Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BC3520

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
05-02-2008
Datum publicatie
05-02-2008
Zaaknummer
06-925184-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een rundveehouder die zijn bedrijf en zijn veestapel heeft verwaarloosd is onder meer veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, voorwaardelijke geldboetes en een voorwaardelijke stillegging van het bedrijf. De rechtbank heeft daarbij als bijzondere voorwaarde bepaald dat de veestapel niet meer mag groeien tot maximaal 20 stuks runderen. (Promis)

Wetsverwijzingen
Besluit welzijn productiedieren
Besluit welzijn productiedieren 2
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2008, 39K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige economische kamer

Parketnummer: 06/925184-07

Uitspraak d.d.: 5 februari 2008

Verstek/ dnip

VONNIS promis

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1945],

wonende te [adres en plaats].

1. Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 januari 2008.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 6 februari 2007 te [plaats], gemeente Berkelland, al dan

niet opzettelijk, één of meerdere dieren, te weten 15, althans een aantal

runderen, heeft gehouden, (zulks) terwijl dat rund/die runderen niet

overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren was/waren

geïdentificeerd en/of geregistreerd (de runderen waren niet voorzien van

oormerken);

art 15 lid 1 Regeling identificatie en registratie van dieren

art 39 Regeling identificatie en registratie van dieren

2.

hij in of omstreeks de periode van 30 maart 2006 tot en met 6 februari 2007 te

[plaats], gemeente Berkelland, als houder van een of meer dieren, te weten

145, althans een aantal runderen, aan dat/die dier(en) de nodige verzorging

heeft onthouden, immers

bleek op 6 februari 2007 dat

-de runderen die buiten werden gehouden zich niet konden beschermen tegen

slechte weersomstandigheden aangezien zij niet de mogelijkheid tot schuilen

hadden en/of hadden deze dieren niet de beschikking over een droge ligplek

aangezien de weilanden doornat waren en er geen droge plekken meer waren,

-een deel van de runderen leed aan schurft en/of schimmel,

en/of

-een deel van de runderen een doffe vacht had, niet attent was op de omgeving,

slecht gespierd en/of passief was, zich slecht bewoog, weinig en/of geen

pensvulling had en/of holle bekkenplaten had;

art 37 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

3.

hij in of omstreeks de periode van 30 maart 2006 tot en met 6 februari 2007,

te [plaats], gemeente Berkelland, kalveren en/of runderen heeft gehouden

terwijl dit niet geschiedde overeenkomstig artikel 4 van het Besluit welzijn

productiedieren aangezien verdachte kalveren en/of dieren hield terwijl hij

niet beschikte over de nodige kennis, vaardigheden en/of terwijl verdachte

niet vakbekwaam was;

art 2 lid 2 Besluit welzijn productiedieren

4.

hij op of omstreeks 6 februari 2007 te [plaats], gemeente Berkelland,

kalveren en/of runderen heeft gehuisvest terwijl dit niet geschiedde

overeenkomstig artikel 5 van het Besluit welzijn productiedieren aangezien:

-er onvoldoende verlichting was voor een grondige controle van de dieren op

elk willekeurig tijdstip,

-2 zieke runderen afgezonderd waren in een niet passend onderkomen terwijl 1

rund zonder strooisel op de betonnen vloer lag en 1 rund op een zeer gladde

vloer;

art 2 lid 3 Besluit welzijn productiedieren

5.

hij op of omstreeks 6 februari 2007 te [plaats], gemeente Berkelland, een

aantal runderen heeft verzorgd terwijl dit niet geschiedde overeenkomstig

artikel 4 lid 4 van het Besluit welzijn productiedieren aangezien voornoemde

runderen niet een toereikende hoeveelheid gezond en voor de leeftijd geschikt

voeder kregen zodat niet aan hun voedingsbehoeften werd voldaan;

art 2 lid 2 Besluit welzijn productiedieren

6.

hij op of omstreeks 6 februari 2007 te [plaats], gemeente Berkelland, zonder

vergunning, al dan niet opzettelijk, op andere wijze dan met behulp van een

werk, een hoeveelheid gier, althans gierhoudend water, zijnde (een)

afvalstof(fen), verontreinigende en/of schadelijke stof(fen) heeft gebracht in

een A-watergang (Noorddijkerkanaal), zijnde een oppervlaktewater, door die/dat

gier, althans gierhoudend water in voornoemd oppervlaktewater te doen of te

laten afvloeien;

art 1 lid 3 Wet verontreiniging oppervlaktewateren

art 4 lid 1 Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid WVO

7.

