Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BC3966

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
08-02-2008
Datum publicatie
11-02-2008
Zaaknummer
06-460536-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mishandeling en huisvredebreuk binnen de familieverhoudingen. Veroordeeld tot 60 dagen gevangenisstraf, waarvan 43 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met bijzondere voorwaarden. (Promis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460536-06

Uitspraak d.d.: 8 februari 2008

tegenspraak/ dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1982],

wonende te [adres en plaats]

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

25 januari 2008.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 oktober 2006 te [plaats], gemeente Aalten, opzettelijk mishandelend [slachtoffer A] meermalen, althans eenmaal op/tegen het gezicht, althans het hoofd heeft geslagen/gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 14 oktober 2006 te [plaats], gemeente Aalten, wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning gelegen [adres] en in gebruik bij [slachtoffer B], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, althans wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd;

art 138 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 08 oktober 2006, te Doetinchem, opzettelijk mishandelend

[slachtoffer C] een knietje in de buik heeft gegeven, althans de buik van die [slachtoffer C] met zijn knie heeft geraakt en/of getroffen en/of die [slachtoffer C] aan/bij zijn o(o)r(en) heeft vastgepakt en/of één of meer oorring(en) uit het oor van die [slachtoffer C] heeft gerukten/ of getrokken, althans die [slachtoffer C] zo stevig om/bij zijn oor, waarin één of meer oorring(en) zat(en), heeft vastgepakt, dat het oor (gedeeltelijk) in- of uitscheurde, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden; (parketnummer 802378-06)

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

1. De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de volgende overwegingen ten aanzien van het bewijs, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0644, op ambtseed opgemaakt door [naam], gesloten en getekend d.d. 11 november 2006.

Feiten 1en 2

a. Het stamproces-verbaal (p. 4-7)

b. Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer A] (p. 25-26)

c. Het proces-verbaal van verhoor van [getuige] (p. 30-31)

d. Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer B] (p. 23-24)

e. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte (p. 18-20)

2. De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de volgende overwegingen ten aanzien van het bewijs, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0641, op ambtseed opgemaakt door H.W. Reimes, gesloten en getekend d.d. 13 oktober 2006.

Feit 3

f. Het stamproces-verbaal (p. 4-5)

g. Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer C] (p. 17-18)

j. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 oktober 2006, op ambtseed

opgemaakt door [naam] (p. 21-24)

k. De verklaring van verdachte ter terechtzitting.

Bespreking bewijsmiddelen

3. Uit de bewijsmiddelen worden de volgende redengevende feiten en omstandigheden afgeleid.

Feiten 1 en 2

4. Uit het stamproces-verbaal blijkt dat de politie op 14 oktober 2006 een melding kreeg dat een manspersoon door het lint ging aan de [adres] te [plaats]. Ter plaatse trof de politie verdachte aan. (p. 4)

5. In zijn aangifte heeft [slachtoffer B] - zakelijk weergegeven - verklaard dat verdachte, zijn kleinzoon, op zaterdag 14 oktober 2006 in zijn woonkamer van zijn woning in [plaats] stond. Hij zei meteen tegen verdachte: “weg, weg”. Hij zag dat verdachte daar niet op reageerde. Hij zag dat verdachte naar zijn, aangevers, slaapkamer ging en op zijn bed ging liggen. (p. 23) Hij zei nogmaals tegen verdachte: “verzwende, weg”. Hij bleef zeggen: “weg”. Hij kreeg geen reactie van verdachte. Hij heeft toen direct gebeld naar zijn schoonzoon, [slachtoffer A] en hem verzocht naar zijn woning te komen. [slachtoffer A] is vervolgens naar aangevers slaapkamer gegaan. Hij hoorde [slachtoffer A] tegen verdachte zeggen: ‘Het is mooi geweest, je moet nu gaan”. Zijn dochter [getuige] heeft vervolgens de politie gebeld. Aangever heeft verklaard dat de politie vervolgens in zijn woning kwam en verdachte heeft meegenomen. (p. 24)

