Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BC6320

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
06-03-2008
Datum publicatie
11-03-2008
Zaaknummer
06/851044-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk. De verdachte mocht er op vertrouwen dat, na acceptatie van het transactievoorstel, geen nieuwe eisen zouden worden gesteld en hij niet zou worden vervolgd. Later ingediende vorderingen van benadeelde partijen zijn niet zodanig zwaarwichtig dat dit vertrouwen doorbroken mag worden. De vervolging van verdachte is in strijd met de beginselen van goede procesorde, in het bijzonder in strijd met het vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Kinderrechter

Parketnummer: 06/851044-07

Uitspraak d.d.: 6 maart 2008

Tegenspraak/ dip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1991],

wonende te [adres en plaats]

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het achter gesloten deuren gehouden onderzoek op de terechtzitting van 6 maart 2008.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 23 juni 2007 te Lochem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk een of meer (op of nabij het adres [adres en plaats] ter hoogte van Hotel [naam] en/of op of nabij het [adres en plaats]) geparkeerde auto(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [naam] BV en/of [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] en/of [slachtoffer E] en/of [slachtoffer F] en/of [slachtoffer G] en/of [slachtoffer H] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door

(delen van) een of meer bedoelde auto's te bekladden/bewerken met verf;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Vaststelling van de feiten:

Aan de verdachte is op 16 augustus 2007 een aanbod gedaan inhoudende dat verdachte niet verder zal worden vervolgd indien hij een werkstraf van 28 uren zal verrichten. Voormeld aanbod is door het Openbaar Ministerie zonder enig voorbehoud gedaan en door verdachte aanvaard. Op 4 september 2007 heeft het Openbaar Ministerie verdachte een nieuw aanbod gedaan naar aanleiding van ingediende vorderingen van benadeelde partijen. Het nieuwe aanbod luidde dat verdachte niet verder zal worden vervolgd indien hij een werkstraf van 28 uren zal verrichten en daarnaast zijn aandeel in de schade (1/2 deel) ad € 278.04 zal vergoeden.

Standpunt van de raadsman van verdachte

Het openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk in haar vervolging. De verdachte heeft een transactie aanbod, betreffende een werkstraf van 28 uren, aangeboden gekregen en aanvaard. Hierdoor is een perfecte overeenkomst tot stand gekomen en verdachte mocht er op vertrouwen dat van verdere vervolging werd afgezien. Het nieuwe aanbod, betreffende het verrichten van een werkstraf van 28 uren en het vergoeden van de schade, en de dagvaarding zijn in strijd met de beginselen van goede procesorde en het vertrouwensbeginsel. De verdachte was gewillig de taakstraf te verrichten, maar dit werd hem belet door het nieuwe aanbod tot transactie.

Standpunt van de officier van justitie

Het Openbaar Ministerie had het recht tot vervolging overeenkomstig artikel 74, lid 4 van het Wetboek van Strafrecht. Indien de verdachte de hem aangeboden werkstraf reeds had verricht, was het recht tot verdere vervolging komen te vervallen. Op het moment dat er nog geen aanvang tot het verrichten van de werkstraf was, dienden de benadeelde partijen vorderingen tot schadevergoeding in. De vorderingen dienen meegenomen te worden in een transactievoorstel. De verdachte is op dit aanbod niet ingegaan.

Beoordeling

De verdachte mocht er op vertrouwen dat, gelet op de inhoud van het aanbod van de officier van justitie, na acceptatie geen nieuwe eisen zouden worden gesteld en hij niet zou worden vervolgd. Dit vertrouwen mag in uitzonderlijke gevallen worden doorbroken. Later ingediende vorderingen van de benadeelde partijen leveren naar het oordeel van de kinderrechter geen zodanig zwaarwichtige redenen op dat de officier van justitie de overeenkomst mag openbreken. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn immers niet tenietgegaan en kunnen alsnog bij de burgerlijke rechter worden ingediend. Door verdachte nu toch te vervolgen handelt de officier van justitie in strijd met de beginselen van goede procesorde, in het bijzonder in strijd met het vertrouwensbeginsel.

Beslissing

De kinderrechter beslist als volgt.

Verklaar de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering.

Aldus gewezen door mr. Krijger, kinderrechter, in tegenwoordigheid van Damink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 maart 2008.