hij op of omstreeks 6 februari 2007, te Borculo, gemeente [plaats], als

houder van een inrichting dreef waarop het Besluit landbouw milieubeheer van

toepassing was, al dan niet opzettelijk er niet voor heeft zorg gedragen dat

de voorschriften behorende bij voornoemd Besluit, werden nageleefd, aangezien

de opslag van vaste mest, welke gedurende langer dan een half jaar werd

opgeslagen, niet plaats vond op een mestdichte vloer met opstaande rand of een

ten minste gelijkwaardige voorziening en/of vond de opslag zodanig plaats dat

uitzakkend vocht in contact kon treden met de bodem en/of een oppervlaktewater;

art 5 lid 2 Besluit landbouw milieubeheer

3. Vrijspraak

1.

Ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie geconcludeerd tot vrijspraak, nu niet bewezen kan worden verklaard dat dit feit in Borculo, gemeente [plaats], is gepleegd.

2.

De rechtbank overweegt dat op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting bewezen zou kunnen worden verklaard dat verdachte het onder 7 ten laste gelegde heeft begaan, maar dat de ten laste gelegde pleegplaats niet bewezen kan worden verklaard.

Nu de tenlastelegging geen subsidiaire pleegplaats bevat, kan de rechtbank niet aan bewezenverklaring toekomen.

De verdachte behoort van het onder 7 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

4. Bewijsoverweging

4.1

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde feiten.

4.2

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de - navolgende - overwegingen ten aanzien van het bewijs, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van de in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, genummerd:

- 40398, opgemaakt, gedagtekend en ondertekend op 22 juni 2007;

- PL0645/07-214726, gesloten en ondertekend op 10 mei 2007.

Feiten 1 tot en met 5:

1. Het proces-verbaal, genummerd 40398, inhoudende het relaas van de verbalisanten dan wel één hunner (pagina 5 en 6);

2. De brief van de AID van 30 maart 2005, aan de verdachte gericht (bijlage 1);

3. De getuige verklaring van de dierenartsen, werkzaam bij de Voedsel en Waren Autoriteit (bijlage 4);

4. De foto’s die tijdens de controledag op 6 februari 2007 zijn gemaakt (bijlage 5);

5. De verklaring van dierenarts De With (bijlage 11);

6. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte (bijlage 9, pagina 2 en 3);

Feit 6:

1. Het proces-verbaal, genummerd PL0645/07-214726, inhoudende het relaas van verbalisant (pagina 7 en 8);

2. De foto’s die tijdens de controle zijn gemaakt (pagina 18, foto’s 27 tot en met 30);

3. Het proces-verbaal van monstername (met bijlagen), ongenummerd.

4.Het proces-verbaal van verhoor van verdachte (pagina 11 en 12);

4.3

Uit deze bewijsmiddelen worden de volgende redengevende feiten en omstandigheden afgeleid.

T.a.v. feiten 1 tot en met 5:

Op 29 maart 2005 heeft de Algemene Inspectiedienst (AID) van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) een controle gehouden op het bedrijf van verdachte - dat is gevestigd te [plaats], gemeente Berkelland - omdat het vermoeden bestond dat het met de toestand van de runderen op het bedrijf zeer slecht gesteld was. Tijdens deze controle is een aantal gebreken geconstateerd met betrekking tot de registratie, verzorging, gezondheid en de huisvesting van de op verdachtes bedrijf aanwezige runderen. Naar aanleiding van deze controle zijn er afspraken met verdachte gemaakt om de situatie op zijn bedrijf te verbeteren. Eén van de verbalisanten heeft vervolgens meerdere malen telefonisch contact gehad met verdachte om hem op de gemaakte afspraken te wijzen. Een van de telefonische contacten heeft plaatsgevonden op 30 maart 2006. De rechtbank stelt vast dat deze datum de aanvang is van de onder 2 en 3 ten laste gelegde pleegperiodes.

Op 6 februari 2007 heeft er een uitgebreide controle door de AID plaatsgevonden.

Verdachte heeft naar aanleiding van die controle verklaard dat de dieren wel wat schraal waren, maar dat de staat van de veestapel goed te noemen was. De runderen werden goed gevoerd, ook behandelde hij ze goed, maar er waren omstandigheden waardoor de verzorging soms wat minder was. Kalveren droegen soms geen oormerk, omdat hij het zielig vond om oormerken in te doen. De mest die op zijn bedrijf is aangetroffen, lag er ongeveer één jaar.

