het balkon, omdat hij eerst naar beneden wilde springen. Hij heeft verklaard dat hij vanuit die positie kon zien wat er in het trapgat bij de voordeur van [verdachte] gebeurde. Hij zag dat [slachtoffer] naar de buitendeur rende en dat verdachte hem narende. Hij zag dat [slachtoffer] op de trap struikelde. Hij bleef bij de voordeur van de benedenburen voor de trap liggen. Getuige [getuige 1] heeft ten slotte verklaard dat [verdachte] [slachtoffer] met een kleine honkbalknuppel drie keer heel hard op zijn achterhoofd sloeg. Bij de derde klap zag [getuige 1] dat die knuppel brak en dat verdachte [slachtoffer] nog een of twee keer tegen zijn hoofd schopte (Eindnoot 2). Bovendien heeft verdachte bij de politie zelf verklaard dat hij [slachtoffer] twee of drie keer op zijn achterhoofd heeft geslagen en dat na de laatste keer de honkbalknuppel kapot ging(Eindnoot 3). Gelet op deze verklaringen en gelet op de verwonding van [slachtoffer], te weten 7 hechtingen in het hoofd, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte het slachtoffer meer dan één keer met de honkbalknuppel heeft geslagen.

Bewijsmiddelen

4. De hierna opgenomen bewezenverklaring is gebaseerd op de verklaringen van verdachte bij de politie (Eindnoot 4) en ter terechtzitting, de verklaring van [slachtoffer] (Eindnoot 5) , de verklaring van getuige [getuige 1] (Eindnoot 6) en de verklaringen van getuige [getuige 2] (Eindnoot 7) .

Bewezenverklaring

5. Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 19 november 2007, te 's-Heerenberg, gemeente Montferland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een (honkbal)knuppel meermalen op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten las¬te gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Verweer strafuitsluitingsgrond

6. De verdediging heeft ter terechtzitting een beroep gedaan op noodweer, althans noodweerexces. Daartoe is aangevoerd dat er sprake is geweest van een noodweersituatie. Verdachte verkeerde in een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door het traangas dat in zijn gezicht werd gespoten en de bedreiging met messen. Verdachte trad buiten zichzelf. De eisen van proportionaliteit dan wel subsidiariteit waren volledig uit het ogen verloren. Het enige wat verdachte voor ogen had was dat de overvaller uit zijn woning moest vertrekken, aldus de verdediging.

7. Door de officier van justitie is hier tegenover gesteld dat een tegenaanval geen noodweer oplevert. Dat verdachte zich in zijn woning wilde verdedigen is gelet op de omstandigheden gerechtvaardigd, maar toen [slachtoffer] en zijn mededader wilden vluchten en zij buiten de woning van verdachte stonden was op dat moment de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding beëindigd. Dat verdachte tijdens en kort na de aanranding in de war is wordt door de officier van justitie niet uitgesloten, maar het is aannemelijk dat verdachte zich weer emotioneel in de hand had toen hij in de hal van zijn flatgebouw stond. De officier van justitie verwijst daartoe naar de exacte beschrijving die verdachte bij de politie heeft gegeven van onder meer het gebeurde in de hal en de positie van [slachtoffer]. Het verweer dient naar het oordeel van de officier van justitie te worden verworpen.

8. De rechtbank overweegt ten aanzien van de gestelde strafuitsluitingsgrond het volgende.

9. Artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat niet strafbaar is degene die een feit begaat geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. In lid 2 van dat artikel wordt de strafbaarheid van de verdachte in geval van noodweerexces uitgesloten.

10. Voor een geslaagd beroep op deze strafuitsluitingsgrond is allereerst vereist dat aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, ofwel een “noodweersituatie”, jegens verdachte. In deze zaak zal dan aannemelijk moeten zijn dat [slachtoffer] en zijn mededader als eersten verdachte belaagd hebben, omdat pas dan ten aanzien van verdachte sprake zou kunnen zijn van een noodweersituatie.

11. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte in aanvang een noodweersituatie oplevert. Op het moment dat de overvallers de vlucht nemen is die situatie beëindigd maar het is, mede gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 18 mei 1993 (LJN ZC9359, NJ 1993,691), nog zeer wel mogelijk dat verdachte handelde onder invloed van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande aanval. Echter op het moment dat verdachte het slachtoffer onder aan de trap “levenloos” ziet liggen, was naar het oordeel van de rechtbank niet alleen de noodweersituatie beëindigd, maar kon ook een mogelijke hevige gemoedsbeweging niet langer voortduren door de kennelijke weerloosheid van de voormalige aanvaller.

12. Het beroep op noodweer en op noodweerexces slaagt derhalve niet.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

13. Het bewezene levert op het misdrijf:

Primair: Poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

14. Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

15. De officier van justitie heeft gevorderd een werkstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis indien deze straf niet naar behoren wordt verricht, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

16. De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

17. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door met een honkbalknuppel meerdere keren op het hoofd van één van de overvallers te slaan. Het laat zich denken wat de gevolgen zouden zijn geweest als de honkbalknuppel niet was gebroken. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een ernstig misdrijf.

18. Aan de andere kant houdt de rechtbank rekening met de bijzondere omstandigheden in deze zaak. Verdachte is in zijn woning overvallen door twee mannen, bedreigd met messen en in het gezicht gespoten met traangas. Hoewel er geen sprake is van noodweer dan wel noodweerexces is het handelen van verdachte mede ingegeven door de bijzondere omstandigheden waarin hij was komen te verkeren. Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat het slachtoffer zich tevoren ook niet onbetuigd heeft gelaten. Ook wordt meegewogen dat verdachte een flinke steekverwonding aan zijn arm heeft opgelopen.

19. Alles overwegende komt de rechtbank tot een strafoplegging conform de eis van de officier van justitie, te weten een werkstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis indien deze straf niet naar behoren wordt verricht, met aftrek van de tijd die door verdachte reeds in verzekering is doorgebracht, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

20. Een voorwaardelijke gevangenisstraf legt de rechtbank op teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw soortgelijke feiten te plegen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

21. Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdwintig) dagen.

Beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

Aldus gewezen door mrs. Kleinrensink, voorzitter, Borgerhoff Mulder en Prisse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Buitenhuis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 mei 2008.

(Eindnoot 1) Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal

nr. PL0640/08-201647, gedateerd 13 maart 2008.

(Eindnoot 2)Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] (dossierpagina: 160).

(Eindnoot 3)Proces-verbaal van aangifte van [verdachte] (dossierpagina: 80)

(Eindnoot 4)Proces-verbaal van aangifte van [verdachte] (dossierpagina’s: 79-82)

(Eindnoot 5)Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer] (dossierpagina’s: 220-232 en 233)

(Eindnoot 6)Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] (dossierpagina’s: 158-162)

(Eindnoot 7)Proces-verbaal van de verhoren van getuige [getuige 2] (dossierpagina’s: 140-142 en 145-147)