6. In zijn aangifte heeft [slachtoffer A] - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij op zaterdag 14 oktober 2006 werd gebeld door zijn schoonvader, [slachtoffer B], die vertelde dat verdachte bij hem thuis was binnengedrongen, dat hij bang was voor verdachte en dat [slachtoffer A] naar hem toe moest komen. Daar aangekomen is aangever de slaapkamer ingelopen. (p. 25) Aangever heeft verklaard dat hij verdachte heeft wakker gemaakt en hem meerdere malen heeft gevraagd om het huis van opa te verlaten en dat hij tegen verdachte heeft gezegd dat hij daar niet welkom was. Verdachte heeft toen tegen aangever gezegd dat hij, aangever, moest oprotten en dat verdachte niet van plan was om weg te gaan. Aangever heeft verdachte toen in zijn kraag gepakt en hem uit bed gehaald. Vervolgens zag en voelde aangever dat verdachte met zijn rechtervuist op aangevers rechteroog sloeg. Hij voelde een pijnscheut bij zijn rechteroog. Er ontstond een worsteling. Verdachte werd niet rustig en begon om zich heen te slaan en te schoppen. Aangever had last van zijn oog en later bleek hem dat hij een stukje glas in zijn oog had. (p. 26)

7. [getuige] heeft bij de politie - zakelijk weergegeven - verklaard dat zij op 14 oktober 2006 met haar zwager, [slachtoffer A], naar de woning van haar vader, [slachtoffer B], is gegaan. Zij zag dat verdachte als een wilde man om zich heen sloeg en dat [slachtoffer A] een klap in zijn gezicht kreeg van verdachte. Verdachte zwaaide behoorlijk met zijn armen en zij zag dat verdachte [slachtoffer A] verschillende keren heeft geraakt. (p. 30) In de woonkamer probeerde [slachtoffer A] verdachte beet te pakken om te voorkomen dat verdachte weer zou gaan slaan en schoppen. Zij zag dat verdachte om zich heen bleef slaan en schoppen. Verdachte lag op de grond tussen enkele scherven van een gebroken vaas. (p. 31)

8. Verdachte verklaart bij de politie - zakelijk weergegeven - dat hij niet bij zijn opa mocht komen van zijn oom, [slachtoffer A]. Zijn oom heeft hem weggestuurd. Zijn oom heeft dat een paar keer gedaan. (p. 19)

Feit 3

9. In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 oktober 2006 wordt vermeld dat de verbalisanten op zondag 8 oktober 2006 een verzoek kregen om te gaan naar de dak- en thuislozenopvang te Doetinchem, omdat daar een cliënt met een begeleider zou hebben gevochten. (p. 21)

10. In zijn aangifte heeft [slachtoffer C] - zakelijk weergegeven – verklaard dat verdachte niet binnen mocht komen, omdat zijn slaapplaats vergeven was. Vervolgens is verdachte toch binnengekomen. (p. 17) Toen verdachte probeerde een slaapkamer binnen te komen, werd dit door aangever verhinderd. Aangever zag toen dat verdachte met een vuist naar zijn hoofd uithaalde, maar hij kon ontwijken. Daarna hebben verdachte en aangever elkaar vastgepakt en toen voelde aangever dat verdachte hem een knietje in de buik gaf. Op een gegeven moment hield verdachte hem bij zijn linkeroor vast, en bleef deze vasthouden. Aangever was bang dat verdachte zijn oor er af zou scheuren. Op een gegeven moment liet verdachte zijn oor los. Aangever had pijn aan zijn linkeroor en de onderzijde van zijn oor was ingescheurd. Verder had hij schaafwonden en pijn aan zijn schouder van het vallen. Volgens aangever heeft verdachte 3 oorringen uit het oor van [slachtoffer C] getrokken.

