Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BC3482

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
01-02-2008
Datum publicatie
05-02-2008
Zaaknummer
06-800473-07 en 06-801488-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld tot 2 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en 200 uur werkstraf voor het meermalen opzettelijk aanwezig hebben van hennep.

Het verweer van de raadsman dat verdachte steeds niet meer dan 30 gram hennep aanwezig heeft gehad en dat volgens hem derhalve sprake is van afzonderlijke overtredingen, is door de politierechter verworpen.

De enkele suggestie van de raadsman dat niet de gehele in de tenlastelegging genoemde hoeveelheid hennep is getest als zijnde hennep, rechtvaardigt niet de conclusie dat het geen hennep betrof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf - Politierechter

Parketnummers: 06/800473-07 en 06/801488-07

Uitspraak d.d.: 1 februari 2008

SCHRIFTELIJK VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1972],

wonende te [adres en woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 18 januari 2008.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd, dat:

06/800473-07

hij op of omstreeks 03 januari 2007 in de gemeente Winterswijk opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand[adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1160 gram wiet en/of hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

06/801488-07

hij op of omstreeks de periode van 06 februari 2007 tot en met 27 maart 2007 in de gemeente Winterswijk opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1984 gram wiet en/of hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 06/800473-07 ten laste gelegde

Door en namens de raadsman van verdachte is vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 06/800473-07 ten laste gelegde, voor zover betrekking hebbende op de op 3 januari 2007 in de winkelruimte aangetroffen 1000 gram hennep. Hij heeft daartoe aangevoerd, dat de tas waarin deze hoeveelheid hennep was aangetroffen, in de winkel was achtergelaten door ene [naam]. Volgens de raadsman wordt deze verklaring van verdachte ondersteund door het proces-verbaal van [naam], die heeft gerelateerd dat deze tas op de plaats lag, waar voornoemde [naam] even tevoren had gestaan. Voor het overige, te weten de 160 gram hennep, kan een bewezenverklaring worden uitgesproken, nu verdachte bekent deze hoeveelheid in bezit te hebben gehad op voornoemde datum.

De officier van justitie heeft zich terzake op het standpunt gesteld, dat verdachte naast de 160 gram, de aangetroffen 1000 gram hennep ook opzettelijk aanwezig heeft gehad op 3 januari 2007. Zij heeft daarbij aangegeven dat verdachte deze hennep even daarvoor verkocht had aan [naam], hetgeen wordt ondersteund door het hoge bedrag aangetroffen (en in beslag genomen) geld. De officier van justitie heeft dan ook geconcludeerd tot een integrale bewezenverklaring.

De politierechter is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat de aangetroffen kilogram hennep aan een ander dan verdachte toebehoorde. De politierechter neemt hierbij in aanmerking het proces-verbaal van bevindingen (genummerd PL0646/07-201702, opgemaakt en ondertekend op 7 februari 2007 door [naam hoofdagent], hoofdagent van politie Team Winterswijk), waaruit blijkt dat naast verdachte op 3 januari 2007 in de winkel ene [naam] werd aangetroffen. Voorts is vermeld dat nadat deze [naam] de winkel verlaten had, verbalisant een bruine plastic tas zag liggen op de plaats waar [naam] even tevoren vandaan was gekomen en in welke tas vervolgens 1000 gram hennep werd aangetroffen.

