Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BC8675

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
04-04-2008
Zaaknummer
87190 FA RK 07-1292
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De man is niet-verwijtbaar werkloos. Hij heeft aannemelijk gemaakt dat sprake is van inkomensverlies, dat niet (althans niet geheel) voor herstel vatbaar is. Op basis van de overgelegde stukken kan niet worden ingeschat welk inkomen de man in redelijkheid kan verwerven. Daarom beoordeelt de rechtbank of de man in de huidige situatie nog in staat is de vastgestelde bijdrage te voldoen en daarbij op een inkomensniveau te blijven van ten minste 90 % van de toepasselijke bijstandsnorm. Dit blijkt niet het geval, zodat de bijdrage wordt verlaagd. Het onvoldoende feitelijk onderbouwen van de financiële situatie door de man heeft bovendien gevolgen voor de ingangsdatum van de wijziging van de bijdrage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 87190 FA RK 07-1292

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 1 april 2008

in de zaak van:

[de man],

wonende te [plaats],

verzoeker, verder te noemen de man,

procureur: voorheen mr. W. Vahl, thans mr. F.J. Bosma,

tegen

[de vrouw],

wonende te [plaats],

verweerster, verder te noemen de vrouw,

procureur: mr. C.B. Gaaf,

advocaat: mr. E.C. Kleverlaan te Alkmaar.

Het verdere procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 15 januari 2008;

- de brief met bijlagen van mr. Bosma van 8 februari 2008;

- de brief met bijlage van mr. Gaaf van 10 maart 2008.

De verdere beoordeling

De rechtbank neemt over hetgeen zij bij voornoemde tussenbeschikking heeft overwogen en beslist.

De rechtbank heeft reeds geoordeeld dat de man voldoende feitelijk heeft onderbouwd dat hij niet verwijtbaar werkloos is geworden.

Voorts heeft de rechtbank geconcludeerd dat de man onvoldoende inzage heeft gegeven in de financiële gevolgen van een en ander. Hij is daarom nog in de gelegenheid gesteld tot het overleggen van nadere stukken en de vrouw is nog in de gelegenheid gesteld op deze nader ingebrachte stukken te reageren.

De man heeft, hoewel dat bij voornoemde tussenbeschikking door de rechtbank is verzocht, verzuimd de aangifte IB 2006 en de definitieve, dan wel de voorlopige aanslag IB 2006 over te leggen. Evenmin heeft de man de finale jaarstukken van de onderneming overgelegd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de administratie niet is verwerkt, omdat hij de rekeningen van de accountant niet meer kon betalen. Om die reden heeft de man de kolommen¬balansen overgelegd, omdat daar volgens hem uit blijkt hoe de omzet en winstontwikkeling in de jaren 2005 en 2006 zijn geweest.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat op geen enkele wijze is gecontroleerd, althans gecontroleerd kan worden, of de door de man overgelegde berekeningen (kolommen-balansen) correct zijn. De jaarstukken zijn niet opgesteld door een accountantskantoor, noch heeft er controle plaatsgevonden door een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent met gecertificeerde bevoegdheid, noch zijn de cijfers voorzien van een toelichting. De vrouw betwist dan ook dat de cijfers correct zijn.

De rechtbank overweegt dat de winst- en verliesrekening niet altijd zonder meer een juiste weergave is van de financiële situatie van een onderneming. Op de overgelegde stukken is geen accountantscontrole toegepast en deze stukken zijn samengesteld op basis van de eigen opgave van de man. De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende stukken heeft overgelegd, zodat het verzoek van de man niet kan worden toegewezen op de door hem aangevoerde gronden, nu de man eenvoudigweg niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de financiële gang van zaken in zijn bedrijf is geweest. In beginsel zou dit moeten leiden tot afwijzing van het verzoek.

