Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BC4405

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
11-02-2008
Datum publicatie
15-02-2008
Zaaknummer
91681 - KG RK 08-121
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek; verzoek tot wraking van rechter dat onder meer is gegrond op de levensovertuiging van de rechter, wordt afgewezen. Het enkele feit dat de rechter in kwestie een bepaalde godsdienstige levensovertuiging is toegedaan, kan niet leiden tot de conclusie dat hij in het algemeen of in de procedure waarin wraking is verzocht, niet in staat zou zijn onpartijdig te oordelen, althans dat de vrees gerechtvaardigd is dat er sprake is van vooringenomenheid bij hem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rekestnummer: 91681 / KG RK 08-121

Beschikking van 11 februari 2008 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker]

wonende te Ugchelen,

verzoeker,

procureur: mr. G. Hilberink

betreffende

[gewraakte rechter]

vice-president in deze rechtbank.

Partijen zullen hierna mede [verzoeker] en [gewraakte rechter] genoemd worden.

1. Het verloop van de procedure

Dit blijkt uit:

in de hoofdzaak:

- de dagvaarding van 18 september 2007 waarmee [verzoeker] heeft gedagvaard “zij die verblijven in de onroerende zaak, of een gedeelte daarvan, aan de [adres en plaats], gemeente Apeldoorn” tegen de terechtzitting van deze rechtbank van 3 oktober 2007;

- de vermelding op de rolkaart dat op 3 oktober 2007 mr. R. Klein zich heeft gesteld voor gedaagde en dat de zaak naar de rol van 14 november 2007 is verwezen voor het nemen van een conclusie van antwoord;

- de vermelding op de rolkaart dat de zaak op verzoek van [verzoeker] bij vervroeging naar de rol van 17 oktober 2007 is verwezen;

- de op 17 oktober 2007 door [verzoeker] genomen Conclusie incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding;

- de op 31 oktober 2007 door mr. Klein namens [gedaagde], hierna ook [gedaagde], als gedaagde genomen Antwoordconclusie m.b.t. incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding;

- het op 21 november 2007 door [gewraakte rechter] gewezen vonnis, waarbij zowel in het incident als in de hoofdzaak een comparitie van partijen is bevolen;

- de zich in het griffiedossier bevindende correspondentie en aantekeningen, waaruit blijkt dat:

- [verzoeker] bij brief van 11 december 2007 de rechtbank heeft verzocht te bepalen dat tegen voormeld vonnis hoger beroep kan worden ingesteld, de procedure in eerste aanleg te schorsen en geen comparitie te gelasten in dit stadium van de procedure;

- [gedaagde] bij brief van diezelfde datum heeft verzocht deze verzoeken af te wijzen

- de rolrechter de verzoeken van [verzoeker] heeft afgewezen en de comparitie zo spoedig mogelijk na het inleveren van de verhinderdata van partijen heeft bepaald;

- het rolbericht dat de comparitie van partijen is bepaald op 6 februari 2008 te 9.15 uur;

- het proces-verbaal van de comparitie van 6 februari 2008, waaruit blijkt dat [verzoeker], vergezeld van mr. Hilberink, en [gedaagde], vergezeld van mr. E.Th. Hummels te Zeist, zijn verschenen, dat [verzoeker] op de in dat proces-verbaal opgenomen gronden heeft verzocht [gewraakte rechter] te wraken en dat de zaak met het oog op de behandeling van het wrakingsverzoek is geschorst;

en in de wrakingsprocedure:

- het hiervoor bedoelde proces-verbaal van de comparitie van 6 februari 2008;

- de aantekeningen van de griffier van de behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting van 6 februari 2008, waaruit blijkt dat [verzoeker], vergezeld van mr. Hilberink, en [gewraakte rechter] zijn verschenen en over en weer het woord hebben gevoerd.