Gelet op het voorgaande is de politierechter van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, dat verdachte op 3 januari 2007 opzettelijk een hoeveelheid van 1160 gram hennep aanwezig heeft gehad. De politierechter is voorts van oordeel dat wel bewezen kan worden dat verdachte op 3 januari 2007 opzettelijk een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep aanwezig heeft gehad, nu verdachte heeft bekend, dat de 160 gram hennep (35 zakjes met elk 5 gram hennep) van hem was.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 06/801488-07 ten laste gelegde

Door en namens de raadsman is gedeeltelijke vrijspraak bepleit van het onder 06/801488-07 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd, dat slechts bewezen kan worden verklaard dat verdachte op 27 maart 2007 een hoeveelheid van 224 gram hennep, dus meer dan 30 gram, aanwezig heeft gehad. Van genoemde hoeveelheid is vastgesteld dat het daadwerkelijk hennep betrof, terwijl de overige genoemde hoeveelheid, met uitzondering van de afgevangen transacties, niet getest is als zijnde hennep en mitsdien niet vastgesteld kan worden dat het hier daadwerkelijk om hennep ging. De raadsman heeft hierbij verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 6 mei 2003 (NJ 2003/458). Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd uit het dossier niet kan worden afgeleid, mede gelet op de ontkennende verklaring van verdachte, dat verdachte in de ten laste gelegde periode steeds meer dan 30 gram hennep aanwezig heeft gehad. Hij heeft hierbij verwezen naar de verschillende verklaringen van de getuigen en de door de politie afgevangen transacties, waaruit is gebleken dat de hoeveelheden aangetroffen hennep steeds minder dan 30 gram bedroegen. Verdachte heeft steeds niet meer dan 30 gram hennep aanwezig gehad, en dientengevolge is er slechts sprake van afzonderlijke overtredingen. In dit verband is verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 1980 (NJ 1981/93).

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een integrale bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

De politierechter verwerpt het verweer van de raadsman en is allereerst van oordeel dat de officier van justitie gezien de zinsneden “opzettelijk” en “een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep” heeft beoogd het misdrijf als omschreven in artikel 11, tweede lid, van de Opiumwet ten laste te leggen.

Blijkens de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van de wet tot wijziging van de Opiumwet (Stb. 1976, 424, kamerstukken 13407, nr. 3) heeft de wetgever onderscheid willen maken tussen grensoverschrijdende groothandel, overige handelsactiviteiten en bezitsoverdracht tussen gebruikers, waarbij de wetgever beoogde dat laatste in de overtredingsfeer te houden. Dit in tegenstelling tot, zo begrijpt de politierechter uit de Memorie van Toelichting, professionele handel in hennepproducten. Hoewel in de tekst van het voornoemde vijfde lid deze bedoeling van de wetgever niet duidelijk tot uiting komt, staat in de toelichting bij het artikel nog eens vermeld dat de gekozen hoeveelheid van dertig gram ertoe strekt een kleine marge te laten voor overdracht van bezit tussen gebruikers onderling, zodat deze onder de geringere strafbedreiging van het eerste lid valt. De bedoeling van de wetgever staat eveneens verwoord in Memorie van Antwoord (kamerstukken 13407, nr. 17, pagina 18).

Naar het oordeel van de politierechter is in het geval van verdachte evident dat geen sprake was van overdracht van bezit tussen gebruikers. De politierechter neemt hierbij allereerst in aanmerking het proces-verbaal van bevindingen (PL0646/07-223390, opgemaakt, gesloten en ondertekend door [naam inspecteur], inspecteur van politie Team Winterswijk 29 maart 2007, dossierpagina 20-22), waarin is gerelateerd dat op 27 maart 2007 een totale hoeveelheid van 224 gram hennep is aangetroffen. Voorts blijkt uit diverse verklaringen van door de politie afgevangen afnemers, dat zij eenmaal dan wel meerdere malen bij verdachte in zijn winkel te Winterswijk hennep hebben gekocht, variërend van hoeveelheden van 5 gram tot 20 gram, waarvoor zij bedragen van € 25,- tot € 100,- betaalden. De politierechter verwijst hierbij naar de verklaringen van [getuige A] (dossierpagina: 25-26), [getuige B] (dossierpagina: 27), [getuige C] (dossierpagina: 29-30), [getuige D] (dossierpagina: 31), [getuige E] (dossierpagina: 37 en 39), [getuige F] (dossierpagina: 43 en 45) alsmede de verklaringen van [getuige G] en [getuige H], die tegenover de politie hebben verklaard, dat zij op 21 maart 2007 bij verdachte in de winkel “Dart Shop Dragons” een hoeveelheid van 1,6 kilogram hennep hebben gekocht voor een bedrag tussen € 3.600,- en € 3.700,- en enige dagen daarvoor een hoeveelheid van 500 gram hennep bij hem hebben gekocht (dossierpagina: 33-34).

