Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BC9867

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
18-04-2008
Zaaknummer
90186 FA RK 07 2197
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door vrouw zijn jarenlang geen executiemaatregelen getroffen. Zij heeft daarvoor geen redelijke verklaring. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de man erop mocht vertrouwen dat de vrouw haar aanspraken niet meer geldend zou maken. Onredelijke benadeling of verzwaring financiële positie van de man indien de vrouw haar aanspraken alsnog geldend zou kunnen maken. Vrouw heeft recht om voor de periode na verbreking van de samenwoning tot datum waarop zij executiemaatregelen trof kinderalimentatie te vragen verwerkt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 397
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2008/403

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 90186 FA RK 07 2197

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 15 april 2008

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [plaats], gemeente [naam],

verzoeker, verder te noemen de man,

procureur: mr. M. Blok,

tegen

[verweerster],

wonende te [plaats], gemeente [naam],

verweerster, verder te noemen de vrouw,

procureur: mr. C.B. Gaaf,

advocaat: mr. R.D.J. Visschers te Elst.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 4 december 2007;

- het verweerschrift, ingekomen op 29 januari 2008;

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 25 februari 2008;

- de brief met bijlagen van mr. Blok van 21 maart 2008;

- de brief met bijlagen van mr. Gaaf van 25 maart 2008;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 1 april 2008.

De feiten

Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 25 februari 1993 is tussen de man en de vrouw de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 9 april 1993 ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.

Krachtens beschikking van de rechtbank Arnhem van 10 mei 1993 oefent/oefende de vrouw alleen het ouderlijke gezag uit over de uit het huwelijk geboren kinderen, te weten de thans nog minderjarige [dochter], geboren op [1991] in de [gemeente] en de meerderjarigen [zoon A en zoon B], onderscheidenlijk geboren in de [gemeente] op [1986] en in de [gemeente] op [1987].

Tevens is in deze beschikking bepaald dat de man ten behoeve van voornoemde kinderen een onderhoudsbijdrage dient te voldoen van ? 50,-- per kind per maand, vermeerderd met het bedrag van iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van de kinderen kan of zal worden verleend.

Het verzoek

De man verzoekt dat de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, naar de rechtbank begrijpt, voornoemde beschikking van 10 mei 1993 zal wijzigen en de daarin vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie kinderen van partijen zal stellen op nihil, althans dat de man een zodanig bedrag zal hebben te voldoen die de rechtbank juist zal achten, zulks ingaande vanaf 9 juli 2003, althans vanaf de datum van de indiening van het verzoekschrift, althans vanaf een datum die de rechtbank juist zal achten. Kosten rechtens.

Hij stelt dat partijen na de echtscheiding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Eerst op 9 juli 2003 heeft de man de gezamenlijk door partijen bewoonde woning verlaten. Partijen leefden na 9 juli 2003 ook nog op goede voet met elkaar. De man is nimmer aangesproken door de vrouw tot betaling van de door rechtbank Arnhem vastgestelde onderhoudsverplichting. De man heeft sedert enige tijd een nieuwe partner. Dit gegeven heeft ertoe geleid dat de vrouw bij brief van 25 april 2007 aanspraak is gaan maken op betaling van de in haar visie nog verschuldigde alimentatie. De vrouw vordert daarin betaling door de man van alimentatie over de periode 2002 tot en met 2007.

De man is van mening dat de vrouw geen aanspraak meer kan maken op betaling van de alimentatie. Voorts is de man van mening dat hij geen alimentatie aan de vrouw verschuldigd is, omdat partijen na de formele ontbinding van hun huwelijk tot 9 juli 2003 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, waartoe ook de kinderen deel uitmaakten.

Ook voor de periode daarna geldt dat de beschikking achterhaald is. Partijen hebben in onderling overleg mondeling afgesproken dat de man geen alimentatie aan de vrouw verschuldigd zou zijn indien hij de kosten van de stalling, (medische) verzorging en rijlessen van het paard van de dochter van partijen voor zijn rekening zou nemen.