2. De feiten

2.1. In zijn dagvaarding heeft [verzoeker] gesteld dat hij rechthebbende is van de onroerende zaak, bestaande uit woning met erf aan de Van Heeckerenseweg 22 te Ugchelen (hierna ook: de woning) en dat deze woning op 10 augustus 2007 door gedaagden (hierna ook: de krakers) in gebruik is genomen en wordt gehouden zonder dat zij daartoe gerechtigd zijn. De politie c.q. Officier van Justitie heeft besloten niet tot strafrechtelijke ontruiming van de woning over te gaan omdat naar diens mening niet voldaan was aan de minimale gebruiksvereisten die de daarop ziende artikelen 138 en/of 429 Sexies en/of 350 Wetboek van Strafrecht stellen. Omdat de krakers weigeren de woning vrijwillig te verlaten, heeft hij recht op en belang bij toewijzing van zijn vorderingen. [verzoeker] heeft - samengevat – gevorderd dat de rechtbank de krakers onder verbeurte van een dwangsom zal veroordelen de woning binnen 24 uur na betekening van het vonnis te verlaten en niet meer in gebruik te nemen, voor recht zal verklaren dat de krakers onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld en hen zal veroordelen tot vergoeding van de door hem als gevolg van dat handelen geleden schade en van zijn buitenrechtelijke kosten.

2.2. [verzoeker] heeft in zijn conclusie incidentele vordering gevorderd dat bij wege van voorlopige voorziening de krakers onder verbeurte van een dwangsom veroordeeld zullen worden om de woning binnen 24 uur na betekening van het vonnis te verlaten en niet meer in gebruik te nemen alsmede tot betaling van een voorschot op schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen, zoals het vernielen van aan [verzoeker] toebehorende goederen, van € 2.500,--.

Hij heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat een eventueel beroep van de krakers op een beweerdelijk woonrecht in alle gevallen gepasseerd dient te worden. Het feit dat uitstel voor het nemen van de conclusie van antwoord is gevraagd en gekregen, waarna een comparitie van partijen zal worden bepaald, ziet [verzoeker] als traineren. Hij wil niet wachten tot de datum van het wijzen van een vonnis op tegenspraak terwijl de krakers in de tussentijd van de woning gebruik kunnen blijven maken, zo heeft [verzoeker] betoogd.

2.3. [gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen toewijzing van de incidentele vordering van [verzoeker]. Hij heeft aangevoerd dat [verzoeker] geen belang heeft bij toewijzing van zijn vorderingen in het incident en in de hoofdzaak, omdat hij de woning al vanaf 1981 ongebruikt heeft gelaten. [gedaagde] heeft betwist dat [verzoeker] de woning gebruikte als enige actieve opslag. Ook heeft hij weersproken dat hij of zijn medebewoners iets aan de woning of enig ander aan [verzoeker] toebehorend goed heeft of hebben stuk- of weggemaakt. [verzoeker] heeft geen schade geleden die door hem, [gedaagde], vergoed zou moeten worden.

2.4. Vooruitlopend op de comparitie van 6 februari 2008 heeft (de advocaat van) [gedaagde] bij brief van 20 januari 2008 aan de rechtbank en aan de advocaat van [verzoeker] als productie 1 twaalf foto’s van de woning en als productie 2 drie verklaringen van omwonenden van de woning gezonden.

3. Het wrakingsverzoek

[verzoeker] heeft aan zijn wrakingsverzoek het volgende ten grondslag gelegd.

3.1. [gewraakte rechter] heeft geweigerd (tijdig) recht te doen op het verzoek om voorlopige voorzieningen te treffen. Dat is in strijd met het karakter van de provisionele vordering en met het landelijk rolreglement. [gewraakte rechter] was niet bevoegd in de hoofdzaak een comparitie van partijen te gelasten, omdat in de hoofdzaak nog geen conclusie van antwoord was genomen. Met zijn beslissing een comparitie te gelasten is [gewraakte rechter] voorbijgegaan aan het in de conclusie incidentele vordering door [verzoeker] ingenomen standpunt dat een comparitie alleen maar zorgt voor trainering en uitstel van executie.

3.2. Tijdens de comparitie heeft [gewraakte rechter] zich op een aantal punten al uitgelaten ten voordele van de krakers. Als rechter mag hij echter in dit stadium van de procedure waar het debat tussen partijen nog niet is afgerond, geen conclusies trekken en kenbaar maken, anders dan onder het uitdrukkelijke voorbehoud dat het een voorlopig oordeel betreft.

3.3. [gewraakte rechter] is een star en steil mens. Dat volgt uit zijn levensovertuiging. Hij verkondigt in de media actief de standpunten van de SGP. Deze partij neemt pertinente standpunten in die naar huidige maatstaven niet gangbaar zijn. Een rechter behoort niet als woordvoerder van de SGP op te treden en moet terughoudendheid betrachten bij het betonen van zijn levensovertuiging. Die levensovertuiging van [gewraakte rechter] staat er aan in de weg dat hij onpartijdig kan oordelen op grond van algemeen aanvaarde normen. [gewraakte rechter] is niet toegankelijk of vatbaar voor andere standpunten dan die stroken met zijn levensovertuiging.

