Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BC6038

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
07-03-2008
Zaaknummer
07/2159 en 08/250 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vrijstelling als bedoeld in artikel 19, lid 2, van de WRO en bouwvergunning voor een multifunctionele accommodatie op een perceel aan de F.A. Molijnlaan te Nunspeet.

Ruimtelijke onderbouwing van het project wordt gevormd door voorontwerp bestemmingsplan: MFA Nunspeet met aangrenzende infrastructuur. Daarvan deel uitmakende Geluid- en luchtkwaliteitsonderzoek en de Verkeersstudie voldoen aan daaraan te stellen eisen.

Beroep ongegrond, verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nrs.: 07/2159 en 08/250 WRO

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in het geding tussen:

Stichting Bewonersbelangen Nunspeet en [eiser],

te Nunspeet,

verzoekers/eisers, hierna: eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet,

verweerder.

LMN Bouwbeheer B.V.

te Elburg,

derde-partij.

1. Bestreden besluit

Besluit van verweerder van 26 oktober 2007 (kenmerk 63.637).

2. Feiten en procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2007 heeft verweerder vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en reguliere bouwvergunning verleend voor een multifunctionele accommodatie op het perceel F.A. Molijnlaan ongenummerd in Nunspeet, kadastraal bekend A 5011 almede vrijstelling voor de bijbehorende terreininrichting inclusief parkeerplaatsen en de aangrenzende infrastructuur.

De tegen dit besluit gerichte bezwaren van eisers zijn bij het thans bestreden besluit – overeenkomstig het advies van de Commissie Bezwaarschriften – ongegrond verklaard.

Eisers hebben bij brief van 4 december 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 12 februari 2008 is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 21 februari 2008, waar namens eisers zijn verschenen [namen eisers]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [namen verweerders]. Voor de derde partij zijn ter zitting verschenen [namen derde partij].

3. Motivering

Indien de voorzieningenrechter na de behandeling ter zitting van een verzoek om een voorlopige voorziening van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij, ingevolge artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de bij de rechtbank aanhangige hoofdzaak. Van deze bevoegdheid wordt in dit geval gebruik gemaakt.

Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de Stichting Bewonersbelangen Nunspeet (hierna: de Stichting) als belanghebbende bij het bestreden besluit kan worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Artikel 2 van de statuten van de stichting luidt als volgt:

1. De stichting heeft ten doel:

a. het bevorderen en behartigen van de belangen van de bewoners van Nunspeet in brede zin;

b. het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn;

2. De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door:

a. het stimuleren en actief ondersteunen van bewoners in bewoners participatieactiviteiten;

b. het organiseren van informatie- en voorlichtingsactiviteiten naar bewoners;

c. het zoeken van samenwerking met verwante organisaties dan wel organisaties die behulpzaam kunnen zijn om de doelstelling van de stichting te kunnen verwezenlijken;

d. het toezicht houden en controleren dat overheden hun informatie- en communicatieverstrekking op de juiste, adequate en pro-actieve wijze verrichten;

e. het stimuleren en actief optreden in de belangenbehartiging voor bewoners van Nunspeet door samenwerking, krachtenbundeling en inkoopvoordeel;

f. het stimuleren en actief ondersteunen van bewoners bij hun (individuele) activiteiten, bezwaren en procedures;

g. het ontwikkelen, voorstellen, uitdragen en verdedigen van Bewoners Initiatief Voorstellen.

De voorzieningenrechter acht de doelstelling van de Stichting onvoldoende concreet en te algemeen geformuleerd om aan te nemen dat de Stichting door het besluit van verweerder van 18 juni 2007 rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt. Gelet op deze doelstelling kan ook hetgeen is aangevoerd omtrent de feitelijke werkzaamheden er in dit geval niet toe leiden dat de vereiste rechtstreekse betrokkenheid bij dat besluit kan worden aangenomen. Verweerder heeft derhalve het bezwaar van de Stichting ten onrechte ontvankelijk geacht. Het beroep is in zoverre gegrond. Met toepassing van artikel 8;72, vierde lid van de Awb wordt beslist als hierna is aangegeven.

Gelet op de afstand van de woning van [eiser] tot het bouwplan en de ruimtelijke uitstraling van dat plan kan het betoog van verweerder dat [eiser] geen belanghebbende is bij het besluit van 18 juni 2007 niet worden gevolgd.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet mag alleen en moet een reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien (samengevat en voor zover van belang) het bouwplan in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Het bouwplan voorziet in de oprichting van een multifunctionele accommodatie waarin de volgende functies zullen worden ondergebracht: onderwijs (school voor voortgezet onderwijs), welzijn, bibliotheek, jeugd- en ouderenwerk, muziekonderwijs, dorpshuis en daaraan dienstbare horeca.