Voorts stelt de man dat de omstandigheden sinds de beschikking van 10 mei 1993 zijn gewijzigd. In de periodes dat [zoon B] in detentie is geweest heeft de vrouw geen kosten met betrekking tot het verzorgen en opvoeden van [zoon B] gehad. Tot slot stelt de man dat de dochter van partijen vanaf 15 februari 2006 haar hoofdverblijf heeft gehad bij de man.

Het verweer

De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn verzoek, dan wel tot afwijzing van dat verzoek.

Zij betwist dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat dergelijke omstandigheden door de man wel zijn gesteld, dan worden de gronden die zijn aangevoerd voor wijziging van de alimentatieverplichting onvoldoende aannemelijk, waardoor evenzeer de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek.

De periode waarover de vrouw nog aanspraak maakt op alimentatie, is een periode waarin van samenwoning geenszins sprake was. De vrouw betwist voorts dat zij nimmer aanspraak zou hebben gemaakt op betaling van de alimentatie. Er valt in de wet en het recht geen grondslag te vinden voor de stellingen van de man ter zake de vervallen aanspraak van de vrouw op alimentatie, alsook dat de man niet langer alimentatie verschuldigd zou zijn. Voorts betwist de vrouw uitdrukkelijk dat er tussen partijen sprake zou zijn van een mondelinge afspraak dat de man geen alimentatie verschuldigd zou zijn. Verder stelt de vrouw dat ook een kind dat in detentie verblijft moet worden onderhouden. De vrouw erkent dat [dochter] in 2006 enkele maanden bij de man heeft verbleven. Na enkele maanden echter is [dochter] weer bij de vrouw gaan wonen. Tot slot stelt de vrouw zich op het standpunt dat de datum van ingang van de wijziging (vierenhalf jaar) volstrekt onredelijk is. De vrouw had hiermee nooit rekening kunnen houden.

Horen minderjarige

De minderjarige [dochter] is in de gelegenheid gesteld haar mening ter zake het verzoek tot wijziging van de bijdrage in de kosten van haar verzorging en opvoeding kenbaar te maken.

De beoordeling

Vast staat dat de man en de vrouw na de echtscheiding in 1999 opnieuw zijn gaan samenwonen en dat deze samenwoning in elk geval tot 2002 en, zo de stelling van de man daarover juist is, tot 9 juli 2003 heeft geduurd. Dat is een relevante wijziging van omstandigheden die een onderzoek naar de draagkracht noodzakelijk en gerechtvaardigd maakt.

De man heeft zijn verzoek niet gegrond op de behoefte van de minderjarige [dochter]. Deze behoefte staat onverkort vast. Wel heeft de man gesteld dat [zoon A] en [zoon B] in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien over de periode dat hij nihilstelling verzoekt, hetgeen door de vrouw is betwist. Zo nodig zal de rechtbank hierover nader oordelen.

De man is op grond van de beschikking van de rechtbank Arnhem van 10 mei 1993 gehouden per kind een bedrag van ƒ 50,-- per maand aan kinderalimentatie te betalen. Deze verplichting is door de hernieuwde samenwoning van partijen niet vervallen. Niet is komen vast te staan dat partijen, toen zij hun hernieuwde samenwoning verbraken, nadere afspraken hebben gemaakt over de betaling van kinderalimentatie en zijn afgeweken van de bedoelde beschikking. De stelling van de man dat er sprake was van een mondelinge overeenkomst tussen partijen is door hem, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet feitelijk onderbouwd. De door hem gedane betalingen in de kosten van de pony van de dochter heeft hij niet met betalingsbewijzen onderbouwd.

