Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BD0815

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
06/460019-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor (poging) diefstallen en heling tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk en een werkstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis met aftrek voorarrest. (Promis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460019-07

Uitspraak d.d.: 29 april 2008

Tegenspraak / dnip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1986],

wonende te [adres en plaats].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 april 2008. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en hetgeen door de raadsman van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 23 tot en met 24 november 2006 te Nunspeet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van een afgesloten bedrijfsterrein heeft weggenomen een aggregraat, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] en/of [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

(incident 17)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 29 december 2006 te Nunspeet tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een (niet afgesloten) garage heeft weggenomen een fiets/mountainbike (Giant, herenfiets ATB, kleur paars), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer C], althans aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

(incident 5)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 29 december 2006 tot en met 30 december 2006 te Nunspeet, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (aan [adres]) heeft wegggenomen sieraden en/of (een) horloge(s) en/of een spelcomputer (merk playstation, inclusief enkele spelen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer D], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

(incident 3)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij in of omstreeks de periode van 29 december 2006 tot en met 30 december 2006 te Nunspeet, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, sieraden en/of (een) horloge(s) en/of een spelcomputer (merk playstation, inclusief enkele spelen), in elk geval enig goed, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemd(e) goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat

het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

artikel 417bis Wetboek van Strafrecht;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

4.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 januari 2007 tot en met 8 januari 2007 te Nunspeet, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit (een) auto('s) heeft weggenomen geld en/of goederen, te weten:

- in/uit een auto Volvo 760 GLE, gekentekend [kenteken]) een navigatiesysteem (merk TomTom) en/of een (zwarte) verrekijker en/of een (zwarte) zaklantaarn (mini-maglite) en/of twee pakjes sigaretten, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer E], in ieder geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) (incident 9);

- in/uit een auto (Daihatsu, gekentekend [kenteken]) kleingeld (drie euro) en/of een zaklantaarn (kleur zilver/grijs), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer F], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) (incident 18);

- in/uit een auto (Ford Explorer, gekentekend [kenteken]) een navigatiesysteem (merk VDO Dayton) en/of een/twee zonnebril(len) en/of cd's en/of (drie) pakjes sigaretten, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer G], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) (incident 13);

en/of

hij in of omstreeks de periode van 5 januari 2007 tot en met 6 januari 2007 te Nunspeet, in elk geval in Nederland, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad een navigatiesysteem (merk VDO Dayton), terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen daarvan wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

artikel 416 / 417 bis Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

5.

hij in of omstreeks de periode van 5 januari 2007 tot en met 6 januari 2007 te Nunspeet, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (uit/in (een) paardenstal(len)) heeft weggenomen halsters (ongeveer 4 stuks) en/of (drie) hoofdstellen en/of een zadel en/of (drie)

dekens, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer G], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

[medeverdachte] in of omstreeks de periode van 6 januari 2007 tot en met 7 januari 2007 te Nunspeet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een auto (Nissan Almera, gekentekend [kenteken]) heeft weggenomen een verrekijker en/of een portemonnee (onder meer inhoudende een Rabobankpas en/of een ID kaart en/of een verzekeringspas en/of circa 20 Euro en/of een strippenkaart), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer H] en/of

[slachtoffer I], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, waarbij die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door ten tijde van de autoinbraak en op korte afstand van voornoemde auto op de uitkijk te gaan staan;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij in of omstreeks 06 januari 2007 t/m 7 januari 2007 te Nunspeet, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, het voornemen heeft gehad en heeft gepoogd om, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, en met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, in/uit een auto weg te nemen geld en/of goederen, toebehorende aan [slachtoffer J], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en zich daarbij de

toegang tot de plaats des misdrijfs te verschaffen en/of daarbij het/de weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, welke poging hieruit heeft bestaan dat hij - verdachte en/of zijn mededader(s):

- het portier van voornoemde auto heeft/hebben geforceerd en/of geopend en/of

- (vervolgens) in die auto heeft/hebben plaatsgenomen en/of betreden en/of

- het dashboardkastje heeft/hebben geopend en/of

- dat verdachte op de uitkijk heeft gestaan;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(incident 14)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan (voetnoot 1)

Standpunten openbaar ministerie en verdediging

1. De officier van justitie acht onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor de onder 3 primair, 4 en 5 primair en subsidiair, tenlastegelegde feiten en vordert voor deze feiten vrijspraak. Zij overweegt hierbij dat op grond van het dossier niet aannemelijk is geworden dat verdachte betrokken is geweest bij deze tenlastegelegde feiten. De officier van justitie acht de onder 1, 2, 3 subsidiair en 6 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, op grond van de aangiftes en de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten afgelegd bij de politie.

