Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BC4778

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
08/56 en 07/834
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, inzake de plaatsing van een stacaravan op een perceel in de gemeente Beekbergen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nrs.: 08/56 en 07/834

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in het geding tussen:

[verzoeker],

te Naaldwijk,

verzoeker/eiser, hierna eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn,

verweerder.

1. Bestreden besluiten

Besluiten van verweerder van 27 april 2007 en 25 januari 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2006 heeft verweerder eiser wegens het zonder bouwvergunning plaatsen van een stacaravan op het perceel kadastraal bekend gemeente Beekbergen, sectie L, [kadastraal nummer], plaatselijk bekend [naam] [standplaats nummer] te Beekbergen, gelast deze stacaravan zo spoedig mogelijk doch uiterlijk voor 29 september 2006 te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per maand, waarbij een deel van de maand ook als maand geldt, met een maximum van € 60.000,--.

Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit van 27 april 2007 heeft verweerder de bezwaren van eiser, overeenkomstig het op 11 april 2007 door de onafhankelijke bezwarencommissie van de gemeente Apeldoorn uitgebrachte advies, ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij brief van 8 mei 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij besluit van 1 oktober 2007 heeft verweerder besloten de begunstigingstermijn van het besluit van 27 april 2007 op te schorten tot na afsluiting van het te doorlopen mediationtraject. Dit traject is geëindigd zonder dat er tussen partijen overeenstemming is bereikt. Daarop heeft verweerder bij besluit van 11 december 2007 bepaald dat eiser de in geding zijnde stacaravan zo spoedig mogelijk doch uiterlijk op 1 februari 2008 dient te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij brief van 8 januari 2008 heeft eiser verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij brief van 15 januari 2008 heeft verweerder te kennen gegeven de begunstigingstermijn te verlengen tot twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank.

Bij besluit van 25 januari 2008 heeft verweerder de aan eiser gerichte lastgeving aangepast. Aangegeven is dat de lastgeving onder het kopje ‘Overtreding’ wordt aangevuld met:

“Het is, sedert 1 april 2007, tevens op grond van artikel 40, lid 2, van de Woningwet verboden een bouwwerk, standplaats of een deel daarvan dat is gebouwd zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning, in stand te laten”. Voorts is aangegeven dat het kopje ‘Lastgeving’ als volgt wordt aangepast:

“Wegens overtreding van artikel 40, lid 1, en lid 2 van de Woningwet en de voorschriften behorend bij het plaatse geldende bestemmingsplan Stuwwalrand Parkzone Zuid zal de strijdige situatie op het onderhavige perceel beëindigd moeten worden en blijven”.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 7 februari 2008, waar eiser in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M. van Wegen.

3. Motivering

3.1. Indien de voorzieningenrechter na de behandeling ter zitting van een verzoek om een voorlopige voorziening van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij, ingevolge artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de bij de rechtbank aanhangige hoofdzaak. Van deze bevoegdheid wordt in dit geval gebruik gemaakt.

3.2. Artikel 40 van de Woningwet, zoals dat luidde van 1 januari 2003 tot 1 april 2007, bevatte slechts een verbod om te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning). Met het primaire besluit van 18 augustus 2006, dat bij het bestreden besluit van 27 april 2007 is gehandhaafd, is eiser aangeschreven wegens overtreding van dit verbod.

Per 1 april 2007 is artikel 40 van de Woningwet gewijzigd en uitgebreid met het verbod “een bouwwerk, standplaats of deel daarvan dat is gebouwd zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning, in stand te laten, tenzij voor dat bouwen op grond van artikel 43 geen bouwvergunning is of was vereist.”.

Met het besluit van 25 januari 2008 heeft verweerder beoogd om de aanschrijving van eiser niet langer alleen te doen steunen op overtreding van het verbod om te bouwen zonder bouwvergunning (artikel 40, aanhef en onder a, van de Woningwet, zoals dat luidt per 1 januari 2008), maar tevens op overtreding van het per 1 april 2007 ingevoerde verbod om een bouwwerk dat zonder bouwvergunning is gebouwd in stand te laten (artikel 40, aanhef en onder b, van de Woningwet, zoals dat luidt per 1 januari 2008).

3.3. Anders dan verweerder meent en ook anders dan volgt uit de brief van 4 februari 2008 die de rechtbank in de beroepsprocedure aan eiser heeft gezonden en waarbij eiser de gelegenheid is geboden om nadere beroepsgronden tegen het besluit van 25 januari 2008 in te dienen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit van 25 januari 2008 niet aangemerkt kan worden als een wijzigingsbesluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb, waartegen het lopende beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt geacht mede te zijn gericht.

