Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BC6715

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
06/460481-07 en 06/460606-05 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte voor meerdere diefstallen in de gemeente Montferland tot 10 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460481-07

Uitspraak d.d.: 5 maart 2008

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1987],

wonende te [adres en plaats].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 februari 2008.

Ter terechtzitting gegeven beslissing

Ter terechtzitting is de beslissing gegeven dat de voorlopige hechtenis van verdachte met onmiddellijke ingang is opgeheven.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 20 augustus 2007 tot en met 24 augustus 2007, te [plaats], gemeente Montferland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een skelter, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 20 juli 2007 tot en met 20 augustus 2007 te [plaats], gemeente Montferland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een kelderbox heeft weggenomen meerdere, atlhans een autoband(en) met velg(en) en/of een gereedschapkist met inhoud en/of een autoradiocdspeler, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op meerdere, althans een tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 augustus 2007 tot en met 28 augustus 2007, te [plaats], gemeente Montferland, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een kantine van de [voetbalvereniging] heeft weggenomen drank, waaronder meerdere, althans een flesje(s) wodka-lemon en/of Amstel Bier en/of icetea en/of etenswaren, waaronder worstjes en/of snickers en/of ongeveer 300 euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval (telkens) enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [voetbalvereniging], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op een tijstip in of omstreeks de periode van 27 augustus 2007 tot en met 28 augustus 2007, te [plaats], gemeente Montferland, opzettelijk en wederrechtelijk gaas en/of uitzetijzers van een raampje in een kelderbox behorende bij [perceel], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [woningstichting], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op meerdere, althans een tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 juli 2007 tot en met 28 augustus 2007 te [plaats] en/of Doetinchem, althans in Nederland opzettelijk ongeveer 250 euro, althans 155 euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer C] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke hoeveelheid geld verdachte anders dan door misdrijf, te weten door het ter beschikking stellen van zijn (bank)rekening voor het ontvangen van salaris en/of vakantiegeld, althans geld voor [slachtoffer C], wederrechtelijk zich heeft toege-eigend.

art 321 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan

1.Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Wat betreft feit 1 kan dit gebaseerd worden op de aangifte, de eigen verklaring van verdachte en de verklaring van de getuige [slachtoffer C]. Voor het onder 2 ten laste gelegde geldt dat uitsluitend voor vier banden met bijbehorende velgen; het overige genoemde is niet in de kelderbox van de vriendin van verdachte, [slachtoffer C], teruggevonden en ook overigens is er geen bewijs voorhanden voor diefstal door verdachte van die overige zaken. Op basis van twee aangiften en de bekennende verklaring van verdachte, acht de officier van justitie verder het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen met dien verstande dat in de onderscheiden verklaringen van verschillende hoeveelheden weggenomen geld wordt gesproken, zodat overblijft het wettig en overtuigend bewijs van wegname van een hoeveelheid geld. Het onder 4 ten laste gelegde is bewezen, voorzover het de vernieling van de uitzetijzers betreft. Tenslotte is op basis van de aangifte van [slachtoffer C], alsook de bekennende verklaring van verdachte, dat hij wist dat er geld op zijn rekening was gestort en bekend was met de curatele van [slachtoffer C], wettig en overtuigend bewijs voor het onder 5 ten laste gelegde.

2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte is van mening dat er wettig en overtuigend bewijs is voor het onder 1 tot en met 4 ten last gelegde. Over het onder 5 ten laste gelegde heeft de raadsman opgemerkt dat er geen bewijs is voor het opzet van verdachte op de verduistering van het geld van zijn vriendin, [slachtoffer C]. Evenmin is daarvan in de voorwaardelijk zin sprake, omdat verdachte meende dat het geld dat op zijn rekening is gestort hem toebehoorde. Het is de raadsman overigens niet gebleken dat [slachtoffer C] onder curatele staat. Daarom behoort voor het onder 5 ten laste gelegde vrijspraak te volgen.