2. De raadsman acht onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor de onder 3 primair, 4 en 5, primair en subsidiair, tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van de feiten 4 en 5 primair voert de raadsman aan dat er geen sprake is van betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van feit 5 subsidiair is gesteld dat verdachte wel de goederen heeft aangenomen, dus heling, maar dat verdachte niet behulpzaam is geweest bij de diefstal. Nu heling niet ten laste is gelegd dient derhalve vrijspraak te volgen. De verdediging acht de onder 1, 2, 3 subsidiair en 6 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Vrijspraak

3. Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 primair, 4 en 5, primair en subsidiair, tenlastegelegde heeft begaan. De verdachte behoort hiervan te worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor deelname van verdachte aan het onder 3 tenlastegelegde feit. Ten aanzien van de onder 4 en 5 primair tenlastegelegde feiten overweegt de rechtbank dat enig bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij deze feiten ontbreekt. Ten aanzien van het onder 5 subsidiair tenlastegelegde feit leidt de rechtbank uit de verklaringen van verdachte en diens medeverdachte [medeverdachte] af, dat verdachte ten tijde van de inbraak door [medeverdachte] is weggerend. Derhalve kan niet bewezen worden verklaard dat verdachte op de uitkijk heeft gestaan.

Bewijsmiddelen

4. De rechtbank komt tot onderstaande bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen:

a. de bekennende verklaringen van verdachte afgelegd tijdens diens verhoren bij de politie; (voetnoot 2)

b. de aangifte van [slachtoffer A]; (voetnoot 3)

c. de aangifte van [slachtoffer C]; (voetnoot 4)

d. de aangifte van [slachtoffer D]; (voetnoot 5)

e. de aangifte van [slachtoffer J]; (voetnoot 6)

Bewezenverklaring

5. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 subsidiair en 6 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in de periode van 23 tot en met 24 november 2006 te Nunspeet, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een afgesloten bedrijfsterrein heeft weggenomen een aggregaat, toebehorende aan [bedrijf], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak en/of inklimming;

2.

hij op 29 december 2006 te Nunspeet tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een niet afgesloten garage heeft weggenomen een mountainbike (Giant, herenfiets ATB, kleur paars), toebehorende aan [slachtoffer C];

3.

hij in de periode van 29 december 2006 tot en met 30 december 2006 te Nunspeet, in elk geval in Nederland een horloge heeft verworven, terwijl hij ten tijde van het verwerven krijgen van voornoemde goed wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

6.

hij op 7 januari 2007 te Nunspeet, tezamen en in vereniging met een ander, het voornemen heeft gehad en heeft gepoogd om, tezamen en in vereniging met een ander en met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit een auto weg te nemen geld en/of goederen, toebehorende aan [slachtoffer J], en zich daarbij de toegang tot de plaats des misdrijfs te verschaffen en/of daarbij het/de weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van inklimming, welke poging hieruit heeft bestaan dat hij - verdachte en/of zijn mededader:

- het portier van voornoemde auto heeft/hebben geopend en

- vervolgens in die auto heeft/hebben plaatsgenomen en/of betreden en het dashboardkastje heeft/hebben geopend en

- dat verdachte op de uitkijk heeft gestaan;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

6. Wat meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

7. Het feit is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Kwalificatie

8. Het bewezene levert op de misdrijven:

feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en/of inklimming;

feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 3 subsidiair: opzetheling;

feit 6: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

Strafbaarheid van de verdachte

9. Verdachte is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

Oplegging van straf en/of maatregel

10. De officier van justitie heeft gevorderd:

- een gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan 58 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact;

- een werkstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft hierbij overwogen dat het gaat om een zeer groot aantal feiten, waarmee verdachte veel overlast, schade en irritatie heeft veroorzaakt. Dit alles omdat verdachte geld nodig had om drugs te kopen. Tevens houdt de officier van justitie bij haar vordering rekening met het advies van de reclassering.

