Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BC7740

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
08/367 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wijnproeverij op Chateau Bejo. Last onder dwangsom in verband met overtreding Drank- en Horecawet (hierna: DHW) en het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Er is sprake van een horecabedrijf in de zin van de DHW, waarvoor geen vergunning ingevolge die wet is verleend. Er bestaat echter voldoende concreet zicht op legalisatie. Er is geen strijd met het bestemmingsplan omdat verweerder in het verleden een impliciete gebruiksvrijstelling heeft verleend.

Het besluit tot opleggen van bestuursdwang wordt geschorst vanwege onevenredig nadeel verzoekster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2008/1118

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: 08/367 GEMWT

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoekster]

te Haarlo,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland

verweerder.

1. Bestreden besluit

Besluit van verweerder van 27 september 2007.

2. Feiten en procesverloop

Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoekster een last onder dwangsom opgelegd in verband met overtreding van de Drank- en Horecawet (DHW) en het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Daarbij is verzoekster gelast om de geconstateerde overtredingen vóór

1 januari 2008 te beëindigen en beëindigd te houden, op verbeurte van een dwangsom van

€ 20.000,-- ineens.

Namens verzoekster heeft mr. J.V.M. de Jong, advocaat te Apeldoorn, bij brief van 25 oktober 2007 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Bij brief van 5 maart 2008 is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 20 maart 2008, waar verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

M.G.J. Lubberink en R.S. Willemsen.

3. Motivering

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan, of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen in de plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. In artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels die het gemeentebestuur uitvoert.

Bij besluit van 27 september 2007 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd omdat eiseres zonder de in het kader van artikel 3 van de DHW vereiste vergunning wijnproeverijen organiseert en in strijd met het geldende bestemmingsplan gesloten flessen wijn verkoopt op het perceel [adres] te Haarlo.

Ingevolge artikel 3 van de DHW is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de DHW wordt onder horecabedrijf verstaan: de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik te plaatse.

Tussen partijen is allereerst in geschil de vraag of verzoekster op het perceel [adres] te Haarlo een horecabedrijf uitoefent.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moet het laten proeven van wijnen door verzoekster op haar perceel worden aangemerkt als het bedrijfsmatig verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 20 april 2004, LJN: AA5812. In het door de Afdeling beoordeelde geval ging het om een vennootschap onder firma die een slijtersbedrijf exploiteerde dat zich met name richtte op de verkoop van kwaliteitswijnen. De firma wenste in haar bedrijf proeverijen te organiseren ten einde haar cliënten de gelegenheid te bieden kennis te maken met het assortiment wijnen. In het onderhavige geval is eveneens sprake van het bieden van de gelegenheid aan klanten om kennis te maken met de door verzoekster geproduceerde wijnen, hetgeen moet worden beschouwd als het bedrijfsmatig verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, waarvoor ingevolge artikel 3 van de DHW een vergunning nodig is.

Vast staat dat verzoekster niet beschikt over een dergelijke vergunning zodat verweerder in beginsel bevoegd is om ter zake van overtreding van de DHW met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden.

Met betrekking de gestelde overtreding van de gebruiksbepalingen van het ter plaatse geldende bestemmingsplan overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Zoals de commissie bezwaarschriften in het advies van 21 februari 2008 terecht heeft opgemerkt, heeft verweerders rechtsvoorganger met de in 1995, 1997 en 2000 verleende bouwvergunningen impliciet vrijstelling verleend voor het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de betreffende opstallen als wijnproeflokaal waarbij klanten eveneens in de gelegenheid worden gesteld flessen wijn te kopen voor gebruik elders. In dit verband verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraken van de Afdeling van 20 juni 2001 (LJN:AN6787) en van 8 september 2004 (Bouwrecht 2005, nr. 6). Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter staat het verweerder dan ook niet vrij om ter zake van dit gebruik middels bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden.

Ter zitting is namens verweerder aangegeven dat voor het proeflokaal in beginsel een vergunning op grond van artikel 3 van de DHW zou kunnen worden gegeven als aan alle voorwaarden ter zake is voldaan. Het lijkt niet uitgesloten dat de eventueel noodzakelijke aanpassingen van het proeflokaal op grond van het thans geldende bestemmingsplan “Aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen” toegestaan zijn, zodat zicht is op legalisatie. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich brengt in verhouding tot het met zodanige uitvoering te dienen belang.

Het verzoek om toepassing van artikel 8:81 Awb komt derhalve voor inwilliging in aanmerking als hieronder bepaald.

Er is tevens aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van verzoekster. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden ter zake van rechtsbijstand 2 punten toegekend, waarbij een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit.

Aldus gegeven door mr. Tj. Gerbranda en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2008 in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Steigenga-Gerritsen als griffier.