3. Bewijsmiddelen

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de volgende overwegingen over het bewijs, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal en de daarbij horende bijlagen, dossiernummer: PL0648/07-207332, gesloten en ondertekend op 25 september 2007.

Feit 1:

Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (p. 85-89).

Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p. 97-98).

Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer C] (p. 90-91).

Feit 2:

Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer B] (p. 79-81).

Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p. 82-83).

Feit 3:

Proces-verbaal van aangifte van [vrijwilliger voetbalvereniging] (p.100-103).

Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p.104-106).

Proces-verbaal van aangifte van [kantinebeheerster] (p.108-110).

Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p.115-116).

Feit 4:

Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (p. 36-38).

Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p. 41-42).

Proces-verbaal, ambtelijk verslag (p. 39).

Proces-verbaal, ambtelijk verslag (p. 50-51).

Feit 5:

Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer C] (p. 118-121).

Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p.124-125).

4. De bewijsmotivering

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde stelt de rechtbank vast dat aangeefster onder meer aangifte doet van diefstal van een skelter uit de bij haar flatwoning horende kelderbox. Deze diefstal moet blijkens haar aangifte hebben plaatsgevonden tussen maandag 20 en donderdag 23 augustus 2007. Immers, aangeefster verklaart dat zij van 20 tot en met 24 augustus 2007 met vakantie is geweest en direct daaraan voorafgaand de skelter nog in haar kelderbox heeft zien staan. Op 23 augustus daaropvolgend heeft ze de mededeling ontvangen dat in haar kelderbox is ingebroken en dat de skelter is verdwenen. Na terugkomst van vakantie heeft zij de afwezigheid van die skelter zelf geconstateerd.

5. Verdachte bekent in de nacht van 19 op 20 augustus 2007 in de kelderbox van aangeefster te hebben ingebroken, echter zonder daarbij het slot te behoeven forceren omdat de deur wel dicht was maar niet met een slot was afgesloten. Verdachte heeft blijkens zijn verklaring vervolgens de skelter uit de kelderbox van aangeefster gehaald, deze in de kelderbox van zijn vriendin [slachtoffer C] geplaatst en met een doek bedekt. Dit strookt met de verklaring van die [slachtoffer C], daar waar zij bij proces-verbaal van verhoor d.d. 28 augustus 2007 verklaart: “Verleden week kwam ik bij mij in de kelderbox en trof daar een grote blauwe skelter aan. Er lag een doek over die skelter. Ik kende die skelter niet”. Uit het voorgaande volgt het oordeel van de rechtbank dat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

6. Wat het onder 2 ten laste gelegde betreft, overweegt de rechtbank als volgt. Aangever [slachtoffer B] doet aangifte van diefstal uit zijn kelderbox van vier autobanden met bijbehorende velgen en van twee nieuwe velgloze banden die geschikt zijn voor een Volkswagen Golf. Verder mist hij uit die kelderbox een met gereedschap gevulde gereedschapskist en een radio-cdspeler. Volgens aangever moet degene die deze zaken heeft weggenomen de kelderbox door middel van braak zijn binnengekomen, omdat aangever heeft vastgesteld dat het slotschoot van de deur is vernield.

7. Verdachte bekent in dezelfde nacht van de diefstal van de hiervoor genoemde skelter te hebben ingebroken in de kelderbox van aangever [slachtoffer B]. Alvorens hij de kelderbox heeft kunnen ingaan heeft hij aan de deur daarvan gevoeld en gemerkt dat deze op een kier stond, maar nog wel op slot zat. Door éénmaal met de schouder hard tegen de deur te duwen ging die open. Verdachte verklaart in die kelderbox autobanden met velg te hebben gezien en twee aan twee uit die box naar de kelderbox van zijn vriendin [slachtoffer C] te hebben gebracht. Verdachte ontkent de diefstal van velgloze banden; deze heeft hij blijkens zijn verklaring laten liggen. Wegname van de met gereedschap gevulde gereedschapskist en de radio-cdspeler kan hij zich niet herinneren, omdat hij volgens zijn eigen verklaring “stomdronken was”. Slechts wanneer genoemde goederen ook in de kelderbox worden aangetroffen, aldus verdachte, zal hij die ook wel hebben gestolen.