De gronden waarop het in geding zijnde bouwplan betrekking heeft, zijn gelegen binnen de begrenzingen van het bestemmingsplan “De Brake” en hebben daarin voor het grootste deel de bestemming “Industriële Doeleinden B”. Een klein deel heeft de bestemming “Eensgezinshuizen XIV”. Tussen partijen is niet in geschil en ook de voorzieningenrechter stelt vast dat de het bouwplan in strijd is met de genoemde bestemmingsplannen.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO, kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt ingevolge het eerste lid, bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

De ruimtelijke onderbouwing van het project wordt gevormd door het voorontwerp van de partiële herziening van het bestemmingsplan De Brake: “MFA Nunspeet met aangrenzende infrastructuur” met bijlagen.

Blijkens de door gedeputeerde staten van de provincie Gelderland op 15 november 2005 gepubliceerde lijst is als categorie van gevallen waarin artikel 19, tweede lid, van de WRO kan worden toegepast aangewezen een project dat past binnen een voorontwerp bestemmingsplan en waarvoor de provinciale diensten en de inspecteur VROM positief hebben geadviseerd.

Bij brief van 18 december 2006 heeft de inspecteur VROM regio Oost ingestemd met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO ten behoeve van het project. Bij brief van 8 februari 2007 heeft de dienst Ruimte, Economie en Welzijn van de provincie positief geadviseerd dat het voorontwerp-bestemmingsplan “MFA Nunspeet met aangrenzende infrastructuur” een basis kan vormen voor het verlenen van vrijstelling op grond van art. 19, lid 2, WRO.

Eiser meent dat het voorontwerp “MFA Nunspeet met aangrenzende infrastructuur” niet ter ruimtelijke onderbouwing van het project kan dienen omdat het bij dat voorontwerp behorende “Geluid- en luchtkwaliteitsonderzoek” en de “Verkeersstudie MFA” niet aan de daaraan te stellen eisen voldoen. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat de door gedeputeerde staten bij besluit van 11 december 2006 toegelaten hogere grenswaarde voor geluid slechts de multifunctionele accommodatie betreft en niet de woningen aan de F.A. Molijnlaan. Volgens eiser is aannemelijk dat bij die woningen sprake is van een toename van de geluidsbelasting met meer dan 2dB zodat er sprake is van een reconstructiesituatie. Voorts meent eiser dat bij het geluidsonderzoek niet van de juiste peiljaren is uitgegaan.

Eiser meent tenslotte dat de bij het voorontwerp-bestemmingsplan behorende bijlage “Verkeersstudie MFA” een onjuiste voorstelling van de verkeerssituatie geeft. Volgens het Gemeentelijk Verkeersveiligheidsplan is een weg met een inrichting zoals de F.A. Molijnlaan een gebiedstoegangsweg en kan niet dienen als ontsluitingsweg voor 10.000 voertuigen. Bovendien is in die verkeersstudie ten onrechte geen rekening gehouden met het gebruik van het multifunctioneel centrum als filmzaal.

De voorzieningenrechter overweegt dat in hoofdstuk 5.1.1 van het “Geluid- en Luchtkwaliteitsonderzoek” van september 2006 is aangegeven dat bij een vijftal woningen de geluidsbelasting met meer dan 2 dB toeneemt zodat daar sprake is van een reconstructie als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder. In een aanvullend onderzoek van 11 juni 2007 is vastgesteld dat op geen van de gevels van de betreffende woningen de geluidsbelasting in 1986 hoger was dan 55 dB zodat van een saneringssituatie geen sprake is. Uit de in bijlage 2C bij het oorspronkelijk onderzoek weergegeven resultaten van een rekenmodel blijkt dat door toepassing van zeer stil asfalt, semi-dicht op delen van de F.A. Molijnlaan de geluidsbelasting terug kan worden gebracht naar de heersende waarde. In hoofdstuk 4.3 van het “Geluid- en Luchtkwaliteitsonderzoek zijn de uitgangspunten voor het onderzoek aangegeven. Het jaar 2005 geldt als het uitgangspunt voor de heersende situatie en het jaar 2016 voor de toekomstige situatie.

