Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BC9298

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
11-04-2008
Datum publicatie
11-04-2008
Zaaknummer
06/801376-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordelingen van vader en zoon naar aanleiding van een bij een brand op 2 februari 2007 te Aalten ontdekte hennepkwekerij. Zie ook uitspraak onder LJNummer BC9295.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/801376-07

Uitspraak d.d. 11 april 2008

Tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats 1971],

wonende te [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 maart 2008.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 april 2006

tot en met 02 februari 2007 in de gemeente Aalten, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of

bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht, in elk geval opzettelijk

aanwezig heeft gehad (in een pand en/of loods aan/behorende bij de

[adres]), een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 111.88,88

gram paddo's, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

psilocine en/of psilocybine, zijnde psilocine en/of psilocybine (een)

middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 02 februari 2007 in de gemeente Aalten tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een vuurwapen van

categorie III 1º, te weten een revolver (type NHM, kaliber 9mm, serienummer

32121), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

art 55 lid 3 ahf/ond b Wet wapens en munitie

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 november 2006 tot en met 02 februari

2007 in de gemeente Aalten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of

verwerkt en/of aanwezig heeft gehad (in een pand en/of loods aan/behorende bij

de [adres]) een (groot) aantal hennepplanten (in totaal 850

stuks) en/of ongeveer 96,7 gram (gedroogde) hennep, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde

hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht.

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verweer niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Door de verdediging is aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vervolging van verdachte ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit, omdat er voor het binnentreden door de politie in de caravan van verdachte op 2 februari 2007 geen wettelijke of verdragbepalende grondslag voorhanden was. Door de politie is in de visie van de verdediging derhalve inbreuk gemaakt op de privacy van verdachte en is er sprake van een schending van artikel 8 van het EVRM en artikel 10 van de Grondwet.

Door de officier van justitie is betoogd dat zij wel ontvankelijk is in haar vervolging van verdachte. De politie heeft op basis van artikel 2 van de Politiewet in het kader van hulpverlening op verzoek van de brandweer geverifieerd of in de caravan, die stond opgesteld in één van de achter het uitgebrande fabriekspand staande Romneyloodsen, geen personen aanwezig waren (geweest).

De rechtbank is van oordeel dat het verweer van de verdediging moet worden verworpen.

De politie heeft ingevolge artikel 2 van de Politiewet mede tot taak heeft hulp te verlenen aan hen die dat (mogelijk) behoeven.

In dit geval is er sprake geweest van een uitslaande brand met een aanzienlijke rookontwikkeling De loods waarin de caravan zich bevond was gelegen pal aan de achterzijde van de fabriekshal, terwijl de brand met name heeft gewoed in het achterste gedeelte van de hal.

Er is niet gebleken van aanwijzingen dat de politie in deze haar bevoegdheid heeft misbruikt om wettelijke bepalingen te omzeilen. In de omstandigheden zoals verwoord in het proces-verbaal van de politie was het in tegendeel alleszins begrijpelijk en zorgvuldig dat de politie zelfstandig wilde controleren of zich wellicht nog personen in de caravan (hadden) bevonden, zelfs indien wordt uitgegaan van de volgens verdachte door hem aan de brandweer/politie verstrekte informatie.

Door de verdediging is subsidiair nog aangevoerd dat ten aanzien van feit 2 vrijspraak dient te volgen, omdat er sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. De politie was niet bevoegd tot het betreden van de caravan van verdachte. Hetgeen als vrucht van de inbeslagneming in het dossier voorhanden is kan mitsdien niet voor het bewijs worden gebezigd in de optiek van de verdediging.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer om redenen als hiervoor al aangegeven.

Het vuurwapen, dat ‘open en bloot’ in de caravan lag, mocht in beslag genomen worden.