8. De rechtbank stelt vast dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, echter uitsluitend voorzover het gaat om de autobanden met bijbehorende velgen. Er is geen bewijs voorhanden van diefstal door verdachte van de overige onder 2 ten laste gelegde genoemde goederen, ook al niet omdat geen van die goederen in de kelderbox van de vriendin van verdachte, [slachtoffer C], zijn aangetroffen. Van de diefstal van laatstbedoelde goederen behoort verdachte daarom te worden vrijgesproken.

9. Aangaande het onder 3 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt. Blijkens haar aangifte heeft [vrijwilliger voetbalvereniging] samen met [kantinebeheerster] op 24 augustus 2007 vanaf ca. 8.30 uur schoonmaakwerkzaamheden verricht in de kantine van [voetbalvereniging] te [plaats]. Zij zien tijdens dat schoonmaken dat de dartkast is opengebroken en dat het geld dat zich in een witte bak in die kast behoort te bevinden, verdwenen is. Zij schatten dat zich een bedrag van ca. € 300 in deze witte bak moet hebben bevonden. De eigenaar van de dartkast ([eigenaar]) schat de inhoud echter op ca. € 150.

10. [kantinebeheerster], beheerster van de kantine van [voetbalvereniging] te [plaats], doet aangifte van inbraak in die kantine en diefstal daaruit van twaalf packs ice-tea. Zij meent dat de dief een sleutel van die kantine moet hebben, omdat zij heeft gezien dat de voordeur van de kantine niet goed is afgesloten terwijl zij zeker weet die deur de vorige avond met een sleutel te hebben afgesloten. [kantinebeheerster] doet de aangifte nadat zij van de politie de vraag heeft voorgelegd gekregen of zij die twaalf flesjes ice-tea mist. Zij antwoordt daarop bevestigend, nadat zij de flesjes heeft herkend aan de gele doppen en aan de barcode die overeenkomt met nog in de voorraadkamer resterende flesjes.

11. Verdachte bekent beide diefstallen. Hij verklaart de eerste maal in de kantine van [voetbalvereniging] te zijn geweest in de nacht van 23 op 24 augustus 2007. Om daar binnen te komen heeft hij, aldus zijn verklaring, de deur van de hoofdingang met een schroevendraaier opengebroken. Vervolgens is hij de keuken binnengegaan, heeft daar uit een koelcel vier flesjes Amstel Bier weggenomen, deze leeggedronken en de lege flesjes teruggezet. Ook heeft hij daar, voor zover hier relevant, zes flesjes wodka-ice Lemon, een groot aantal Snickers en Bifi-worstjes meegenomen. Tenslotte heeft verdachte met eerder genoemde schroevendraaier de dartkast opengebroken, het geld daaruit genomen en geteld. Na telling bleek het volgens verdachte om ca. € 170 te gaan. Hij heeft dat geld verpakt in een theedoek en meegenomen. Het vorenoverwogene brengt met zich dat het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

12. Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende. Volgens het proces-verbaal van aangifte heeft aangeefster, blijkens haar verklaring woonachtig op het adres [adres], verklaart dat namens de woningbouwvereniging het slot van haar kelderbox op maandag 27 augustus 2007 is gerepareerd. De reparateurs hebben aangeefster na voltooiing van die reparatie meegedeeld dat zij de kelderbox niet hebben afgesloten omdat zij daarin een slapende man hebben aangetroffen. Aangeefster heeft de politie gebeld, die de desbetreffende man heeft meegenomen. In die man heeft aangeefster verdachte herkend. Bij nadere inspectie van haar kelderbox heeft zij opgemerkt dat het zich daarin bevindende kiepraam openstond, maar dat zij dat raam niet meer kon sluiten omdat de uitzetijzers waren verbogen. Eén der verbalisanten bevestigt in zijn ambtelijk verslag van de aanhouding dat er weliswaar geen sporen van braak in de kelderbox van aangeefster zijn aangetroffen, maar wel dat het zich in die kelderbox bevindend raam openstond en niet meer in zijn ijzers hing. Ook heeft aangeefster gezien dat het zich aan de buitenzijde van die raamopening bevindend gaas was verbogen. Aangeefster verklaart tenslotte dat de middag voorafgaand aan de aangifte het raam was gesloten en het gaas nog op zijn plaats was.