4. Het standpunt van [gewraakte rechter]

[gewraakte rechter] heeft ter zitting het verzoek tot wraking gemotiveerd weersproken. Op hetgeen hij heeft aangevoerd zal hierna, voor zover van belang, nader worden teruggekomen

5. De beoordeling

5.1. Op de voet van artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.3. Onderzocht moet worden of de door [verzoeker] aangevoerde gronden kunnen worden gekwalificeerd als een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid.

5.4. De wrakingsgrond als vermeld onder 3.3.

De wrakingskamer stelt voorop het in de leidraad onpartijdigheid van de rechter geformuleerde uitgangspunt, luidende:

“De rechter heeft, net als ieder ander, bepaalde opvattingen over maatschappelijke, politieke en ethische kwesties, die zijn verdere oordelen kunnen beïnvloeden. Deze opvattingen kunnen deels samenhangen met: geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status (vergelijk artikel 14 van het EVRM). Het bestaan van deze opvattingen is onvermijdelijk en hangt nauw samen met de vrij aanzienlijke mate van maatschappelijke betrokkenheid en geïnteresseerdheid die noodzakelijk is om als rechter te kunnen functioneren.

Een rechter die zich van zijn persoonlijke opvattingen bewust is, zal in het algemeen in staat moeten zijn zich hiervan zodanig te distantiëren dat deze opvattingen zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid, de essentialia voor een eerlijk proces, niet in de weg staan.

Het is de rechter zelf die in elke door hem te behandelen zaak waakt over zijn onpartijdigheid. (…) De rechter zorgt er voor ter zitting blijk te geven van een onpartijdige houding.”

Voor zover [verzoeker] heeft gesteld dat in zijn algemeenheid de levensovertuiging van [gewraakte rechter] hem belet een onpartijdig oordeel te vellen, kan die stelling dan ook niet worden aanvaard.

Het enkele feit dat [gewraakte rechter] een bepaalde godsdienstige levensovertuiging is toegedaan, kan niet leiden tot de conclusie dat hij in het algemeen of in de procedure waarin wraking is verzocht, niet in staat zou zijn onpartijdig te oordelen, althans dat de vrees gerechtvaardigd is dat [gewraakte rechter] vooringenomen is. De omstandigheid dat [gewraakte rechter], naar [verzoeker] heeft gesteld, in de media blijk heeft gegeven van zijn levensovertuiging geeft geen aanleiding voor een andere conclusie. Gesteld noch gebleken is dat [gewraakte rechter] zich daarbij heeft uitgelaten in zijn hoedanigheid van rechter dan wel dat deze uitlatingen op enigerlei wijze verband houden of hielden met (de aard van) deze zaak. De stelling van [verzoeker] dat [gewraakte rechter] als woordvoerder van de SGP is opgetreden, is niet geconcretiseerd of nader onderbouwd en door [gewraakte rechter] uitdrukkelijk weersproken, zodat hierop niet nader behoeft te worden ingegaan.

[verzoeker] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld, en deze zijn ook niet gebleken, waaruit geconcludeerd kan worden dat [gewraakte rechter] in de procedure waarin wraking is verzocht zodanig blijk heeft gegeven van op zijn levensovertuiging stoelende opvattingen dat deze zijn onpartijdigheid in de weg zouden kunnen staan dan wel dat [verzoeker] op objectieve gronden hiervoor kon vrezen. Voor zover [verzoeker] heeft betoogd dat [gewraakte rechter] zich star en steil opstelt en zich niet bevattelijk toont voor andere opvattingen en [verzoeker] dit betoog met voorbeelden heeft geconcretiseerd, zal dit betoog nader worden besproken onder 5.5.

5.5. De wrakingsgrond als vermeld onder 3.2.

Een comparitie strekt onder meer tot het geven van inlichtingen aan de rechter. Dit impliceert dat de rechter vragen kan stellen over alle relevante aspecten van het geschil die in de voorafgaande schriftelijke stukken onvoldoende uit de verf zijn gekomen of waarover vragen zijn, teneinde de zaak beslissingsrijp te krijgen. Het is daarbij aan de rechter - zij het met inachtneming van de procesautonomie van partijen - te oordelen over de relevantie van de vragen.