In de bij de aangifte opgenomen letselomschrijving wordt vermeld: Pijnlijk linkeroor (iets uitgescheurd) en pijnlijke schouder en schaafwonden. (p. 18)

11. In het proces-verbaal van bevindingen, als onder 9 genoemd, wordt het volgende vermeld. Toen de verbalisanten ter plaatse kwamen, heeft aangever [slachtoffer C] aan hen verklaard dat hij door verdachte was aangevallen en aan de oren was getrokken, waardoor diverse oorringen uit zijn oor zijn getrokken. (p. 21) Vermeld wordt: “Dhr. [slachtoffer C] verklaarde dat [verdachte] ondanks zijn postuur erg sterk was, als hij zich zelf niet meer onder controle had. Aan dhr. [slachtoffer C] merkten wij dat hij onder de indruk was van het gedrag van [verdachte]”. Uit het proces-verbaal blijkt voorts dat verdachte niet stil kon blijven staan, dat hij druk met zijn handen en armen in de weer was en continu op zijn benen/voeten stond te draaien. Verdachte had zijn ogen ver open staan. (p. 22) Tevens verklaarde verdachte toen dat hij eerder op de dag amfetamine had gebruikt. (p. 23)

12. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij aan het oor van [slachtoffer C] heeft getrokken.

Standpunten

13. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde.

14. Namens verdachte is ten aanzien van het onder 1 tenlastgelegde aangevoerd dat hij geen (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van pijn en/of letsel heeft gehad. Verdachte werd wakker geschud door zijn oom, en sloeg in reactie daarop, uit schrik.

Uit de aangifte van [slachtoffer A] komt naar voren dat verdachte meermalen is gevraagd te vertrekken uit de woning. Verdachte heeft toen aan [slachtoffer A] gezegd dat aangever moest “oprotten”, waaruit de rechtbank afleidt dat verdachte wakker was. Vervolgens sloeg en schopte verdachte wild om zich heen en heeft hij aangever onder andere in het gezicht geslagen en/of gestompt. Ook getuige [getuige] verklaart dat verdachte wild om zich heen sloeg. Het is naar het oordeel van de rechtbank een feit van algemene bekendheid dat, wanneer men handelt zoals verdachte heeft gedaan, men een ander pijn doet. Gelet op het feit dat verdachte wakker was en gelet op de wijze waarop verdachte om zich heen sloeg en schopte, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte op dat moment bewust handelde. De stelling van verdachte dat hij uit schrik, welke stelling naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk is geworden, zou hebben geslagen, staat aan de bewezenverklaring van dit opzet niet in de weg.

15. Het verweer ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde dat geen sprake is van wederrechtelijk binnendringen in de woning van opa, slaagt. Niet is bewezen dat verdachte al voordat hij de woning van zijn opa binnenging wist dat hij van zijn opa daar niet mocht komen. Van het onderdeel “wederrechtelijk binnendringen” zal verdachte worden vrijgesproken.

16. Terzake van het onder 3 tenlastegelegde heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaring van de aangever niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het geven van een knietje.

De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat niet alle onderdelen van de bewezenverklaring behoeven te steunen op twee bewijsmiddelen. Gelet op de aangifte en de verklaring van aangever, afgelegd - zoals gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen zoals hiervoor onder 11 genoemd - direct na aankomst van de verbalisanten, waarin het gedrag van zowel aangever als verdachte worden beschreven, heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van aangever. Nu verdachte heeft bekend aan het oor van aangever [slachtoffer C] te hebben getrokken, kan ook dit feit wettig en overtuigend worden bewezen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 14 oktober 2006 te [plaats], gemeente Aalten, opzettelijk mishandelend [slachtoffer A] tegen het gezicht, althans het hoofd, heeft geslagen of gestompt, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 14 oktober 2006 te [plaats], gemeente Aalten, in een woning gelegen [adres] en in gebruik bij [slachtoffer B], wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd;

3.

hij op 8 oktober 2006, te Doetinchem, opzettelijk mishandelend [slachtoffer C] een knietje in de buik heeft gegeven, en die [slachtoffer C] aan zijn oor heeft vastgepakt en oorringen uit het oor van die [slachtoffer C] heeft gerukt of getrokken, zodat het oor gedeeltelijk in- of uitscheurde, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

17. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde heeft verdachte een beroep gedaan op noodweer. Daartoe heeft hij aangevoerd dat [slachtoffer C] als eerste hem in zijn nek greep en hem in de hoek heeft gegooid en op hem is gaan zitten. Hierop kwam verdachte in een penibele situatie en het enige voorhanden middel om die [slachtoffer C] van zich af te krijgen, was om hem bij zijn oor te pakken.

18. Artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat niet strafbaar is degene die een feit begaat geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

19. Voor een geslaagd beroep op deze strafuitsluitingsgrond is vooreerst vereist dat aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, ofwel een ‘noodweersituatie’, jegens verdachte. In deze zaak zal dan aannemelijk moeten zijn dat [slachtoffer C] de schermutseling is begonnen, omdat pas dan ten aanzien van verdachte sprake zou kunnen zijn van een noodweersituatie.

20. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een noodweersituatie. Door [slachtoffer C] wordt in zijn aangifte verklaard dat verdachte telkens de slaapkamer in wilde gaan en dat [slachtoffer C] dat kon voorkomen. (p. 17) Toen zag [slachtoffer C] dat verdachte met zijn vuist naar zijn hoofd uithaalde, maar hij dit kon uitwijken. Daarna hebben zij elkaar vastgepakt. [slachtoffer C] voelde dat verdachte hem een knietje in de buik gaf.

21. Tegen de achtergrond van de verklaring van [slachtoffer C] en het proces-verbaal van bevindingen, hiervoor in overweging 11 uiteengezet, is niet aannemelijk dat voor verdachte sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of een dreigend gevaar daarvan. Het beroep op noodweer slaagt niet.

22. Het bewezene levert de misdrijven op:

Feiten 1 en 3: Mishandeling, meermalen gepleegd

Feit 2: Het wederrechtelijk in een woning vertoevende, zich niet op de vordering vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen.

Strafbaarheid van de verdachte

23. Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

24. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen waarvan 47 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden verplicht reclasseringscontact en een klinische behandeling in FPA Warnsveld voor maximaal 12 maanden of zoveel korter als nodig wordt geacht door de instelling. De officier van justitie heeft bij de strafeis rekening gehouden met de verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid.

25. Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

26. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandelingen en huisvredebreuk. Dit alles binnen de familieverhoudingen. Verdachte heeft onder invloed van drugs agressief gehandeld onder meer in de woning van zijn opa, een plek waar zijn opa zich juist veilig moet kunnen voelen. Ook in de maatschappij in het algemeen leveren incidenten als deze gevoelens van onveiligheid op. Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is.

27. De rechtbank houdt er ten voordele van verdachte rekening mee dat verdachte inmiddels een positieve ontwikkeling doormaakt. Verdachte is al geruime tijd in behandeling, is gemotiveerd en ziet in dat hij hulp nodig heeft. De rechtbank neemt in aanmerking dat verdachte ter terechtzitting heeft aangegeven dat hij beseft dat zijn gedrag zijn familie veel pijn heeft gedaan.

De rechtbank weegt mee dat de feiten al langere tijd geleden hebben plaatsgevonden. Ten slotte blijkt uit het strafblad van verdachte dat verdachte slechts eenmaal eerder, in 1999, in aanraking is geweest met politie en justitie.

28. Alles overwegende komt de rechtbank tot de oplegging van een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf als na te melden met de bijzondere voorwaarde van toezicht door de reclassering, ook als dat klinische behandeling inhoudt door een door die instelling aan te wijzen instelling. Hierbij overweegt de rechtbank ten aanzien van de duur van klinische behandeling nog het volgende. Op 2 november 2007 is namens Iriszorg geadviseerd verdachte klinisch te laten behandelen voor de duur van maximaal 12 maanden. Nu verdachte reeds enige maanden in behandeling is, zal de rechtbank de duur van de klinische behandeling verkorten tot maximaal 8 maanden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57 en 138 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zestig (60) dagen.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot drieënveertig (43) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Zutphen, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt. Ook als dit inhoudt dat veroordeelde zich klinisch zal laten behandelen door FPA te Warnsveld voor de duur van maximaal acht (8) maanden of zoveel korter als de instelling in overleg met de reclassering noodzakelijk acht. De veroordeelde zal zich dan houden aan regels die hem door of namens de leiding van deze instelling zullen worden gegeven.

Geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Hödl, voorzitter, Davids en Hemrica, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Buitenhuis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 februari 2008.

Mr. Davids is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

RECHTBANK ZUTPHEN

Meervoudige kamer voor strafzaken