Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD0906

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
06/801709-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk en een werkstraf van 40 uren voor mishandeling van zijn vriendin en het voorhanden hebben van een vuurwapen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/801709-07

Uitspraak d.d.: 29 april 2008

Tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1971]

wonende te [adres]

1. Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

15 april 2008.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2004 tot en met 7 juni 2007 te Apeldoorn, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer], althans een ander, van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, (met kracht) de keel/hals van die [slachtoffer], althans van die ander, heeft dichtgedrukt/dichtgeknepen/dichtgehouden, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2004 tot en met 1 juni 2007 in de gemeente Apeldoorn, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd

[slachtoffer], althans een ander, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, (met kracht) de hals/keel van die [slachtoffer], althans van die ander, heeft dichtgedrukt/dichtgeknepen/dichtgehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2004 tot en met 1 juni 2007 in de gemeente Apeldoorn, althans in Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer], althans een ander, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) de hals/keel heeft dichtgedrukt/geknepen/gehouden, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 06 juni 2007 te Apeldoorn een of meer wapens van categorie III, te weten een gasrevolver (van het merk ME, model 38 Compact, met een zwarte kleur en/of een deeld bruine handgreep) en/of een gasrevolver (van het merk Rohm, model RG6, met een zwarte kleur), en/of munitie van categorie III, te weten (een) knalpatro(o)n(en) (31 stuks van het kaliber 9mm Knal) en/of (een) knalpatro(o)n(en) (95 stuks van het kaliber 6mm Flobert), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3. De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan

3.1. Standpunt van het openbaar ministerie

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit, de poging tot doodslag op de vriendin van verdachte, vraagt de officier van justitie vrijspraak. Hij is van mening dat niet gebleken is dat verdachte de opzet heeft gehad zijn vriendin te doden.

De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde feit heeft gepleegd, - kort gezegd - geprobeerd heeft zijn vriendin zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door tijdens een ruzie (met wederzijds gebruik van fysiek geweld) met zijn arm haar keel dicht te drukken. Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke handeling pijnlijk is.

3.2. Standpunt van de verdediging

De verdediging sluit zich aan bij de gevorderde vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde en stelt zich op het standpunt dat verdachte tevens dient te worden vrijgesproken voor het onder 1 subsidiair tenlastegelegde, omdat er volgens de raadsman geen aanwijzingen zijn voor het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, ook niet via de variant van voorwaardelijk opzet. Verder stelt de raadsman dat verdachte vrijwillig is teruggetreden toen zijn vriendin rustig was geworden en derhalve ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen.

Met betrekking tot feit 2 refereert de raadsman zich.

3.3. De rechtbank

Ten aanzien van feit 1 leidt de rechtbank uit het verhandelde ter terechtzitting af dat niet is gebleken dat het opzet van verdachte gericht was op het doden van zijn vriendin, dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan zijn vriendin. De rechtbank kan evenmin aan de hand van de bewijsmiddelen en de overige in het dossier aanwezige stukken vaststellen dat verdachte de bedoeling had zijn vriendin van het leven te beroven. De verklaring van aangeefster [slachtoffer] met betrekking tot een verlamd gevoel en het geen behoefte meer hebben aan zuurstof is daarvoor te weinig concreet. Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van uit de hand gelopen wederzijdse agressie en ruzies in de relationele sfeer, mede veroorzaakt door middelengebruik van zowel verdachte als zijn vriendin. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.

De rechtbank komt hierdoor niet toe aan het verweer van de raadsman met betrekking tot de vrijwillige terugtred.

3.4. Bewijsmiddelen

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de - navolgende - overwegingen ten aanzien van het bewijs, verwijzen onder meer naar de paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal en de daarbij behorende bijlagen, dossiernummer PL0620/07-204830, gesloten en ondertekend op 02 juli 2007 door [naam] (p. 5-8)

Feit 1 meer subsidiair

a) de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting

b) proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d 7 juni 2007 (p. 39-41)

Feit 2:

c) de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting

d) proces-verbaal van bevindingen/techn.beschrijving wapen Rohm en foto’s (p.20-23)

e) proces-verbaal van bevindingen/techn.beschrijving wapen Me en foto’s (p.24-29)

Ad 1) Aangeefster [slachtoffer] verklaart bij de politie, kort samengevat, dat zij door verdachte is mishandeld en dat dit bij haar pijn heeft veroorzaakt.

Sinds 2003 heeft zij een relatie met [verdachte]. Zij heeft zelf een psychiatrisch verleden. Twee jaar geleden met Kerst werd [verdachte] labiel en suïcidaal en door zijn geestestoestand behoorlijk agressief. Bij ruzies gooide hij met huisraad en bedreigde hij haar woordelijk. Hij heeft haar het huis uitgezet. Zij gebruikten in die tijd beiden speed. De agressie loopt als een rode draad door hun leven. Volgens haar heeft [verdachte] vaker haar keel dichtgeknepen. In het begin heeft zij zich hiertegen verzet door hem weg te duwen of af te weren. Ook heeft zij momenten gekend dat zij het opgaf en een verlamd gevoel kreeg en geen behoefte meer aan zuurstof.

Ter zitting heeft verdachte - kort samengevat - verklaard dat de mishandeling van zijn vriendin heeft plaatsgevonden aan het begin van hun relatie. Zij gebruikten in die tijd beiden drugs en medicijnen. Hun relatie kenmerkte zich door agressie en ruzies, waarbij over en weer fysiek geweld gebruikt werd in de vorm van duw- en trekwerk. Bij een van die ruzies heeft hij éénmaal (om haar af te weren) met zijn arm/elleboog haar keel dicht gedrukt/gehouden.