Voorts wordt overwogen dat in hoofdstuk 8.3.3.3 van de Verkeersstudie MFA is aangegeven dat aan de hand van de kerncijfers van het CROW een inschatting is gemaakt van het benodigde aantal fiets- en autoparkeerplaatsen voor alle participanten in het MFA, gedifferentieerd naar verschillende dagdelen. De te verwachten verkeerstoename is vervolgens op de ingeschatte parkeerbehoefte gebaseerd.

Ter zitting is zijdens verweerder desgevraagd meegedeeld dat in de verkeersstudie alle te verwachten ontwikkelingen zijn meegenomen. De inrichtingsmodellen uit het Gemeentelijk Verkeersveiligheidplan zien op nieuw aan te leggen wegen. In een bestaande situatie is het niet altijd mogelijk de inrichting aan te passen. De F.A. Molijnlaan is beeldbepalend en moet in tact blijven. De capaciteit van de F.A. Molijnlaan is voldoende voor de aangehouden etmaalsintensiteit van 10.000 voertuigen.

Bij de berekening van de verkeerstoename als gevolg van de multifunctionele accommodatie heeft de vloeroppervlakte van de verschillende functies als uitgangspunt gediend. Deze oppervlakte is door de inrichting van een ruimte als filmzaal niet toegenomen. Op het totaal van het door de Molijnlaan te verwerken verkeer is het verkeersaanbod als gevolg van het gebruik van de filmzaal met 100 plaatsen verwaarloosbaar.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet worden geoordeeld dat aan het Geluid- en Luchtkwaliteitsonderzoek en de Verkeersstudie MFA zodanige gebreken kleven dat het daarop mede gebaseerde voorontwerp bestemmingsplan niet kan dienen voor de ruimtelijke onderbouwing van het in geding zijnde project. Het standpunt van eiser dat de economische uitvoerbaarheid van het plan niet is gewaarborgd leidt, ongeacht de juistheid daarvan, niet tot een ander oordeel.

Voor zover eiser heeft betoogd dat het voorontwerp-bestemmingsplan niet in stand kan blijven omdat daarmee schade wordt toegebracht aan de flora en fauna ter plaatse overweegt de voorzieningenrechter als volgt. In hoofdstuk 2.10 van de toelichting op het voorontwerp-bestemmingsplan is aangegeven dat door Arcadis op 25 juli 2006 een rapportage van een Quickscan Flora en Fauna is uitgebracht. Op grond van die rapportage wordt geconcludeerd dat er bij de uitvoering van het plan ingevolge de Flora en Faunawet verplicht maatregelen moeten worden genomen. Gesteld noch gebleken is dat verweerder die maatregelen niet zal treffen of dat die maatregelen niet uitvoerbaar zijn.

In hoofdstuk 2 van de toelichting bij het voorontwerp-bestemmingsplan is aangegeven dat het plan is getoetst aan het streekplan Gelderland 2000 en de Integrale Ruimtelijke Toekomstvisie, Nunspeet 2015. Het concentreren van maatschappelijke voorzieningen op het in geding zijnde terrein past binnen het provinciaal beleid en de gemeentelijke toekomstvisie. Gelet daarop voldoet de ruimtelijke onderbouwing aan de ingevolge artikel 19, eerste lid WRO te stellen eisen, zodat verweerder bevoegd is vrijstelling te verlenen.

In hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd vindt de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen niet tot het verlenen van de vrijstelling heeft kunnen overgaan. Het standpunt dat eiser onevenredig in zijn belangen is getroffen is niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwd. Gelet daarop heeft verweerder het met de vrijstelling te dienen algemeen belang mogen prevaleren. De voorzieningenrechter acht het daarbij van belang dat het bouwplan voorziet in parkeerplaatsen op het aansluitend terrein, dat bruiloften en partijen niet zijn toegestaan en dat rekening wordt gehouden met de zondagsrust. Voorts is zijdens verweerder onweersproken gesteld dat ter voorkoming van overlast bouwkundige maatregelen mogelijk zijn.

Het beroep is ongegrond. Voor het treffen van een voorlopige voorziening zijn derhalve geen termen aanwezig. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- Verklaart het beroep deels gegrond;

- Vernietigt het bestreden besluit voorzover daarbij het bezwaar van de Stichting Bewonersbelangen Nunspeet ontvankelijk is verklaard;

- Verklaart de Stichting Bewonersbelangen Nunspeet niet ontvankelijk in het bezwaar;

- Verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- Wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra en in het openbaar uitgesproken op

5 maart 2008 in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Steigenga-Gerritsen als griffier.