De rechter dient er daarbij permanent oplettend op te zijn dat de rechterlijke onpartijdigheid wordt gewaarborgd. In dat kader dient hij ervoor te waken dat zijn optreden ter zitting – objectief beoordeeld – een voedingsbodem is voor twijfel bij de rechtzoekende dat de zaak zonder vooringenomenheid wordt behandeld. Dit betekent dat als de rechter een aspect van de zaak aan de orde stelt, hij partijen een open gelegenheid dient te bieden om het debat over deze aspecten aan te gaan alvorens hij ter zake een beslissing neemt. Indien hij in dat debat al een oordeel geeft, moet dat oordeel met enige terughoudendheid en als een voorlopig oordeel te worden gepresenteerd, aangezien partijen tenminste het gevoel moeten hebben dat het niet zinledig is dat zij hun standpunt – ook als dat afwijkt van dit voorlopig oordeel – naar voren brengen. De rechter moet dit standpunt vervolgens betrekken in zijn heroverweging.

5.6. Uit de door [verzoeker] en [gewraakte rechter] geschetste gang van zaken blijkt dat naar aanleiding van de inventarisatie van het procesdossier, allereerst aan de orde is gekomen het voorstel van [gedaagde] om zijn antwoordconclusie in het incident tevens aan te merken als conclusie van antwoord in de hoofdzaak. Niet gezegd kan worden dat [gewraakte rechter] door zijn beslissing om dit voorstel te volgen, enige blijk heeft gegeven van vooringenomenheid jegens [verzoeker]. Door die beslissing werd de voortgang van de procedure slechts bespoedigd.

Ter zitting is naar aanleiding van de aan [verzoeker] voorgelegde foto’s van de woning en verklaringen van omwonenden tussen [gewraakte rechter] en [verzoeker] een debat ontstaan over het al dan niet suggestieve karakter van de aan de omwonenden voorgelegde vragen en over de relevantie van de foto’s. Nadat [gewraakte rechter] [verzoeker] had meegedeeld dat hij niet diens mening deelde dat de vragen aan de omwonenden suggestief waren, heeft [verzoeker] zijn standpunt nader toegelicht. Het feit dat [gewraakte rechter] bij zijn oordeel over het suggestieve karakter van de vragen bleef, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat hij zich vooringenomen heeft getoond of [verzoeker] het gevoel heeft gegeven dat het geen zin had zijn standpunt over deze verklaringen naar voren te brengen. [gewraakte rechter] heeft uitdrukkelijk verklaard dat hij geen oordeel heeft gegeven over (de waardering van) de antwoorden van de omwonenden op de vragen van de krakers. [verzoeker] heeft dit niet weersproken.

[verzoeker] heeft evenmin de verklaring van [gewraakte rechter] weersproken dat hij naar aanleiding van de stelling van [verzoeker] dat de foto’s niet relevant zijn voor het te vellen oordeel, heeft gezegd dat later nog bezien zou worden of de foto’s al dan niet relevant zijn, met de toevoeging dat ze misschien wel niet relevant zijn.

[gewraakte rechter] heeft op enig ogenblik aan [verzoeker] voorgelegd het verweer van de krakers dat zij de pomp niet hebben vernield, zoals [verzoeker] heeft gesteld, maar gerepareerd. Nadat hij kennis had genomen van verklaringen van [verzoeker] en [gedaagde], heeft [gewraakte rechter] geconcludeerd dat de pomp kennelijk, in ieder geval aan de buitenkant gerepareerd is. [verzoeker] heeft aangevoerd dat [gewraakte rechter] met dit zonder voorbehoud gegeven oordeel blijkt heeft gegeven van vooringenomenheid jegens hem en verzocht [gewraakte rechter] te wraken. Anders dan [verzoeker] heeft aangevoerd brengt het enkele feit dat [gewraakte rechter] zijn oordeel heeft gegeven over een onderwerp waar partijen over van mening verschillen, nog niet met zich dat hij zich daarmee partijdig heeft getoond, dan wel dat [verzoeker] op objectieve gronden aanleiding had of heeft te vrezen voor vooringenomenheid. [gewraakte rechter] heeft dit oordeel immers eerst gegeven nadat hij, zo blijkt ook uit de verklaringen van [verzoeker] bij de behandeling van zijn wrakingsverzoek, partijen een open gelegenheid had geboden het debat over dit aspect aan te gaan. Het feit dat een partij, in dit geval [verzoeker], het op een of meer punten niet eens is met het oordeel van de rechter is bij procedures op tegenspraak zoals de procedure waarin wraking is verzocht, inherent aan het rechtsbedrijf en levert niet een uitzonderlijke omstandigheid op als onder 5.2. bedoeld. De hiervoor beschreven gang van zaken tijdens de comparitie rechtvaardigt niet het verwijt van [verzoeker] dat [gewraakte rechter] star, steil en niet ontvankelijk is voor andere opvattingen dan de zijne. Ook uit de door [verzoeker] gegeven beschrijven van de gang van zaken ter zitting blijkt dat [gewraakte rechter] wel degelijk door [verzoeker] ingenomen standpunten heeft betrokken in zijn oordelen.