De bewijsmotivering (eindnoot 1)

A. De vaststaande feiten

Op 2 februari 2007 heeft er een brand plaatsgevonden in een bedrijfspand aan de [adres] te Aalten. In verband met deze brand heeft een onderzoek (eindnoot 2) plaatsgevonden in de stacaravan die stond in een achter het uitgebrande bedrijfspand staande loods. In de caravan werd een revolver type NHM nummer 32121 aangetroffen, alsmede twee dozen en twee plastic zakken met daarin paddestoelen.

B. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem tenlastegelegde. Wat betreft feit 1 acht de officier bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 januari 2007 t/m 2 februari 2007 samen met een ander ongeveer 11.000 gram paddo’s heeft bewerkt, in elk geval aanwezig heeft gehad.

Daarbij heeft de officier van justitie zich onder meer gebaseerd op het aantreffen van de paddo’s in de loods waarin de caravan stond, het aantreffen van het vuurwapen en de hennepkwekerij op de locatie [adres] te Aalten, de verklaringen van beide verdachten - verdachte en zijn vader - en de conclusie van het NFI-rapport met betrekking tot de onderzochte paddo-monsters.

C. Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is beaamd dat terzake het onder 1 tenlastegelegde een bewezenverklaring kan volgen voor het voorhanden/aanwezig hebben van paddo’s en dat het onder 3 tenlastegelegde eveneens bewezenverklaard kan worden, nu verdachte ook daarover een bekennende verklaring heeft afgelegd.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde is door de verdediging geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring, althans vrijspraak op de hiervoor vermelde grond.

D. Beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank acht voor het bewijs de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

Verdachte heeft verklaard (eindnoot 3) dat in april 2006 voor het laatst paddo’s zijn gekweekt in het pand en dat de door de politie in zijn caravan aangetroffen hoeveelheid paddo’s waren bestemd voor de verkoop. Zijn vader (medeverdachte) was met de verkoop daarvan belast.

In de hal van het pand was zijn vader bezig een hennepkwekerij in te richten. Ergens in de eerste twee weken van januari 2007 is er geoogst. Verdachte heeft verder verklaard dat hij elke dag de lampen heeft bediend en de planten water heeft gegeven.

Verdachte heeft bovendien verklaard dat het in zijn caravan aangetroffen wapen al langere tijd in zijn bezit is.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de aangetroffen paddestoelen al gedroogd waren toen hij ze heeft ontvangen.

De medeverdachte (vader) heeft verklaard (eindnoot 4) dat hij tot augustus 2006 in het pand paddo’s heeft gekweekt samen met zijn vader. Verdachte had een opleiding gevolgd voor het kweken van paddestoelen. De paddo’s werden gekweekt voor handelaren, onder meer om deze als drugs te gebruiken, te eten danwel thee van te zetten; wat men er mee deed interesseerde hem eigenlijk niet.

Het is mogelijk dat er gedroogde paddo’s in de caravan zijn aangetroffen.

De medeverdachte heeft verder verklaard dat hij omstreeks november 2006 samen met zijn zoon een hennepkwekerij heeft aangelegd in de achter het bedrijfspand gelegen loods. De plantjes die er nu stonden waren drie weken oud. Zijn zoon werkte in zijn opdracht in de kwekerij.

Van deze kwekerij is één keer geoogst en met de opbrengst daarvan zijn deels de materialen voor de kwekerij betaald.

De medeverdachte heeft bovendien verklaard dat hij de bij zijn zoon in gebruik zijnde caravan heeft gekocht met alles wat daarin was, ook de revolver. Hij heeft zijn zoon de caravan als verblijfplaats aangeboden.

Op 2 februari 2007 is door de politie een onderzoek (eindnoot 5) ingesteld in één van de twee achter het bedrijfspand gelegen loodsen. Door de brandweer was namelijk bij bedoelde loods een sterke wietlucht geroken. Ter plaatse werd een hennepkwekerij aangetroffen met onder andere 850 hennepplanten, 60 assimilatielampen 600 watt en 60 voorschakelapparaten.