13. Verdachte verklaart dat hij in de nacht van 27 op 28 augustus 2007 op zoek was een geschikte slaapplaats en deze vond in de kelderbox van aangeefster. De deur naar deze kelderbox heeft hij open gevonden. Alvorens hij op een daar aanwezig matras in slaap is gevallen, heeft hij de kelderbox willen luchten door het daar aanwezige raam helemaal open te zetten door het uit de ijzers te drukken.

14. Uit het hiervoor overwogene vloeit het oordeel van de rechtbank voort dat het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen, echter uitsluitend voorzover het genoemde uitzetijzers betreft. De rechtbank gaat voorts uit van beschadiging van die ijzers omdat zij geen bewijs heeft aangetroffen voor de vernieling of het onbruikbaar maken van die ijzers.

15. Wat het onder 5 ten laste gelegde betreft overweegt de rechtbank dat aangeefster heeft verklaard enige maanden met verdachte te hebben samengewoond en met hem te hebben afgesproken dat haar salaris van twee weken werken voor een uitzendbureau op verdachte’s rekening zou worden overgemaakt. Deze afspraak heeft zij volgens haar verklaring gemaakt omdat haar eigen rekening is geblokkeerd. Aangeefster heeft verdachte verteld over deze transactie en volgens haar verklaring met hem afgesproken dat hij voor haar het door haar verdiende geld van de bank zou halen en haar zou overhandigen zodat zij daarover zelf kon beschikken.

16. Volgens verdachte’s verklaring wist hij op het moment dat geld op zijn rekening gestort werd niet dat het bestemd was voor aangeefster, zijn vriendin [slachtoffer C]. Dat er op dat moment geld op zijn rekening gestort werd was voor hem niet vreemd omdat verdachte toen in afwachting was van storting van zijn UWV-uitkering. Verdachte dacht daarom dat het gestorte geld voor hem bestemd was. Voorts heeft verdachte verklaard dat wanneer hij bekend was geweest met het feit dat het gestorte geld van [slachtoffer C] was geweest hij dat haar zou hebben gegeven. Later heeft hij ook de afspraak met haar gemaakt dat hij het haar alsnog zou (terug)betalen, maar dat zij hem daarop te kennen heeft gegeven daarop geen prijs meer te stellen.

17. De rechtbank concludeert uit het vorenoverwogene dat er geen wettig en overtuigend bewijs is voor het verdachte ten laste gelegde opzet, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet, van verduistering van een aan aangeefster toebehorend geldbedrag. Verdachte behoort daarom van het onder 5 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Vrijspraak

18. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte het onder 5 ten laste gelegde heeft begaan en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Bewezenverklaring

19. Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op een tijdstip omstreeks de periode van 20 augustus 2007 tot en met 24 augustus 2007, te [plaats], gemeente Montferland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een skelter, toebehorende aan [slachtoffer A];

2.

hij op een tijdstip in de periode van 20 juli 2007 tot en met 20 augustus 2007 te [plaats], gemeente Montferland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een kelderbox heeft weggenomen meerdere autobanden met velgen toebehorende aan [slachtoffer B], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking;

3.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 22 augustus 2007 tot en met 28 augustus 2007, te [plaats], gemeente Montferland, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een kantine van de [voetbalvereniging] heeft weggenomen drank, waaronder wodka-lemon en Amstel Bier en icetea en worstjes en snickers en een hoeveelheid geld, toebehorende aan [voetbalvereniging], waarbij verdachte zich telkens de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking;

