Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BC3669

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
06/460326-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

12 maanden gevangenisstraf voor deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van handel in harddrugs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460326-07

Uitspraak d.d.: 6 februari 2008

Tegenspraak/ dip - onip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats 1959],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 11 september 2007, 30 november 2007 en 23 januari 2008.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouw van verdachte heeft zich met betrekking tot feit 2 op het standpunt gesteld dat artikel 11a Opiumwet de lex specialis is ten opzichte van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Het openbaar ministerie had deze specialis, geldende vanaf 1 juli 2006, ten laste moeten leggen, omdat de lex specialis prevaleert boven de lex generalis.

In casu is dit niet gebeurd en niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan wel ontslag van alle rechtsvervolging voor verdachte dient daarvan het gevolg te zijn.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Op grond van het procesrechtelijk opportuniteitsbeginsel staat het de officier van justitie vrij om te vervolgen voor een minder zwaar feit dan ‘in werkelijkheid’ is gepleegd en mag dus de tenlastelegging in plaats van toe te snijden op de gekwalificeerde bijzondere bepaling beperken tot de lichtere bepaling.

De rechtbank vermag overigens niet in te zien, uitgaande van bewezenverklaring, kwalificatie en strafbaarheid van verdachte, waarom het door de raadsvrouw aangevoerde, zoals door haar bepleit, zou moeten leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging voor verdachte.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 december

2006 tot en met 29 mei 2007 in de gemeente Harderwijk en/of de gemeente Ermelo

en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of

verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft

gehad:

(grote) (een) hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende cocaïne

en/of heroïne en/of methadon, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 29 mei 2007 in

de gemeente Harderwijk en/of de gemeente Ermelo en/of elders in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband

van één of meer natuurlijke perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had

het plegen van misdrijven, namelijk:

het (telkens) opzettelijk inkopen en/of verkopen en/of afleveren en/of

verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben, van (grote) (een)

hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende cocaïne en/of heroïne

en/of methadon, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 01 december 2006 tot en met 29 mei 2007 in de gemeente Harderwijk en/of de gemeente Ermelo en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of vervoerd,

een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I

2.

hij in de periode van 01 december 2006 tot en met 29 mei 2007 in

de gemeente Harderwijk en/of de gemeente Ermelo en/of elders in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband

van natuurlijke personen, welke organisatie tot oogmerk had

het plegen van misdrijven, namelijk:

het telkens opzettelijk inkopen en/of verkopen en/of afleveren en/of

verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben, van een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde

middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat er met betrekking tot feit 1 onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden zijn om te kunnen spreken van een volledige bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering, zodat niet gezegd kan worden dat er sprake is van medeplegen. Slechts het aanwezig hebben van harddrugs kan bewezen worden.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende:

De verdachte heeft het verklaard dat hij een loopjongen van de broers [naam] was. Dat er bestellingen - ook voor anderen - door [naam broer A] bij hem werden afgeleverd, dat er geregeld gebruikers bij hem over de vloer kwamen en dat er in de woning verkocht werd door de broers. Verdachte kreeg als hij bestelde voor anderen zijn eigen drugs voor niks.

Verdachte heeft ook verklaard dat hij heeft bemiddeld voor iemand die Polen als klanten had, in die zin dat hij voor die persoon bestelde en dat de drugs thuis bij hem werden afgeleverd en daar vervolgens weer afgehaald werden. Hierover heeft hij ook telefonisch contact gehad met [naam b[naam].

Op grond van de verklaringen van verdachte kan reeds geoordeeld worden dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking en kan het verweer daarom niet slagen.

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting met betrekking tot feit 2 aangevoerd dat

niet kan worden gesproken van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband met gemeenschappelijke regels en doelstellingen waarbij druk kan worden uitgeoefend op individuele leden, aan welke eisen voldaan moet zijn wil men kunnen spreken van een organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt hierover het volgende:

Voor het bewijs dat er sprake is van een misdadige organisatie zal onder meer betekenis toekomen aan het meer duurzaam en gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de samenwerking.

De rechtbank is van oordeel dat er een dergelijk gestructureerd karakter van samenwerking bestond. Zij leidt dit onder meer af uit het volgende. Uit de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen blijkt, dat gedurende ongeveer een half jaar de gebroeders [naam] drugs inkochten en bij de verkoop daarvan gebruik maakten van diverse “lopers” en woningen. Met betrekking tot de rol van verdachte in het bijzonder wijst de rechtbank op de verklaring

van verdachte zelf, zoals die hiervoor reeds (zakelijk) is weergegeven.

Op grond hiervan kan gezegd worden dat er sprake is van het door verdachte deelnemen aan een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht en kan het verweer niet slagen.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

1. het medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet

gegeven verbod, meermalen gepleegd;

2. het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft uiteindelijk gevorderd dat de rechtbank aan verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden met aftrek van het voorarrest.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank aan verdachte zal opleggen een gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de periode van het voorarrest.

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan mede gelet op de

persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden – dat verdachte gedurende een groot aantal maanden een faciliterende en uitvoerende rol vervulde in de criminele organisatie door bestellingen – ook voor anderen -harddrugs in ontvangst te nemen in de woning waar hij verbleef. Vanuit het huis waar verdachte woonde, werd door medeverdachten drugs verkocht. De beloning voor zijn diensten kreeg verdachte veelal in de vorm van cocaïne.

De rechtbank neemt eveneens in aanmerking dat stoffen als cocaïne en heroïne, naar algemeen bekend is, een aanzienlijk gevaar voor de volksgezondheid opleveren.

De rechtbank is van oordeel dat de georganiseerde handel van verdovende middelen met kracht bestreden dient te worden. Verdachte heeft hierin een rol, weliswaar een ondergeschikte, gespeeld en heeft bijgedragen aan de met de handel gepaard gaande instandhouding van de verslaving van een groot aantal drugsverslaafden in de gemeente Harderwijk en omgeving.

Alles afwegende, en mede gezien zijn recente documentatie met betrekking tot de Opiumwet en het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport, is de rechtbank van oordeel dat na te melden straf passend en geboden is. De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, aangezien zij van oordeel is dat de geëiste straf onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten, mede gezien de rol van verdachte en de opgelegde straf bij medeverdachten met een soortgelijke rol in de organisatie.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 27, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en 2 en 10 van de Opiumwet.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door mr. De Bie, voorzitter, mr. Van der Hooft en mr. Vaandrager, rechters, in tegenwoordigheid van Van Aalst, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 februari 2008.