Het besluit van 25 januari 2008 berust niet op een herhaald gebruik van dezelfde bevoegdheid ten aanzien van dezelfde feitelijke situatie, waarbij gebleven wordt binnen de grondslag en de reikwijdte van de eerdere besluitvorming. Overtreding van het verbod om te bouwen zonder bouwvergunning is een andere overtreding dan overtreding van het verbod om een bouwwerk dat zonder bouwvergunning is gebouwd in stand te laten. Er is ook sprake van een ander relevant feitencomplex. Dat het gaat om hetzelfde bouwwerk (eisers stacaravan) maakt dat niet anders. Het besluit om eiser aan te schrijven als overtreder van het verbod om een bouwwerk dat zonder bouwvergunning is gebouwd in stand te laten is dan ook een geheel ander besluit dan het besluit om eiser aan te schrijven als overtreder van het verbod om te bouwen zonder bouwvergunning.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet het besluit van 25 januari 2008 daarom worden aangemerkt als een nieuw primair besluit, waartegen bezwaar openstaat.

Eiser heeft bij brief van 5 februari 2008 gereageerd op de hierboven vermelde brief van de rechtbank van 4 februari 2008. Gelet op de inhoud van die reactie en in aanmerking genomen het verhandelde ter zitting, waaruit ondubbelzinnig blijkt dat eiser onverkort bezwaar heeft tegen het feit dat hij tot verwijdering van de stacaravan wordt aangeschreven, dient eisers brief te worden aangemerkt als bezwaarschrift gericht tegen verweerders besluit van

25 januari 2008. De voorzieningenrechter is onbevoegd daarvan kennis te nemen en zal het daarom op de voet van artikel 6:15 van de Awb doorzenden aan verweerder.

3.4. Met betrekking tot het besluit van 27 april 2007 (dat voor wat betreft de begunstigingstermijn is gewijzigd op 1 oktober 2007, 11 december 2007 en 15 januari 2008) wordt het volgende overwogen.

Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven de tegenwerping aan eiser van overtreding van het verbod om te bouwen zonder bouwvergunning niet langer te handhaven.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen komt dit erop neer dat verweerder te kennen heeft gegeven het bestreden besluit van 27 april 2007 niet te handhaven.

De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om het tegen dit besluit gerichte beroep gegrond te verklaren en dit besluit (zoals gewijzigd op 1 oktober 2007, 11 december 2007 en 15 januari 2008) te vernietigen. Tevens bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit van

18 augustus 2006 te herroepen.

Het verzoek om een voorlopige voorziening dient, voor zover dit betrekking heeft op het besluit van 27 april 2007, te worden afgewezen. Gezien de vernietiging van dat besluit en de herroeping van het besluit van 18 augustus 2006 is er immers voor het treffen van een voorziening geen aanleiding.

3.5. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening mede betrekking heeft op het nieuwe, primaire besluit van verweerder van

25 januari 2008.

Aan het in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb opgenomen connexiteitsvereiste is voldaan omdat, zoals hiervoor is overwogen, eisers brief van 5 februari 2008 aangemerkt moet worden als een tegen het besluit van 25 januari 2008 gericht bezwaarschrift.

Vastgesteld moet vervolgens worden dat verweerder in het besluit van 25 januari 2008 in het geheel geen aandacht heeft besteed aan de begunstigingstermijn, dat wil zeggen de termijn die eiser wordt gegund om aan de in dit besluit geformuleerde lastgeving te voldoen.

Reeds daarom ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor het bij wijze van voorlopige voorziening schorsen van het besluit van 25 januari 2008.

3.6. Van voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. Wel is er gezien het voorgaande aanleiding om te bepalen dat het in de beroepszaak en voor de gevraagde voorlopige voorziening betaalde griffierecht door verweerder aan eiser wordt vergoed.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 27 april 2007 (zoals gewijzigd op 1 oktober 2007,

11 december 2007 en 15 januari 2008);

- herroept verweerders primaire besluit van 18 augustus 2006;

- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het bezwaar gericht tegen het besluit van

25 januari 2008;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening, voor zover dit betrekking heeft op het besluit van 27 april 2007, af;

- schorst het besluit van 25 januari 2008 tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het tegen dit besluit gerichte bezwaarschrift;

- bepaalt dat de gemeente Apeldoorn het in de beroepszaak en voor de gevraagde voorlopige voorziening betaalde griffierecht van in totaal € 286,-- aan eiser vergoedt;

Aldus gegeven door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2008 in tegenwoordigheid van mr. M.E.M.T. Duindam-Vossen als griffier.