4.

hij in de periode van 27 augustus 2007 tot en met 28 augustus 2007, te [plaats], gemeente Montferland, opzettelijk en wederrechtelijk uitzetijzers van een raampje in een kelderbox behorende bij [perceel], toebehorende aan [woningstichting], heeft beschadigd.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

20. Wat meer of anders ten laste gelegd is dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

21. Het bewezene levert op de misdrijven:

Feit 1: Diefstal;

Feit 2: Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking;

Feit 3: Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking, meermalen gepleegd;

Feit 4: Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort, beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

22. Omtrent de persoon van verdachte is een psychiatrisch onderzoek verricht, waarvan het resultaat is neergelegd in een rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) d.d. 15 januari 2008 en dat is opgemaakt door psychiater S. de Jong. De conclusie van dat rapport luidt als volgt:

“(…) Conclusie – Een bijna 21 jarige man met een lange voorgeschiedenis van gedragsproblemen, verslaving, marginaal sociaal functioneren en delicten en Borderline persoonlijkheidsproblemen. Een vicieuze cirkel van psychiatrische polyproblematiek.

Uit het overleg met de verslavingsreclassering blijkt dat hij voor een intake bij de dubbeldiagnosekliniek is aangemeld (29 januari 2008). Dit is zeker het proberen waard, zeker nu hij na een tijd in detentie tot rust is gekomen. Ten aanzien van het ten laste gelegde concludeer ik uit zijn relaas dat hij bewust heeft gehandeld en wist wat hij deed. In zoverre is er psychiatrisch geen aanwijzing voor verminderde toerekeningsvatbaarheid ten tijde van het ten laste gelegde. Wel was zijn sociale situatie ernstig aan het afglijden en ontbrak het hem aan vaardigheden om daar enigszins adequaat mee om te gaan. Mijns inziens mogelijk toch een factor om mee te wegen. Ik kan mij aansluiten bij het advies van Iris verslavingsreclassering die hem wil laten opnemen voor behandeling. Als stok achter de deur is een verplichting voor de behandeling aangewezen, mede gelet op zijn voorgeschiedenis (…).”

23. Met de conclusie van dit rapport kan de rechtbank zich verenigen. Zij neemt deze conclusie over.

24. Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

25. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die door verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, met een proeftijd van twee jaar. Als bijzondere voorwaarde vordert de officier van justitie dat verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften van IrisZorg, Justitiële Verslavingszorg, zolang zij dit noodzakelijk oordeelt, ook als dat inhoudt een klinische behandeling in de dubbeldiagnosekliniek te Wolfheze. Voorts vordert de officier van justitie de niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij, nu dit niet voortvloeit uit het onder 1 ten laste gelegde, omdat geen diefstal met braak is ten laste gelegd. Bij haar vordering heeft de officier van justitie in aanmerking genomen dat het bij verdachte, zoals onderzoek heeft uitgewezen, gaat om een aanzienlijke persoonlijkheidsproblematiek alsook van zware verslaving in verbinding met het doorlopend plegen van diefstallen en dat het recidivegevaar groot wordt geacht.

26. De raadsman is van mening dat verdachte zich reeds langer in voorlopige hechtenis bevindt dan de duur van een op te leggen straf. Daarom verzoekt hij om opheffing van voorlopige hechtenis. Voorts bepleit de raadsman afwijzing van de vordering van de benadeelde partij omdat verdachte onder 1 geen braak van de kelderbox behorend bij de woning [adres] is ten laste gelegd.

27. De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

28. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen – en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden – dat het plegen van dit soort vermogensdelicten onrust in de samenleving teweegbrengt. Gelet op het uittreksel justitiële documentatie heeft verdachte zich de afgelopen jaren schuldig gemaakt aan een reeks van vermogensdelicten. Blijkens voorlichtingsrapportage van IrisZorg d.d. 30 november 2007, de aanvulling daarop d.d. 19 februari 2008 alsook de hiervoor eerdergenoemde rapportage d.d. 15 januari 2008 van S. de Jong, is de recidivekans hoog en zijn er geen aanwijzingen voor een verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde.

