Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BC2946

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
25-01-2008
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
06/802172-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen personen bewezen. Beroep op noodweer en noodweerexces wordt verworpen, omdat niet duidelijk is geworden wie de vechtpartij is begonnen. De rechtbank legt een werkstraf op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/802172-06

Uitspraak d.d.: 25 januari 2008

Tegenspraak / dip / oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] (Turkije) op [1980],

wonende te [adres en plaats].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 januari 2008.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 augustus 2006 te Harderwijk met een ander of anderen, op

of aan de openbare weg, Vuldersbrink en/of Waltorenstraat, in elk geval op of

aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B], welk geweld bestond uit

- het slaan en/of stompen tegen/op het hoofd en/of elders tegen/op het/de

licha(a)m(en) van deze(n) [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of

- het slaan en/of stompen met een stok, althans een soortgelijk slagwapen

tegen/op het hoofd en of elders tegen/op het lichaam van deze [slachtoffer B] en/of

- het geven van een kopstoot aan deze [slachtoffer B] en/of

- het bijten in een oor van bovengenoemde [slachtoffer B] en/of

- het schoppen en/of trappen tegen het/de licha(a)m(en) van deze(n) [slachtoffer A]

en/of [slachtoffer B];

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

1. De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de -navolgende- overwegingen ten aanzien van het bewijs, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PLO612, op ambtseed opgemaakt door [naam], gesloten en getekend dd. 14-12-2006.

a. Stamproces-verbaal (p. 8-13)

b. Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer A] (p. 32-33)

c. Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer B] (p. 56- 58)

d. Proces-verbaal van verhoor van [broer verdachte] (p. 48-49)

e. Proces-verbaal van aangifte door [broer verdachte] (p. 69-71)

f. Proces-verbaal van aangifte door verdachte (p. 63-65)

g. Verklaring verdachte ter terechtzitting

h. Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige A] (p. 37-39)

i. ambtelijk verslag d.d. 14 maart 2007, op ambtseed opgemaakt door [naam]

In de volgende overwegingen zullen de medeverdachten ter wille van de leesbaarheid en een beter begrip van de feiten bij hun achternamen, dan wel hun (familie)relatie worden aangeduid.

Bewijsoverweging

2. Uit de bewijsmiddelen worden de volgende redengevende feiten en omstandigheden afgeleid.

3. Uit het stamproces-verbaal blijkt dat de politie op zaterdag 19 augustus 2006 rond 20.15 uur een melding kreeg dat er hevig gevochten werd aan de [adres en plaats] Ter plaatse trof de politie [slachtoffer A] en zijn broer, [slachtoffer B], aan. (p. 8)

4. In zijn aangifte verklaart [slachtoffer A] dat hij aan de [adres en plaats] een winkel, onder meer een schoenmakerij, runt. Op zaterdag 19 augustus 2006 kwam er een aantal mannen en vrouwen, waaronder verdachte en zijn broer [broer verdachte], bij de winkel. Hij verklaart dat [broer verdachte] hem met zijn vuisten op zijn hoofd sloeg. Daarna begon een grote vechtpartij. (p. 33)

5. Zakelijk samengevat verklaart [slachtoffer B] in zijn aangifte dat hij op zaterdag 19 augustus 2006 met zijn broer, [slachtoffer A], bij de schoenmakerij in [plaats] was, toen hij een drietal mannen zag aankomen. Een van de mannen had een stok van ongeveer 80 cm in zijn hand. Hij voelde dat hij door een of meer van die drie mannen harde klappen en schoppen kreeg. Hij zag dat zijn broer schoppen en klappen kreeg. Hij viel en toen hij op de grond lag, voelde hij dat hij werd geschopt en geslagen. Hij voelde dat hij in zijn rechter oor werd gebeten. (p. 56)

In de letselomschrijving bij de aangifte worden kneuzingen aan het hoofd en op het lichaam en een bijtwond aan het rechteroor vermeld. (p. 58)

6. [broer verdachte] verklaart bij de politie dat hij met de schoenmaker begon te vechten nadat hij van hem een klap met een schroevendraaier had gekregen. Vervolgens kwam zijn broer, verdachte, die eerst bij de auto stond, hem helpen. (p. 49)

Over zijn aandeel verklaart [broer verdachte] in zijn aangifte dat hij de schoenmaker en zijn broer [slachtoffer B] met een stok heeft geslagen. (p. 69)

7. De verklaring van verdachte in zijn aangifte komt er in de kern op neer dat hij, toen hij zag dat [slachtoffer A] en [slachtoffer B] met verdachte aan het vechten waren, op hen is afgerend. Hij zag dat [slachtoffer B] een mes in zijn ene hand en een schroevendraaier in zijn andere hand had. Vervolgens heeft hij, verdachte, hem een kopstoot tegen zijn hoofd gegeven en hem teruggeslagen. (p. 64)

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer B] in zijn oor heeft gebeten.

8. Bij de politie verklaart [getuige A] –zakelijk weergegeven- dat hij vanaf het poortje richting [straat] keek. Hij zag dat [broer verdachte] met [slachtoffer A] vocht en dat er over en weer vuistslagen op de gezichten werden uitgedeeld. Even later zag hij verdachte aan komen lopen, die [slachtoffer B] begon te slaan. [broer verdachte] en [slachtoffer A] bleven in de buurt van de winkel vechten en verdachte en [slachtoffer B] verplaatsten zich de parkeerplaats op. (p. 38)

9. Uit het ambtelijk verslag d.d. 14 maart 2007 blijkt dat de schoenmakerij twee ingangen dan wel uitgangen heeft. Een van deze uitgangen komt uit op de parkeerplaats op de Waltorenstraat te Harderwijk.