Door de raadsman is gesteld dat niet kan worden vastgesteld, dat een deel van de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheid hennep, daadwerkelijk hennep is, nu deze hoeveelheid, te weten (1984-279) 1704 gram, niet is getest als zijnde hennep. De politierechter oordeelt terzake dat deze enkele suggestie onvoldoende is om redelijkerwijs te conclusie te rechtvaardigen, dat het geen hennep betrof. De politierechter verwijst in dit verband naar de hiervoor reeds aangehaalde verklaringen van de getuigen, die allen hebben verklaard dat zij het als hennep van iemand hebben gekocht, van wie vast staat dat deze – verdachte dus – in hennep handelde.

De hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen in hun onderlinge samenhang bezien, alsmede in aanmerking genomen dat bij verdachte op 3 januari 2007 (06/800473-07) 35 zakjes met elk 5 gram hennep zijn aangetroffen, is de politierechter van oordeel dat verdachte omstreeks de genoemde periode van 6 februari 2007 tot en met 27 maart 2007 telkens een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de politierechter is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

06/800473-07

hij op 03 januari 2007 in de gemeente Winterswijk opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

06/801488-07

hij omstreeks de periode van 06 februari 2007 tot en met 27 maart 2007 in de gemeente Winterswijk opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders onder 06/800473-07 en 06/801488-07 is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de politierechter niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

06/800473-07 Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet, gegeven verbod.

06/801488-07 Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder C,

van de Opiumwet, gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf

De officier van justitie heeft geconcludeerd verdachte ten aanzien van beide feiten te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de politierechter een taakstraf als na te melden op zijn plaats. De keuze van de strafsoort, een lichtere dan door de officier van justitie is gevorderd, wordt voornamelijk bepaald door de omstandigheid dat verdachte geen relevant justitiële documentatie heeft. De taakstraf zal moeten worden verricht op een projectplaats als opgenomen in de door de Stichting Reclassering Nederland gehanteerde lijst van projectplaatsen. De politierechter acht een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en om daarnaast de ernst van de feiten te benadrukken.

De politierechter neemt bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking dat verdachte voor verdere verspreiding geschikte hoeveelheden hennep voorhanden heeft gehad. Verdachte heeft hierbij geen oog gehad voor de maatschappelijk problemen die de handel van softdrugs met zich brengen, maar hij heeft slechts oog gehad voor het financiële gewin.

In beslag genomen voorwerpen – verbeurdverklaring

De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het bewezenverklaarde is begaan. De politierechter heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

In beslag genomen voorwerpen – teruggave

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de na te melden voorwerpen aan de veroordeelde. De politierechter overweegt met name dat onvoldoende relatie bestaat tussen het inbeslaggenomen geld en de telefoons en het bewezenverklaarde aanwezig hebben van hennep.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24, 33, 33a, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

Beslissing

De politierechter:

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 06/800473-07 en 06/801488-07 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders onder 06/800473-07 en 06/801488-07 is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 200 (tweehonderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

06/800473-07

- 2 transparante plastictassen.

Gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan veroordeelde, te weten:

06/800473-07

- een zwarte telefoon Alcatel, inclusief (gebroken) simkaart;

- een zwarte telefoon, Samsung;

- een geldbedrag van € 8.190,00;

06/801488-07

- een geldbedrag van € 959,50;

- een zwarte telefoon, Sony Ericsson.

Aldus gewezen door mr. Kleinrensink, politierechter, in tegenwoordigheid van

mr. Meerdink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 februari 2008.