Ad 2) Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij twee wapens en bijbehorende munitie in huis heeft gehad. Deze wapens heeft hij ooit van iemand gekregen, van wie weet hij niet meer. De bedoeling was deze wapens voor de sier in een kastje aan de muur te hangen.

Volgens de beschrijvingen in het proces-verbaal van de districtelijke taakaccenthouder vuurwapencriminaliteit, betreft het hier twee vuurwapens (gasrevolvers, respectievelijk van het merk Rohm, type RG 6, kaliber 6 mm Flobert en merk ME, model 38 Compact, kaliber 9 mm Knal), in de zin van artikel 1, onder 3°, gelet op artikel 2, eerste lid, categorie III onder 1, van de Wet wapens en munitie met de daarbij behorende munitie.

3.5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

1. meer subsidiair:

hij in de periode van 1 juli 2004 tot en met 1 juni 2007 in de gemeente Apeldoorn, opzettelijk mishandelend [slachtoffer], met kracht de hals/keel heeft dichtgedrukt, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 06 juni 2007 te Apeldoorn wapens van categorie III, te weten een gasrevolver (van het merk ME, model 38 Compact, met een zwarte kleur en een deels bruine handgreep) en een gasrevolver (van het merk Rohm, model RG6, met een zwarte kleur), en munitie van categorie III, te weten knalpatronen (31 stuks van het kaliber 9 mm Knal) en knalpatronen (95 stuks van het kaliber 6 mm Flobert), voorhanden heeft gehad;

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

6. Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De strafoplegging

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor feit 1 subsidiair en feit 2 te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk, met aftrek van 1 dag inverzekeringstelling en een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis. De officier van justitie heeft aangegeven dat met name het “huiselijk geweld” bepalend is voor de strafmaat.

De raadsman heeft bepleit dat de feiten inmiddels een jaar oud zijn en de beslissing om vervolging in te stellen lang op zich heeft laten wachten. Bovendien heeft verdachte voor de feiten niet in voorlopige hechtenis gezeten. Verdachte is nu op de goede weg. Zijn relatie is hersteld en hij woont weer samen met zijn vriendin. Hij heeft werk, voor de schulden is een betalingsregeling getroffen en ze gebruiken beiden geen drugs meer. Afgezien van dit feit heeft hij zich sinds 2002 niet meer schuldig gemaakt aan andere strafbare feiten.

Hij verzoekt de rechtbank met deze feiten rekening te willen houden en verdachte een korte werkstraf op te leggen en als stok achter de deur een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft tijdens een van de kennelijk vele ruzies met zijn vriendin, volgens zijn eigen verklaring omdat zij beiden onder invloed van drugs en medicijnen waren, éénmaal met zijn arm haar keel dichtgedrukt. De rechtbank is van oordeel dat de agressie en labiele situatie van verdachte zoals zijn vriendin die heeft ervaren en het feit dat verdachte wapens in zijn woning had voor haar zeer beangstigend moeten zijn geweest. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de agressie als een rode draad door hun relatie loopt, aldus aangeefster, en ook aangeefster kennelijk haar aandeel heeft gehad in dit huiselijk geweld.

Volgens verdachte zijn zij, in de periode dat zij uit elkaar zijn geweest, beiden tot bezinning gekomen en inmiddels is de relatie weer hersteld en zijn zij op de goede weg. De agressie is opgehouden sinds zij alle twee gestopt zijn met het gebruik van drugs en medicijnen.

Dat verdachte op de goede weg is blijkt ook uit zijn uittreksel uit de Justitiële Documentatie. Afgezien van dit feit is hij sinds 2002 niet meer met politie of justitie in aanraking is geweest.

Nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde komt zij tot een lagere strafoplegging als door de officier van justitie gevorderd. Een en ander maakt dat de rechtbank enerzijds een werkstraf op zijn plaats vindt van na te melden duur, maar anderzijds een voorwaardelijke straf, om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst de veiligheid van zijn naasten in gevaar te brengen.

8. In beslaggenomen voorwerpen

De officier van justitie vordert ter terechtzitting de onttrekking aan het verkeer van een op

7 juni 2007 bij een doorzoeking in de woning van verdachte aangetroffen en inbeslaggenomen gasrevolver (merk ME, model 38 Compact). Verdachte heeft geen afstand willen doen van dit inbeslaggenomen voorwerp.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen gasrevolver, met betrekking tot welke onder meer het onder 2 bewezenverklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer. De gasrevolver behoort aan de verdachte toe en is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36b, 36c, 57,

91, 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, eerste lid en 55 van de Wet

wapens en munitie.

10. Beslissing

De rechtbank:

• Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

• Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

• Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

• Verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten:

Feit 1 meer subsidiair:

Mishandeling

Feit 2:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie;

• Verklaart verdachte deswege strafbaar.

• Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

• Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit schuldig maakt.

• Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

• Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf dat voor de eerste zestig dagen in voorarrest doorgebracht 2 uur per dag in mindering wordt gebracht en voor de overige dagen 1 uur per dag.

• Verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een gasrevolver (van het merk ME, model 38 Compact, met een zwarte kleur en een deels bruine handgreep)

Aldus gewezen door:

mr. Draisma, voorzitter,

mr. Prisse en mr. Van de Wetering, rechters,

in tegenwoordigheid van Beers-de Badts, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 april 2008.