Op 3 februari 2007 zijn door de politie onder verdachte inbeslaggenomen (eindnoot 6) twee dozen en twee plastic zakken met paddo’s, onderscheidenlijk wegende 4096,84 gram, 5097,67 gram, 1036,98 gram en 977, 29 gram (SVO-nrs. 149 t/m 152), alsmede potten met (gedroogde) vermoedelijk hennep, onderscheidenlijk 8,7 gram en 88 gram (SVO-nrs. 147 en 148).

Door het Nederlands Forensisch Instituut is onderzoek (eindnoot 7) gedaan naar de door de technische recherche Noord en Oost Gelderland toegezonden monsters 149 t/m 152. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat alle monsters (beige gedroogde paddestoelen) psilocine bevatten en de monsters 149 t/m 152 psilocybine, beide stoffen die staan vermeld op lijst I behorende bij de Opiumwet.

Door de technische recherche zijn de in de caravan aangetroffen SVO-nrs. 147 en 148 onderzocht (eindnoot 8 ) en aan de hand van de conform de daarvoor geldende instructies uitgevoerde testen is geconcludeerd dat de monsters hashish, hasholie danwel THC bevatten. Op basis van die bevindingen wordt het zeer aannemelijk geacht dat het gaat om weed/gedroogde hennep, met daarin een stof die voorkomt op lijst II van de Opiumwet.

De op 2 februari 2007 bij nader onderzoek in een in werking zijnde en professioneel opgezette hennepkwekerij aangetroffen plantjes hadden een lengte van ongeveer 30 centimeter en waren bij lange na niet volgroeid. De geur van dit verse plantenmateriaal kwam zeer duidelijk overeen met de bekende geur van hennepplanten. Het wordt zeer aannemelijk geacht dat het hier gaat om vrij jonge hennepplanten.

Uit een door de politie ingesteld onderzoek (eindnoot 9) naar het op 2 februari 2007 onder verdachte inbeslaggenomen revolver, komt naar voren dat het hier gaat om een revolver van het merk NHM, kaliber 9 millimeter met het serienummer 32121 en dat het voorwerp geschikt is om projectielen door een loop af te schieten door middel van een scheikundige ontploffing, derhalve een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 eerste lid, categorie III onder I van de Wet wapens en munitie

E. Behandeling van de verweren

Door verdachte is bij de politie aangevoerd dat hij niet wist dat paddo’s harddrugs waren. De rechtbank verwerpt dat verweer. Gelet op de omstandigheid dat verdachte zich heeft verdiept in de kweek van paddestoelen en de jarenlange aandacht die in de media en ook anderszins via internetsites aan dit onderwerp is besteed, is dit verweer niet aannemelijk.

Paddestoelen bevattende van nature de stoffen psilocyne en psilocibine en vallen in die zin onder de werking van de Opiumwet.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 2 februari 2007 in de gemeente Aalten, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een loods behorende bij de [adres]), een hoeveelheid van in totaal ongeveer 11.100 gram paddo's, bevattende psilocine en/of psilocybine, zijnde psilocine en psilocybine middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 2 februari 2007 in de gemeente Aalten tezamen en in vereniging met een ander, een vuurwapen van categorie III 1º, te weten een revolver (type NHM, kaliber 9mm, serienummer 32121), voorhanden heeft gehad;

3.

hij in de periode van 1 november 2006 tot en met 2 februari 2007 in de gemeente Aalten, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt (in loods behorende bij het pand [adres]) een groot aantal hennepplanten en aanwezig heeft gehad ongeveer 96,7 gram (gedroogde) hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

1. De officier van justitie heeft terzake alle tenlastegelegde feiten gevorderd verdachte te veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar en een werkstraf van honderdvijftig uren subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis.

2. Door de raadsvrouw van verdachte is ten aanzien van de strafmaat aangevoerd verdachte niet eerder voor Opiumwetdelicten met justitie in aanraking is gekomen en dat ingeval van een bewezenverklaring verdachte bereid is een werkstraf te verrichten.