De verbalisanten en de dierenartsen van de Voedsel en Waren Autoriteit hebben tijdens de controle op 6 februari 2007 geconstateerd dat runderen niet waren voorzien van een oormerk, dat runderen de nodige verzorging werd onthouden, dat de runderen veel te weinig voer kregen, dat het voer door de wijze van voeren ook matig van kwaliteit was en dat de runderen niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften werden gehuisvest. Een groot aantal runderen was mager, slecht ontwikkeld en had geen goede conditie. De runderen hadden geen droge ligplaatsen omdat de mest niet werd opgeruimd.

De rechtbank heeft de juistheid van voornoemde situatie waargenomen op de in het dossier aanwezige foto’s die tijdens de controle op 6 februari 2007 zijn genomen.

Dierenarts De With heeft verklaard dat hij het bedrijf van verdachte vanaf 1997 heeft bezocht en door middel van coaching heeft geprobeerd de slechte situatie die toen reeds bestond, te verbeteren. Bij alle bezoeken is hem echter gebleken dat de situatie verder verslechterde. Verdachte beschikt volgens De With niet over voldoende kennis, vaardigheden en vakbekwaamheid om het vee te verzorgen.

T.a.v. feit 6:

Tijdens voornoemde controle is geconstateerd dat de vaste mest over het erf van de inrichting verspreid lag, al gedurende meer dan een half jaar. Op sommige plekken was de laag meer dan twintig centimeter dik. De mest lag niet op een mestdichte vloer met opstaande randen. Het uitzakkende vocht liep via een naast het bedrijf gelegen greppel naar een A- watergang, in het oppervlaktewater.

De rechtbank heeft voornoemde situatie waargenomen op de in het dossier aanwezige foto’s, genummerd 27 tot met 30, die tijdens de controle op 6 februari 2007 zijn genomen.

Een toezichthouder van het Waterschap Rijn en IJssel heeft gezien dat de sloot, zijnde een A-watergang, ernstig verontreinigd was door stoffen die vanaf verdachtes bedrijf in de sloot werden gebracht. De geur die hij waarnam betrof de hem bekende lucht van gier. Hij heeft een monster genomen en ter analyse aangeboden. Uit de analyse is gebleken dat de gevonden waarden de maximale waarden in oppervlaktewateren fors overschrijden en dat deze waarden doorgaans in gier dan wel gierhoudend afvalwater worden aangetroffen.

De verdachte heeft verklaard dat het voorgaande jaar een rampjaar was omdat het nat was geweest en dat er wel mestvocht in het slootje is gelopen.

Aangaande de primair als misdrijf ten laste gelegde feiten overweegt de rechtbank dat de bewijsmiddelen in samenhang met de aard van de gedraging en/of nalatigheid, redelijkerwijs geen andere conclusie toelaten dan dat verdachte zich ten minste heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de wettelijk verboden situatie zou voortbestaan dan wel zou intreden.

5. Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 6 februari 2007 te [plaats], gemeente Berkelland, opzettelijk dieren, te weten

15 runderen, heeft gehouden, zulks terwijl die runderen niet overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren waren geïdentificeerd en geregistreerd: de runderen waren niet voorzien van oormerken;

2.

hij in de periode van 30 maart 2006 tot en met 6 februari 2007 te [plaats], gemeente Berkelland, als houder van dieren, te weten 145 runderen, aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers bleek op 6 februari 2007 dat

-de runderen die buiten werden gehouden zich niet konden beschermen tegen

slechte weersomstandigheden aangezien zij niet de mogelijkheid tot schuilen

hadden en hadden deze dieren niet de beschikking over een droge ligplek

aangezien de weilanden doornat waren en er geen droge plekken meer waren,

-een deel van de runderen leed aan schurft en/of schimmel,

en

-een deel van de runderen een doffe vacht had, niet attent was op de omgeving,

slecht gespierd en/of passief was, zich slecht bewoog, weinig en/of geen

pensvulling had en/of holle bekkenplaten had;

3.

hij in de periode van 30 maart 2006 tot en met 6 februari 2007, te [plaats], gemeente Berkelland, kalveren en runderen heeft gehouden terwijl dit niet geschiedde overeenkomstig artikel 4 van het Besluit welzijn productiedieren aangezien verdachte kalveren en runderen hield terwijl hij niet beschikte over de nodige kennis, vaardigheden en/of terwijl verdachte

niet vakbekwaam was;

4.

hij op 6 februari 2007 te [plaats], gemeente Berkelland, kalveren en runderen heeft gehuisvest terwijl dit niet geschiedde overeenkomstig artikel 5 van het Besluit welzijn productiedieren aangezien:

-er onvoldoende verlichting was voor een grondige controle van de dieren op elk willekeurig tijdstip,

