Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BC6654

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
07-03-2008
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
92091 - KG ZA 08-57
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Er kunnen zich gevallen voordoen waarbij strikte toepassing van de Wet op de jeugdzorg zich niet verhoudt tot hetgeen in artikel 3 lid 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind staat vermeld. In voorkomende gevallen kan het in het belang van de minderjarige zijn dat deze zonder zijn instemming toch in een justitiële jeugdinrichting wordt geplaatst of geplaatst blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 92091 / KG ZA 08-57

Vonnis in kort geding van 7 maart 2008

in de zaak van

[eiser],

verblijvende te Zutphen,

eiser,

procureur mr. J.H. Stam,

advocaat mr. J.W. Schouten te Arnhem,

tegen

1. de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting STICHTING BUREAUS JEUGDZORG GELDERLAND,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde,

advocaat mr. I.J.M. Schepers te Arnhem,

2. de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting STICHTING JUSTITIEEL PEDAGOGISCH CENTRUM DE SPRENGEN,

gevestigd te Zutphen,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eiser] en Bureau Jeugdzorg Gelderland respectievelijk De Sprengen genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen, betekend op 25 februari 2008

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling ter terechtzitting van 29

februari 2008

- de verstekverlening tegen de niet verschenen De Sprengen

- de pleitnota van Bureau Jeugdzorg Gelderland.

2. De feiten

2.1. Bij beschikking van 6 april 2007 heeft de kinderrechter in de rechtbank Arnhem [eiser], geboren op [1991] te [plaats], voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van vier weken.

2.2. Bij beschikking van 2 mei 2007 heeft de kinderrechter in de rechtbank Arnhem [eiser] onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg Gelderland voor de duur van 9 maanden, ingaande 6 juli 2007 tot 6 april 2008, en machtiging verleend tot plaatsing van [eiser] in een justitiële jeugdinrichting (normaal beveiligd) overeenkomstig het indicatiebesluit van 17 april 2007, ingaande 4 mei 2007 tot uiterlijk 4 augustus 2007.

2.3. Sedert 14 mei 2007 verblijft [eiser] in De Sprengen.

2.4. Bij beschikking van 29 januari 2008 heeft de kinderrechter in de rechtbank Arnhem een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [eiser] verleend in een voorziening voor gesloten jeugdzorg met ingang van 29 januari 2008 voor de duur van vier weken.

2.5. Bij beschikking van 25 februari 2008 heeft de kinderrechter in de rechtbank Arnhem machtiging verleend tot plaatsing van [eiser] in een voorziening voor gesloten jeugdzorg overeenkomstig het indicatiebesluit van 29 januari 2008, ingaande 26 februari 2008 tot uiterlijk 6 april 2008.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. Bureau Jeugdzorg Gelderland en De Sprengen zal veroordelen hem binnen twee uur na

betekening van dit vonnis te ontslaan uit de gesloten plaatsing en in vrijheid te stellen,

zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag of dagdeel dat één of beide

gedaagden op enig onderdeel van de veroordeling in gebreke blijven’

2. Bureau Jeugdzorg Gelderland en De Sprengen hoofdelijk zal veroordelen in de kosten

van deze procedure.

3.2. Bureau Jeugdzorg Gelderland voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tussen partijen staat onweersproken vast, dat van de sedert 1 januari 2008 wettelijk vereiste instemming van [eiser] om de machtiging tot uithuisplaatsing ten uitvoer te leggen in De Sprengen, zijnde een justitiële jeugdinrichting, geen sprake is. Strikte toepassing van de wet zou er dan ook toe leiden dat [eiser] op basis van de machtiging uithuisplaatsing gesloten jeugdzorg niet in een justitiële jeugdinrichting mag worden geplaatst.

4.2. Volgens artikel 3 lid 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna IVRK) vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging.

4.3. De voorzieningenrechter is van oordeel, dat zich gevallen kunnen voordoen waarbij strikte toepassing van de Wet op de jeugdzorg (hierna Wjz) zich niet verhoudt tot hetgeen in artikel 3 lid 1 IVRK staat vermeld. Immers in voorkomende gevallen kan het in het belang van de minderjarige zijn dat de minderjarige zonder zijn of haar instemming toch in een justitiële jeugdinrichting wordt geplaatst of geplaatst blijft.

4.4. Door [eiser] is onvoldoende gemotiveerd weersproken, dat uit het afgenomen persoonlijkheidsonderzoek blijkt, dat [eiser] een emotioneel gevoelige en beïnvloedbare jongen is met borderline-trekken die – als hij niet behandeld wordt – het risico loopt een borderline-persoonlijkheidsstoornis te ontwikkelen en dat volgens de onderzoekster behandeling van [eiser] noodzakelijk is om verdere scheefgroei in zijn ontwikkeling te voorkomen. [eiser] is het meest gebaat bij een instelling waar enerzijds controle en toezicht is en anderzijds betrokkenheid en zorg. Daarnaast zal [eiser] ondersteund dienen te worden bij het adequaat reguleren van zijn emoties en onlustgevoelens.

Door de Hoenderloogroep is echter de door Bureau Jeugdzorg Gelderland verzochte plaatsing van [eiser] in een specifieke gezinsgroep voor jongeren tussen 15 en 18 jaar afgewezen omdat de problematiek van [eiser] te ernstig zou zijn.

Aan de mogelijke directe plaatsing op Wapenveld, de open behandelvoorziening van De Sprengen, weigert [eiser] zijn instemming te verlenen.

4.5. Op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden is voorshands voldoende aannemelijk dat het ontslag van [eiser] uit De Sprengen, waarna hij wederom bij zijn ouders wil gaan wonen of in een crisisopvang, waarbij geen enkele vorm van behandeling zal plaatsvinden terwijl de behandeling juist noodzakelijk wordt geacht om verdere scheefgroei in de ontwikkeling van [eiser] te voorkomen, geen alternatief vormt voor plaatsing in een gesloten setting in afwachting van overplaatsing naar een behandelplek.

Dit leidt tot de conclusie dat strikte toepassing van de Wjz niet in het belang van [eiser] is, zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 IVRK, zodat zijn vorderingen moeten worden afgewezen.

4.6. Gelet op alle omstandigheden zullen de proceskosten worden gecompenseerd aldus, dat iedere partij met de eigen kosten belast blijft.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.A.G. van Valderen en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2008.