29. De rechtbank acht een deels voorwaardelijke gevangenis¬straf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal voorts de bijzondere voorwaarde stellen, dat verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften van IrisZorg, Justitiële Verslavingszorg, zolang zij dit noodzakelijk oordeelt, ook als dat inhoudt een klinische behandeling in de dubbeldiagnosekliniek te Wolfheze.

In beslag genomen voorwerpen

30. De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het onder 3 bewezenverklaarde is voorbereid. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte:

- 3 schroevendraaiers.

Vordering tot schadevergoeding

31. De benadeelde partij, [woningstichting], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 58,57 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 en 4 ten laste gelegde.

32. Deze benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, nu deze vordering geen betrekking heeft op een bewezen verklaard feit en aan de benadeelde partij derhalve geen rechtstreekse schade is toegebracht door een bewezen verklaard feit, zoals bedoeld in artikel 361, tweede lid aanhef en sub b van het Wetboek van Strafvordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

33. Deze strafoplegging is gegrond op artikelen: 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14i, 14j, 24, 27, 33, 33a, 57, 310, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 5 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders onder 1 tot en met 4 is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dat als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 5 (vijf) maanden niet zal worden tenuitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt danwel de volgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens IrisZorgreclassering, Justitiële Verslavingszorg, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook als dat inhoudt een klinische behandeling in de dubbeldiagnosekliniek te Wolfheze.

Geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt, dat de tijd door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

drie schroevendraaiers (1 schroevendraaier Kangtai; 1 schroevendraaier, kleur groen met afgebroken punt en 1 kruiskop schroevendraaier).

Verklaart de benadeelde partij [woningbouwvereniging] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Aldus gewezen door mrs. Bos, voorzitter, Borgerhoff Mulder en Kleinrensink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Soest, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 maart 2008.

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Parketnummer: 06/460606-05 (TUL)

De rechtbank heeft te beslissen op de op 26 oktober 2007 ter griffie ingekomen vordering van de officier van justitie strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank d.d. 28 februari 2006 aan

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1987],

wonende te [adres en plaats],

voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarbij de proeftijd is bepaald op 2 jaren en als bijzondere voorwaarde is gesteld, dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht.

De rechtbank heeft de stukken bezien.

De vordering is in het openbaar behandeld ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer

op 20 februari 2008. Van deze behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

Motivering

Blijkens de inhoud van het Afloopbericht toezicht van Iriszorg, instelling voor verslavingszorg, te Doetinchem d.d. 5 september 2007 heeft veroordeelde op 1 maart 2007 een gesprek gehad met L.J.M. Janssen, rapporteur van Iriszorg. L.J.M. Janssen concludeert dat veroordeelde toegeleid dient te worden naar Kairos te Arnhem, waar hij een persoonlijkheidsonderzoek dient te krijgen evenals een delictsanalyse. Ten tijde van de uitvoering van het toezicht is dit plan niet gehaald, omdat veroordeelde niet op afspraken kwam en/of niet aanspreekbaar was en zich overigens niet gehouden heeft aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering. Voortzetting van het contact is daarom, zo vermeldt hiervoor genoemd afloopbericht, niet langer mogelijk en gewenst.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat veroordeelde de hem opgelegde bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd. Nu de rechtbank niet is gebleken van feiten of omstandigheden die een afwijkend oordeel zouden kunnen rechtvaardigen, dient de tenuitvoerlegging te worden gelast van de voorwaardelijk opgelegde straf.

Beslissing

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Zutphen van 28 februari 2006, (parketnummer: 06/460606-05), te weten 6 (zes) maanden.

Deze beschikking is gegeven mr. Bos, voorzitter, en mrs. Borgerhoff Mulder en Kleinrensink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Soest, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 maart 2008.