5.7. De wrakingsgrond onder 3.1.

[verzoeker] heeft in het vonnis van 21 november 2007 geen aanleiding gezien [gewraakte rechter] te wraken. Voor zover hij deze beslissing van [gewraakte rechter] nu (mede) aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag legt, moet hij daarin niet-ontvankelijk verklaard worden. Artikel 37 Rv bepaalt dat het verzoek moet worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn.

Overigens moet gelet op het volgende de stelling van [verzoeker] dat [gewraakte rechter] recht heeft geweigerd door niet (tijdig) te beslissen op zijn provisionele vordering verworpen worden. De door [verzoeker] gewraakte beslissing om zowel ten aanzien van de provisionele eis als in de hoofdzaak een comparitie van partijen te bevelen is door [gewraakte rechter] in zijn hoedanigheid van rolrechter genomen. Het Landelijk rolreglement waar [verzoeker] naar verwezen heeft, bepaalt de termijn voor uitspraak op een incidentele vordering op maximaal 4 weken na het verrichten van de laatste proceshandeling (artikel 2.13 Landelijk rolreglement). Nadat op 31 oktober 2007 door [gedaagde] de laatste proceshandeling was verricht, is op 21 november 2007, dus tijdig, vonnis gewezen in het incident en in de hoofdzaak.

Het artikel van M. den Besten, gepubliceerd in het Advocatenblad nr 17 van 2007, bladzijde 736 en verder waar [verzoeker] naar verwezen heeft ter onderbouwing van zijn verwijt van rechtsweigering, leidt niet tot een ander oordeel. Integendeel, deze auteur verwijst eveneens naar de in artikel 2.13 van het Landelijk rolreglement vermelde termijn van vier weken na de laatste proceshandeling voor het nemen van een beslissing.

Ook voor het overige treft de stelling van [verzoeker] dat [gewraakte rechter] op processuele gronden geen comparitie had mogen of kunnen gelasten, geen doel. De rechter kan in elke stand van het geding een comparitie gelasten, welke niet alleen tot doel heeft het beproeven van een schikking, maar ook het verkrijgen van nadere informatie van partijen of het komen tot een nadere (bewijs-) instructie. Niet gebleken was dat [gedaagde] de procedure traineerde, hij heeft in het incident en ook nadien voortvarend geprocedeerd en gereageerd.

Artikel 131 Rv bepaalt dat tegen de beslissing om een comparitie van antwoord te gelasten geen hogere voorziening openstaat. [gewraakte rechter] diende dan ook de verzoeken van [verzoeker] af te wijzen.

5.8. Niet alleen leidt geen van de afzonderlijke wrakingsgronden tot de conclusie dat er sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid op als bedoeld onder 5.2. De wrakings-gronden kunnen, tezamen in onderling verband gelezen en beoordeeld, evenmin leiden tot dat oordeel. Het wrakingsverzoek van [verzoeker] moet daarom worden afgewezen.

6. De beslissing

6.1. wijst het verzoek tot wraking van [gewraakte rechter] af;

6.2. bepaalt dat de procedure, bij de rechtbank bekend onder zaak/rolnummer 88790 HA ZA 07-946, zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.G. de Jong, mr. L.J.P. Lambooij, en

mr. A.B.A.P.M. Varenhorst, vice-presidenten, en in het openbaar uitgesproken op

11 februari 2008 in aanwezigheid van mr. A. Procee, griffier.?