-2 zieke runderen afgezonderd waren in een niet passend onderkomen terwijl 1 rund zonder strooisel op de betonnen vloer lag en 1 rund op een zeer gladde vloer;

5.

hij op 6 februari 2007 te [plaats], gemeente Berkelland, een aantal runderen heeft verzorgd terwijl dit niet geschiedde overeenkomstig artikel 4 lid 4 van het Besluit welzijn productiedieren aangezien voornoemde runderen niet een toereikende hoeveelheid gezond en voor de leeftijd geschikt voeder kregen zodat niet aan hun voedingsbehoeften werd voldaan;

6.

hij op 6 februari 2007 te [plaats], gemeente Berkelland, zonder vergunning, opzettelijk, op andere wijze dan met behulp van een werk, een hoeveelheid gier, zijnde een afvalstof, verontreinigende en schadelijke stof heeft gebracht in een A-watergang (Noorddijkerkanaal), zijnde een oppervlaktewater, door die gier in voornoemd oppervlaktewater te doen of te laten afvloeien;

6. Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

7. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op:

1. overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 105 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan;

2. als houder van een dier aan deze de nodige verzorging onthouden, meermalen gepleegd;

3. overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 35 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

4. overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 35 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

5. overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 35 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

6. overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 1, derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, opzettelijk begaan.

Het onder 1, 2 en 6 bewezen verklaarde betreft misdrijven en het onder 3, 4 en 5 bewezen verklaarde betreft overtredingen.

8. Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

9. Oplegging van straf en/of maatregel

9.1

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;

- een geldboete van € 2.500,--, subsidiair 50 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;

- stillegging van de onderneming voor de duur 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde dat het maximum aantal door verdachte te houden runderen 20 stuks zal betreffen;

- teruggave van de opbrengst van de in beslaggenomen runderen, na aftrek van de gemaakte kosten, aan de verdachte.

Ter toelichting op de geldboete heeft de officier van justitie aangegeven dat dit het totaalbedrag is voor de geldboete die hij vordert voor de overtredingen en de misdrijven tezamen. Per bewezen verklaarde overtreding dient er een geldboete van € 400,--, subsidiair 8 dagen hechtenis voorwaardelijk opgelegd te worden.

De officier van justitie heeft ter motivering van zijn eis aangevoerd dat verdachte naar zijn oordeel een hard werkend man is die erg van zijn bedrijf houdt, maar dat hem de zorg voor dit bedrijf en de dieren kennelijk boven het hoofd is gegroeid. Een groot aantal dieren is op de dag van de controle afgevoerd en naderhand verkocht.

De eis is niet zozeer gericht op vergelding, maar dient te benadrukken dat een dergelijke bedrijfsvoering niet getolereerd kan worden. Voorts is de eis er op gericht om te voorkomen dat verdachte in herhaling zal vervallen.

9.2

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank acht ten aanzien van de bewezen verklaarde misdrijven een voorwaardelijke gevangenisstraf met daarnaast een voorwaardelijke geldboete op zijn plaats. Ten aanzien van de bewezen verklaarde overtredingen zal de rechtbank telkens een voorwaardelijke geldboete opleggen. Ook acht de rechtbank het opleggen van de voorwaardelijke maatregel van stillegging van de onderneming passend en geboden. Zij zal daaraan een bijzondere voorwaarde verbinden.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is er, ondanks adviezen van de zijde van de AID en de eigen dierenartsen, niet in geslaagd te voorkomen dat zijn bedrijf verwaarloosd is geraakt. De staat van de bedrijfsgebouwen was zodanig dat de bedrijfsvoering niet overeenkomstig de regelgeving gevoerd werd. Er waren enerzijds runderen aangebonden terwijl er anderzijds runderen vrij door de stallen, onder andere door de voergoten van de aangebonden runderen, en over het buitenterrein rondliepen. Het gevolg daarvan was dat de aangebonden runderen met mest bevuild voer kregen. Voorts waren de mannelijke en vrouwelijke runderen niet van elkaar gescheiden. Dit heeft geleid tot ongecontroleerde uitbreiding van de veestapel en tot

overbevolking. De stal en het buitenterrein waren bevuild met mest, zodanig dat zelfs een naastgelegen watergang ernstig verontreinigd is geraakt. De runderen hadden geen droge ligplaats en het voer van de runderen raakte met mest bevuild. Bovendien werd er onvoldoende voer aan de runderen verstrekt. Een groot aantal dieren was sterk vermagerd en verkeerde in slechte conditie.

