Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BC8797

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
07-04-2008
Zaaknummer
79135 - HA ZA 06-741
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenlevingsovereenkomst waarbij een van de partners - voor het geval er aan de samenleving een einde komt - betalingen aan de andere partner overeenkomt die hij onmogelijk kan voldoen. Beroep op artikel 6:248 lid 2. Een lagere en kortere betalingsverplichting wordt vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 79135 / HA ZA 06-741

Vonnis in verzet van 16 januari 2008

in de zaak van

[eiseres]

wonende te [plaats],

eiseres,

gedaagde in oppositie,

procureur mr. V.J.A. Hetterscheidt,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

eiser in oppositie,

procureur mr. F.B.M. van Aanhold,

advocaat mr. R. Kaya te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 oktober 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 7 december 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De beoordeling

2.1. Overgenomen wordt hetgeen is overwogen en beslist in voormeld vonnis van

17 oktober 2007. In dit vonnis is - voor zover thans van belang - overwogen dat aan de zijde van [gedaagde] sprake kan zijn van zodanige omstandigheden dat onverkort vasthouden aan hetgeen partijen in de samenlevingsovereenkomst hebben vastgelegd (een betalingsverplichting gedurende zes jaar van € 700,00 per maand) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De rechtbank heeft vervolgens naar aanleiding van het verweer van [gedaagde] dat van een dergelijke situatie sprake is een comparitie van partijen gelast.

2.2. Ter comparitie is (nogmaals) besproken wat de achtergrond en het doel van de samenlevingsovereenkomst was voor zover die betrekking heeft op de maandelijkse betalingsverplichting van [gedaagde]. [eiseres] heeft verklaard dat het de bedoeling was dat zij, wat er ook zou gebeuren, in de woning zou kunnen blijven. Volgens haar is afgesproken dat [gedaagde] haar daartoe in staat zou stellen. Van wraak of de wens hem te straffen indien zij door zijn toedoen genoodzaakt zou zijn de relatie te beëindigen, was volgens haar geen sprake. [gedaagde] heeft dit niet weersproken. Op zijn beurt heeft [gedaagde] zijn verweer onderbouwd dat hij niet kan voldoen en ook niet gehouden kan worden aan een betalingsverplichting gedurende zes jaar van € 700,00 per maand.

2.3. Geoordeeld wordt dat dit verweer van [gedaagde] doel treft. Redengevend voor dit oordeel zijn de volgende feiten en omstandigheden.

2.4. De relatie tussen partijen heeft ruim vier jaar geduurd terwijl de betalingsverplichting een periode van zes jaar bestrijkt.

2.5. De overeenkomst van partijen is een ongebruikelijke. Partijen zijn niet getrouwd, hebben geen kinderen en hebben allebei een baan. Gebruikelijk in een dergelijke situatie is dat indien partners uit elkaar gaan en geen van beide partijen alleen het gemeenschappelijke huis kan betalen, het huis wordt verkocht.

2.6. De hoogte van de inkomens van partijen liep voor de verbreking van de samenleving en ook nu nog niet erg uiteen. Het argument van [eiseres] dat rekening moet worden gehouden met een hoger inkomen van [gedaagde] omdat het zijn eigen keuze is geweest om na de breuk van een baan met volledige werktijd over te stappen naar een deeltijdbaan, is wel van belang voor de uiteindelijke beslissing maar doet niet af aan het feit dat de inkomens vergelijkbaar zijn. [gedaagde] heeft bovendien genoegzaam gemotiveerd waarom hij van baan is veranderd. In zijn vorige werkkring, zo heeft hij toegelicht, had hij geen uitzicht op verdere doorgroei. Daarnaast had hij naar zijn zeggen in die baan problemen die hem bleven achtervolgen.

2.7. [eiseres] noch [gedaagde] hebben een partner en/of kinderen die te hunnen laste komen. Er zijn in zoverre dus ook geen derden in het spel voor wie het noodzakelijk zou zijn dat de woning voor [eiseres] behouden blijft.