Vast staat dat de vrouw bij brief van 25 april 2007, dat is drie jaar en bijna tien maanden na

9 juli 2003 en vier jaar na het door haar genoemde jaar van beëindiging (2002), de man heeft gesommeerd tot betaling van de achterstallige alimentatie ten behoeve van de kinderen van partijen over de periode 2002 tot en met 2007. De man heeft zijn onderhavige verzoekschrift tot wijziging van de kinderalimentatie vervolgens op 4 december 2007 ingediend.

Hieruit wordt afgeleid dat de vrouw jarenlang kennelijk alleen de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen heeft bestreden zonder eerder executiemaatregelen te treffen. Tijdens de hernieuwde samenwoning heeft de man niet het bedrag dat in de bedoelde beschikking is vastgesteld betaald. De man heeft vervolgens na verbreking van de samenwoning jarenlang geen bijdrage betaald en tegen hem zijn jarenlang geen executiemaatregelen getroffen. De vrouw heeft geen redelijke verklaring gegeven voor het pas per 25 april 2007 sommeren van de man tot betaling van de achterstand van de kinderalimentatie.

Dit zijn naar het oordeel van de rechtbank bijzondere omstandigheden op grond waarvan de man erop mocht vertrouwen dat de vrouw haar aanspraken niet meer geldend zou maken. Bovendien zou de financiële positie van de man onredelijk worden benadeeld of verzwaard indien de vrouw haar aanspraken alsnog geldend zou kunnen maken. Geoordeeld wordt dat de vrouw haar recht om voor de periode na verbreking van de samenwoning tot de hierna genoemde datum van 25 april 2007 kinderalimentatie te vragen heeft verwerkt. De rechtbank zal de bijdrage van de kinderalimentatie voor de kinderen van partijen met ingang van de datum van verbreking van de hernieuwde samenwoning van partijen vaststellen op hetgeen tot op heden is betaald. Voorts zal zij de huidige draagkracht van de man berekenen en ten behoeve van [dochter] de beschikking wijzigen en voor haar een bijdrage ten laste van de man vaststellen op het bij de man voor alimentatie beschikbare bedrag. Deze vaststelling zal de rechtbank laten ingaan per 25 april 2007, zijnde de datum van eerste sommatie van de vrouw. Een bijdrage ten behoeve van de twee zonen van partijen is niet meer aan de orde, omdat deze niet langer bij de vrouw woonachtig zijn en beiden meerderjarig zijn.

draagkracht man

Nu ter zitting is gebleken dat de echtgenote van de man inkomen genereert en zij daarmee in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, ziet de rechtbank in de hierna te maken berekening van de draagkracht van de man aanleiding de man als alleenstaande te beschouwen en zijn netto woonlasten te halveren. Daarnaast berekent de rechtbank het voor alimentatie beschikbare bedrag naar een percentage van 60 van de draagkrachtruimte.

Partijen zijn verdeeld over het inkomen van de man, voor zover dat gaat over zijn verdiencapaciteit met betrekking tot het mogelijk te genereren inkomen uit kluswerkzaamheden.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man een aantal jaren geleden een klussenbedrijf heeft gehad. Daarom moet, naast zijn huidige inkomen, rekening gehouden worden fictieve winst uit onderneming van € 1.500,-- per jaar. Hij heeft dan weliswaar het klussenbedrijf niet meer, hetgeen een keuze is die hijzelf heeft gemaakt, echter onverkort bestaat die verdiencapaciteit bovenop zijn huidige inkomen. Dit klemt temeer nu de man naast zijn werk vrijwilligerswerk verricht. De tijd die hij daarmee kwijt is kan hij ook aanwenden met het verrichten van kluswerkzaamheden.

De man betwist uitdrukkelijk dat rekening gehouden dient te worden met een verdiencapaciteit, gebaseerd op een fictieve winst uit onderneming. Hij stelt dat hij niet zonder reden een WAO-uitkering heeft en daarnaast 20 uur per week werkzaam is. Vanwege zijn gezondheid is hij niet in staat, naast zijn huidige werkzaamheden, nog klussen te verrichten.