De rechtbank heeft echter reeds overwogen dat de man voldoende heeft onderbouwd dat hij niet verwijtbaar werkloos is geworden. Ook heeft de man aannemelijk gemaakt dat - uiteindelijk - sprake is van inkomensverlies ten opzichte van het moment waarop de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw is vastgesteld (10 juni 2004). De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de man voldoende feitelijk heeft onderbouwd dat het door hem geleden inkomensverlies niet (althans niet geheel) voor herstel vatbaar is en dat de vrouw, gelet op de gezondheidsproblematiek van de man, niet van hem kan vergen dat hij opnieuw het oorspronkelijke inkomen gaat verwerven. Nu op basis van de overgelegde stukken niet kan worden vastgesteld in hoeverre het inkomensverlies voor herstel vatbaar is en derhalve niet valt in te schatten welk inkomen de man in redelijkheid kan verwerven, zal de rechtbank beoordelen of de man - uitgaande van de huidige situatie - nog in staat is de vastgestelde bijdrage te voldoen en daarbij op een inkomensniveau te blijven van ten minste 90 % van de toepasselijke bijstandsnorm.

Het onvoldoende feitelijk onderbouwen van de financiële situatie van de onderneming dient naar het oordeel van de rechtbank bovendien gevolgen te hebben voor de datum per wanneer deze beoordeling dient plaats te vinden. De bijdrage in de periode waarin de man zijn onderneming nog had, komt niet voor wijziging in aanmerking, nu het gebrek aan draagkracht over die periode, zoals hiervoor overwogen, onvoldoende feitelijk door de man is onderbouwd en er onvoldoende aanknopingspunten zijn om de berekening op basis van 90 % van de bijstandsnorm te maken. De rechtbank ziet geen aanleiding om een andere ingangsdatum te bepalen dan de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop het verzoekschrift is ingediend, in dit geval 1 augustus 2007. De vrouw heeft eerst met ingang van die datum rekening kunnen en moeten houden met een eventuele verlaging c.q. nihilstelling van de door de man te betalen bijdrage in de kosten. Voldoende staat vast dat de man op dat moment een WW-uitkering had en geen inkomsten uit zijn bedrijf.

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man, alles per jaar, uit van:

- een fiscaal loon van € 20.157,--, inclusief de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 1.231,-- (jaaropgaaf UWV 2007);

- het eigenwoningforfait van € 1.089,--;

- de hypotheekrente van € 6.615,--;

- de algemene heffingskorting van € 2.043,--;

- de volgens de jaaropgaaf 2007 verrekende arbeidskorting van € 205,--;

- de alleenstaande ouderkorting van € 1.437,--;

- een totaal aan verschuldigde inkomstenbelasting van € 1.231,--.

Op basis hiervan berekent de rechtbank het besteedbare inkomen van de man op € 1.577,-- per maand.

Bij de bepaling van het draagkrachtloos inkomen van de man is de rechtbank (met hantering van de tarieven en normen van de tweede helft van 2007) uitgegaan van de navolgende lasten op maandbasis:

- de hypotheekrente van € 551,--;

- het forfait overige eigenaarslasten van € 95,--;

- de totale premie Zorgverzekeringswet van € 210,92 (zijnde de basis- en aanvullende premie van € 134,34, vermeerderd met de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 102,58 en de ambtshalve berekende zorgtoeslag van € 26,--).

Aldus gerekend en rekening houdend met de opgelegde bijdrage ten behoeve van de vrouw, blijkt dat de man feitelijk niet over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan te voorzien. Daarin ziet de rechtbank aanleiding de bijdrage te matigen tot een bedrag van € 135,-- netto per maand, zijnde € 203,-- bruto per maand, nu voor de man bij een dergelijke bijdrage een inkomen resteert dat gelijk is aan 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm van € 872,-- (norm tweede helft 2007) minus de wooncomponent van € 200,-- per maand (€ 872,-- x 0,9 -/- € 200,-- = € 584,80). De rechtbank zal deze bijdrage, die zij in overeenstemming acht met de wettelijke maatstaven, toewijzen.

De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de bij beschikking van de rechtbank Alkmaar van 10 juni 2004 bepaalde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en stelt deze met ingang van 1 augustus 2007 vast op een bedrag van € 203,-- (tweehonderddrie euro) per maand;

veroordeelt de vrouw om aan de man terug te betalen al hetgeen na indiening van het inleidend verzoekschrift van 5 juli 2007 is geïncasseerd;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.