De op het bedrijf geboren dieren werden niet geregistreerd, aangemeld en gemerkt, waardoor

controle van verdachtes bedrijf met betrekking tot de betrokken regelingen werd bemoeilijkt.

De rechtbank neemt verdachte dit alles zeer kwalijk omdat hij daarmee in zijn verantwoordelijkheid als veehouder ernstig is tekort geschoten. Daar komt nog bij dat verdachte eerder vanwege soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is geweest, waarna de veestapel aanzienlijk is teruggebracht.

Desondanks heeft verdachte zijn veestapel ongecontroleerd laten groeien naar een situatie van overbevolking. De rechtbank zal aan de voorwaardelijk op te leggen maatregel van stillegging van de onderneming een voorwaarde verbinden die moet voorkomen dat dit opnieuw zal gebeuren.

Bij bepaling van de op te leggen straffen en maatregel heeft de rechtbank anderzijds in grote mate rekening gehouden met de inhoud van het voorlichtingsrapport. Uit dit rapport blijkt dat verdachte in ernstige mate overbelast is en dat zijn gezin onder hoogspanning staat. Die hoogspanning is veroorzaakt door de slechte financiële situatie waarin verdachte en zijn gezin verkeren en het niet kunnen verkroppen dat een groot deel van de runderen in beslag genomen is. Voorts is gebleken dat verdachte een beperkt probleembesef heeft en niet inziet dat zijn bedrijfsvoering niet in orde was.

Op zichzelf beschouwd rechtvaardigt een zaak als deze het opleggen van onvoorwaardelijk straf, maar gelet op de inhoud van het voorlichtingsrapport en hetgeen de officier van justitie ter terechtzitting heeft verklaard over de wijze waarop de bedrijfsvoering van verdachte in de toekomst zal worden gecontroleerd, zal de rechtbank de eis van de officier van justitie vrijwel in zijn geheel volgen.

10. In beslag genomen voorwerpen

Op 6 februari 2007 zijn 142 runderen onder verdachte in beslaggenomen. Tijdens de stallingsperiode is een aantal runderen op advies van een dierenarts geëuthanaseerd wegens een slechte gezondheid waarvan geen verbetering was te verwachten. De overgebleven runderen zijn verkocht voor een bedrag van € 46.855,--.

De officier van justitie heeft gevorderd dat dit geldbedrag, na aftrek van de kosten die vanaf de in beslagname tot en met de verkoop zijn gemaakt, aan verdachte teruggegeven zal worden.

Nu geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet, zal de rechtbank overeenkomstig de vordering van de officier van justitie beslissen.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen:

- 1, 10, 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57, 62 en 91 van het Wetboek van Strafrecht;

- 1, 1a, 2, 6, 7 en 8 van de Wet op de economische delicten;

- 35, 37, 45, 105 en 121 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

- 3 van het Besluit identificatie en registratie van dieren;

- 15 en 39 van de Regeling identificatie en registratie van dieren;

- 2, 3, 4 en 5 van het Besluit welzijn productiedieren;

- 1 Wet verontreiniging oppervlaktewateren;

- 4 van het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren (oud).

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 7 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

-verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan;

-verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

-verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte voor de feiten 1, 2, en 6 tot:

* een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

* een geldboete van € 1.300,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 dagen hechtenis.

Bepaalt, dat de geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

- veroordeelt verdachte voor feit 3 tot:

* een geldboete van € 400,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 dagen hechtenis.

Bepaalt, dat de geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

- veroordeelt verdachte voor feit 4 tot:

* een geldboete van € 400,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 dagen hechtenis.

Bepaalt, dat de geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

- veroordeelt verdachte voor feit 5 tot:

* een geldboete van € 400,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 dagen hechtenis.

Bepaalt, dat de geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

- ten aanzien van de feiten 1 tot en met 6 bovendien:

Gelast de stillegging van de onderneming van veroordeelde waarin de economische delicten zijn begaan voor de tijd van negen maanden.

Bepaalt, dat deze bijkomende straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter

later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een

proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde gedurende de proeftijd in zijn onderneming uitsluitend vrouwelijke dan wel uitsluitend mannelijke runderen zal houden en dat in beide gevallen het aantal beperkt blijft tot maximaal 20 stuks.

- gelast de teruggave aan verdachte van het restantbedrag van de opbrengst van de in beslaggenomen en verkochte runderen, namelijk € 46.855,-- minus de kosten die vanaf het moment van de in beslagname tot en met de verkoop zijn gemaakt.

Aldus gewezen door mrs. Van de Wetering, voorzitter, Van Harreveld en Bos, rechters, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van

5 februari 2008.