De rechtbank houdt geen rekening met een fictieve winst uit onderneming. De man heeft gemotiveerd betwist dat hij gelet op zijn gezondheid in staat is opnieuw kluswerkzaamheden te verrichten, alleen al het feit dat hij een (aanvullende)WAO-uitkering heeft onderbouwd zijn stelling ter zake zijn gezondheidstoestand.

De rechtbank houdt, alles per jaar, rekening met

- het bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking van € 10.488,--

- de bruto WAO-uitkering van het UWV van € 2.688,--

- de vakantietoeslag van (8%) van € 1.054,--

- de eindejaarsuitkering van € 152,60 (hoewel door de man betwist, blijkt uit zijn salarisstrook van december 2007 dat sprake is van deze uitkering)

- de pensioenpremie van € 732,--

- de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage inzake de ZVW van € 708,--

- de inkomensafhankelijke bijdrage uitkeringsinstantie inzake de ZVW van € 192,--

- de algemene heffingskorting van € 2.074,--

- de arbeidskorting van € 427,-- (arbeidskortingsgrondslag € 10.810,--) en met

- het totaal aan verschuldigde inkomstenbelasting van € 2.300,--.

Met inachtneming van vorenstaande berekent de rechtbank het besteedbaar inkomen van de man op € 12.251,-- per jaar/€ 1.021,-- per maand.

Bij de bepaling van het draagkrachtloos inkomen van de man is de rechtbank uitgegaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 882,-- per maand, minus de wooncomponent van € 200,-- en van de navolgende lasten op maandbasis:

- de helft van de huur van € 401,29 zijnde € 200,64

- de totale premie Zorgverzekeringswet van € 146,-- (zijnde de basis- en aanvullende premie van samen € 112,50, vermeerderd met de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage/uitkeringsinstantiebijdrage samen € 75,--, het verplicht eigen risico van € 12,50, en verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW ad € 54,-- per maand).

De rechtbank brengt op voornoemd totaal aan ziektekosten, gelet op het summiere inkomen van de man, nog in mindering een -fictieve- zorgtoeslag van € 46,-- per maand. Dit (na ambtshalve onderzoek berekende) bedrag is gebaseerd op de zorgtoeslag waarop hij recht zou hebben als hij alleenstaande was, dit omdat de rechtbank niet door de man geïnformeerd is over de hoogte van het inkomen van zijn (toeslag)partner.

Geen rekening houdt de rechtbank met de door de man opgevoerde premie begrafenisverzekering van € 14,20 per maand. De man heeft slechts een bankafschrift ter onderbouwing van deze last overgelegd, hetgeen onvoldoende is. Uit het bankafschrift blijkt niet of er sprake is van een begrafenispolis of anderszins, ook blijkt niet of het om een maandpremiebedrag gaat, dan wel een premiebedrag per kwartaal, dan wel anderszins.

Van de draagkrachtruimte is 60% beschikbaar voor alimentatie. Aldus gerekend heeft de man draagkracht voor betaling van een bijdrage van € 23,-- per maand. Dit bedrag acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal zij toewijzen.

Omdat de man en de vrouw elkaars gewezen echtelieden zijn, zal de rechtbank de kosten als volgt compenseren.

De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 10 mei 1993 bepaalde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding/levensonderhoud van [zoon A], [zoon B] en [dochter]

en stelt deze bijdrage per kind per maand met ingang van 9 juli 2003 vast met hetgeen tot op heden is voldaan;

bepaalt voorts dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van

[dochter], geboren op [1991] in de [gemeente]

met ingang van 25 april 2007 een bedrag van € 23,-- (drieëntwintig euro) per maand, telkens bij vooruitbetaling, aan de vrouw dient te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van dit geding aldus, dat zowel de man als de vrouw met de eigen kosten belast blijft;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Lieber en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.