11. De raadsman heeft gesteld dat bij oplegging van een straf rekening gehouden moet worden met het feit dat verdachte zich ervan bewust is dat hij met zijn gedrag flinke schades heeft veroorzaakt. Verdachte realiseert zich dat er angst kan zijn ontstaan bij de slachtoffers en in hun omgeving; hij betreurt dat hij daaraan een bijdrage heeft geleverd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het feit dat verdachte zijn drugsgebruik nu onder controle heeft, dat hij first offender is en dat verdachte een baan als stratenmaker heeft gevonden. De raadsman heeft verder aangevoerd dat een taakstraf onder deze omstandheden passend is. Verplicht reclasseringscontact acht de raadsman niet wenselijk.

12. De rechtbank acht na te melden beslissing in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft, onder invloed van verdovende middelen, een groot aantal vermogensdelicten gepleegd, in een zeer korte periode. De ervaring leert, dat delicten als de onderhavige veelal de oorzaak zijn van een verminderd gevoel van veiligheid bij en in de omgeving van de slachtoffers. Bovendien brengt dit soort delicten veeal overlast en/of schade met zich, waarvoor slachtoffers vaak slechts ten dele verzekerd zijn.

Ad informandum gevoegde zaken

13. De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen de ter kennisneming gevoegde zaken, bekend onder parketnummer 460019-07, incidenten 19 en 21, nu aannemelijk is geworden dat verdachte deze feiten heeft gepleegd - verdachte heeft deze feiten bij de politie immers bekend (voetnoot 7) - en de officier van justitie heeft toegezegd dat voor die feiten geen verdere strafvervolging zal volgen.

Vordering tot schadevergoeding

14. De benadeelde partij [slachtoffer B] [plaats] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 80,-- gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

15. De benadeelde partij [slachtoffer H] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 158,95,-- gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde.

16. Naar oordeel van de officier van justitie is het door benadeelde partij [slachtoffer B] [plaats] gevorderde bedrag redelijk. De vordering dient, nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat deze benadeelde partij schade heeft ondervonden door het bewezenverklaarde feit, in het geheel te worden toegewezen. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer H] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu er vrijspraak is gevorderd voor het feit waarop deze vordering tot schadevergoeding ziet.

17. Ten aanzien van de toewijsbaarheid van de vorderingen van de voornoemde benadeelde partijen sluit de verdediging zich aan bij het oordeel van de officier van justitie.

18. Nu niet is weersproken dat de benadeelde partij [slachtoffer B] [plaats], zoals deze heeft gesteld, als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag en de vordering de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zal deze vordering worden toegewezen.

19. De benadeelde partij [slachtoffer H] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, nu verdachte wordt vrijgesproken van het onder 5 subsidiair tenlastegelegde. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Schadevergoedingsmaatregel

20. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 45, 57, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 3 primair, 4 en 5 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 subsidiair en 6 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd den hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot de volgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 200 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen.

Beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf dat per dag in voorarrest doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer B] [plaats], [adres en plaats] (rekeningnummer [nummer]), van een bedrag van € 80,--, vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer B] [plaats] voornoemd, een bedrag te betalen van € 80,-- met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 1 dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer H] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis van verdachte.

Aldus gewezen door mrs. Roessingh-Bakels, voorzitter, Van Harreveld en Hödl, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Demmers, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 april 2008.

Voetnoten:

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de - navolgende - overwegingen ten aanzien van het bewijs, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nr. PL0613/07-200801, politie Team Nunspeet, gesloten en getekend door [namen] op 7 februari 2007.

2 Processen-verbaal van verhoor van verdachte in onderlinge samenhang, doorgenummerde dossierpagina's 341-342, 372 en 462.

3 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer A], doorgenummerde dossierpagina 366.

4 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer C,] doorgenummerde dossierpagina 181.

5 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer D], doorgenummerde dossierpagina 127.

6 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer J], doorgenummerde dossierpagina 309.

7 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, doorgenummerde dossierpagina 402.