3. De rechtbank acht na te melden beslissing in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

4. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

5. Verdachte heeft zich samen met zijn vader bedrijfsmatig bezig gehouden met de hennepkweek, waarbij met name het snelle en lucratieve gewin een rol heeft gespeeld. Verdachtes rol daarin is beperkt gebleven. Er heeft éénmaal een oogst plaatsgevonden en op het moment dat de kwekerij werd ontdekt stonden er 850 jonge planten opgesteld.

Verdachte heeft met zijn handelwijze bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit. Algemeen bekend is dat aan het gebruik van - en de handel in softdrugs vele maatschappelijke bezwaren kleven.

Volgens de landelijke oriëntatiepunten LOVS wordt als uitgangspunt bij het kweken van een hoeveelheid hennepplanten van tussen 500 en 1000 een gevangenisstraf van twaalf weken gehanteerd, uitgaande van een first offender.

Daarenboven heeft verdachte een aanzienlijke hoeveelheid zogenaamde paddo’s aanwezig gehad. Paddo’s bevatten stoffen die zijn opgenomen op lijst I van de Opiumwet (harddrugs) en waarvan is gebleken dat deze het bewustzijn van de mens beïnvloeden. Vanwege de mogelijk schadelijke gevolgen van deze stoffen geldt in zijn algemeenheid dat bij gebruik daarvan de volksgezondheid in het geding is. Op dit soort delicten staat in beginsel een hogere strafbedreiging dan voor softdrugsdelicten.

Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan verboden wapenbezit. In de optiek van verdachte ging het slechts om een oud wapen, maar dit doet aan de strafbaarheid niet af, nog daargelaten dat het wapen bij onderzoek nog als zodanig bruikbaar bleek.

6. Uit het strafblad van verdachte van 17 januari 2008 blijkt dat hij niet eerder met justitie in aanraking is gekomen voor dit soort strafbare feiten.

7. De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding een kortere voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie gevorderd, met name vanwege de beperkte rol die verdachte in vergelijk met zijn vader in het geheel heeft vervuld.

De op te leggen taakstraf zal moeten worden verricht op een projectplaats als opgenomen in de door de Reclassering Nederland gehanteerde lijst van projectplaatsen.

Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats om de ernst van de onderhavige feiten te benadrukken, maar bovenal om verdachte in te scherpen dat hij zich niet meer moet inlaten met dit soort strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 22g, 22d, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10, 11 en 13 van de Opiumwet en de artikelen 26, 56 en 57 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing

De rechtbank:

• Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

• Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

• Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

• Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

• Veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 150 (honderdvijftig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen.

Aldus gewezen door mrs. Krijger, voorzitter, Van Harreveld en Hödl, rechters, in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 maart 2008.

(eindnoot 1) Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen verbaal, als bijlagen opgenomen bij (Stam) proces-verbaal nr. PL0644/07-201219, gedateerd 3 mei 2007

(eindnoot 2) Proces-verbaal (ambtelijk verslag), doorgenummerde dossierpag. 101

(eindnoot 3) Processen-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde dossierpag. 107 en 110

(eindnoot 4) Processen-verbaal van verhoor medeverdachte [vader verdachte], doorgenummerde dossierpag. 55, 115, 117, 118,171, 254

(eindnoot 5) Proces-verbaal (ambtelijk verslag), doorgenummerde dossierpag. 189/190

(eindnoot 6) Kennisgeving inbeslagneming,doorgenummerde dossierpag. 202 en 203

(eindnoot 7) Rapport NFI nr. 2007.02.15.111, gedateerd 30 maart 2007, doorgenummerde dossierpag. 144/145

(eindnoot 8) Proces-verbaal (ambtelijke verslag), doorgenummerde dossierpag. 206 en 207

(eindnoot 9) Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpag. 102/103