2.8. [gedaagde] heeft in voldoende mate aangetoond dat hij in grote financiële problemen komt als hij aan de betalingsverplichting wordt gehouden. Van belang hierbij is dat hij, nadat partijen uit elkaar zijn gegaan, een flat heeft moeten kopen en een nieuwe inboedel heeft moeten aanschaffen. Hij heeft daarvoor een lening afgesloten. Tevens heeft hij

€ 16.000,00 aan [eiseres] moeten voldoen om het huis op haar naam te krijgen. Ook daarvoor heeft hij een lening afgesloten. [eiseres] heeft ter zitting verklaard dat zij hier niet bij heeft stilgestaan toen zij de overeenkomst sloot.

2.9. [eiseres] betoogt in dit verband tevergeefs dat [gedaagde], indien hij een andere baan zou nemen die beter betaalt en afziet van kostenposten als telefoon en auto, "over de duim gerekend" een bedrag van € 400,00 aan € 500,00 kan betalen. Nog daargelaten dat deze - niet onderbouwde – niet zonder meer gevolgd kan worden, is [gedaagde] ook dan nog geenszins in staat een bedrag van € 700,00 per maand te gaan betalen.

2.10. Tot slot heeft [eiseres] ter zitting verklaard dat zij op dit moment € 668,00 aan rente op hypotheek betaalt. Destijds betaalden partijen tezamen € 1.300,00, waarvan zij € 600,00 en [gedaagde] van € 700,00 voor zijn rekening nam. Het komt er dan ook op neer dat zij op dit moment de maandelijkse bijdrage van € 700,00 van [gedaagde] grotendeels niet nodig heeft om in de woning te kunnen verblijven. Opmerking verdient hierbij dat [eiseres] een lening heeft moeten afsluiten van € 9.000,00 om de lage rente mogelijk te maken. Verder heeft [eiseres] verklaard dat de vaste renteperiode waar ze nu van profiteert, over twee jaar afloopt. De verwachting is dat zij dan aanzienlijk meer moet gaan betalen aan rente.

2.11. In het licht van al deze feiten en omstandigheden wordt geoordeeld dat [gedaagde] niet onverkort gehouden kan worden aan de overeengekomen betalingsverplichting. In plaats daarvan zal hij de komende twee jaren elke maand een bedrag van € 150,00 dienen te voldoen en de daaropvolgende twee jaren een bedrag van € 250,00. Hiermee wordt enerzijds voldoende tegemoet gekomen aan hetgeen partijen bij de overeenkomst beoogden en anderzijds recht gedaan aan de vermogenspositie van [gedaagde]. In de komende twee jaar is [gedaagde] in de gelegenheid om zijn inkomen zodanig te vergroten dat hij over twee jaar in staat zal zijn het bedrag van € 250,00 te betalen.

2.12. De slotsom luidt dat het verstekvonnis vernietigd zal worden. Nu partijen uiteindelijk over en weer op enig punt in het ongelijk zijn gesteld en zij tevens voormalig samenwonenden zijn, wordt aanleiding gevonden om de proceskosten tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij zowel in de verstekprocedure als in de verzetprocedure de eigen kosten draagt.

2.13. [gedaagde] zal echter wel de kosten van het deskundigenbericht aan de griffier moeten voldoen omdat hij op dat punt volledig in het ongelijk is gesteld.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. vernietigt het door deze rechtbank op 31 mei 2006 onder 77422 / HA ZA 06-440 gewezen verstekvonnis,

en opnieuw beslissend

3.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 9.600,00 (negenduizendzeshonderd euro), te voldoen in 24 maandelijkse termijnen van € 150,00 en vervolgens 24 maandelijkse termijnen van € 250,00. De eerste termijn vervalt uiterlijk

14 dagen na betekening van dit vonnis,

3.3. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het deskundigenbericht tot een bedrag van

€ 1.000,00, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer [banknummer] ten name van arrondissement Zutphen onder vermelding van "proceskostenveroordeling deskundigenbericht [eiseres]/[gedaagde]" en het zaak- en rolnummer,

3.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.C.M. Willemse en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2008.