Bewezenverklaring

10. Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 19 augustus 2006 te Harderwijk op of aan de openbare weg, de Waltorenstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B], welk geweld bestond uit

- het slaan en/of stompen tegen/op het hoofd en/of elders tegen/op de

lichamen van deze [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en

- het slaan met een stok tegen/op het lichaam van deze [slachtoffer B] en

- het geven van een kopstoot aan deze [slachtoffer B] en

- het bijten in een oor van bovengenoemde [slachtoffer B] en

- het schoppen en/of trappen tegen de lichamen van deze [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B].

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

11. Wat meer of anders is ten las¬te gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

12. De raadsman heeft ter zitting namens verdachte beroep gedaan op noodweer, althans noodweer-exces. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verdachte zijn broer wilde verdedigen, toen hij zag dat deze met [slachtoffer A] en [slachtoffer B] aan het vechten was en dat [slachtoffer B] een mes in zijn ene hand en een schroevendraaier in zijn andere hand had, verdachte zijn broer wilde verdedigen.

13. Artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat niet strafbaar is degene die een feit begaat geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. In lid 2 van dat artikel wordt de strafbaarheid in geval van noodweer-exces uitgesloten.

14. Voor een geslaagd beroep op deze strafuitsluitingsgrond is vooreerst vereist dat aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, ofwel een ‘noodweersituatie’, jegens verdachte en/of zijn broer. In deze zaak zal dan aannemelijk moeten zijn dat de heren [slachtoffers] de vechtpartij zijn begonnen, omdat pas dan ten aanzien van verdachte en zijn broer sprake zou kunnen zijn van een noodweersituatie.

15. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat verdachte zich in een noodweersituatie bevond. Verdachte heeft dan wel verklaard dat zijn broer werd aangevallen door eerst [slachtoffer A] en vervolgens [slachtoffer B], welke verklaring in hoofdlijnen wordt bevestigd door zijn broer [broer verdachte] (p. 64) en getuige [getuige B] (p. 42), maar hiertegenover staat echter de weergave van feitelijke gang van zaken door [slachtoffer A] (p. 33) en [slachtoffer B] (p. 56), die beiden verklaren dat onder meer verdachte en zijn broer met de vechtpartij zijn begonnen. Deze laatste lezing wordt ondersteund door de verklaringen van de [getuigen C en D], afgelegd ter zitting van de politierechter van 16 februari 2007. Deze getuigen verklaren immers beiden dat zij hebben gezien dat uit een auto een drietal mannen is gestapt, die vervolgens op de schoenmaker afrenden en hem met een stok op zijn hoofd sloegen.

16. Omdat de verklaringen ook op andere onderdelen van elkaar verschillen, valt omtrent de geloofwaardigheid van de diverse verklaringen en daarmee de aannemelijkheid van de ene versie tegenover de andere versie geen uitspraak te doen. De rechtbank kan niet anders dan tot de conclusie komen dat de feitelijke gang van zaken onduidelijk blijft en dat dus evenzeer onduidelijk blijft wie de vechtpartij is begonnen. Reeds daarom kan niet worden gezegd dat verdachte aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding jegens hem en/of zijn broer.

17. Het beroep op noodweer en, wegens het ontbreken van een noodweersituatie, ook het beroep op noodweer-exces slaagt niet, hetgeen leidt tot de conclusie dat het bewezene oplevert het misdrijf:

Het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen personen

Strafbaarheid van de verdachte

18. Verdachte is strafbaar. Het beroep op noodweerexces slaagt niet en ook overigens is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

19. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een werkstraf van 80 uur, te vervangen door 40 dagen hechtenis indien deze straf niet naar behoren wordt verricht, waarvan 40 uur, te vervangen door 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Er is geen strafmaatverweer gevoerd.

20. Verdachte is met zijn broer betrokken geraakt in een vechtpartij. Over en weer zijn klappen gevallen. Er is daarbij door de broer van verdachte met een stok geslagen. Bij verschillende betrokkenen is letsel ontstaan. De vechtpartij heeft in het openbaar, op een parkeerterrein in de buurt van winkels, plaatsgevonden, terwijl daar ook toeschouwers waren. Aanleiding van de confrontatie tussen partijen was mogelijk een meningsverschil over de relationele verhoudingen tussen [slachtoffer A] en het nichtje van verdachte.

21. Verdachte heeft door zijn handelen een forse inbreuk gemaakt op de openbare orde. Dergelijke incidenten leveren doorgaans bij omstanders, maar ook in de maatschappij in het algemeen gevoelens van onveiligheid op. Daarnaast heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de andere betrokkenen.

22. De rechtbank heeft rekening gehouden met de hoogte van de straf die in de zaken tegen de medeverdachten is opgelegd.

23. Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de taakstraf zoals door de officier geëist passend en geboden. De taakstraf zal worden opgelegd en zal moeten worden verricht op een projectplaats als opgenomen in de door de Stichting Reclassering Nederland gehanteerde lijst van projectplaatsen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op artikel 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 80 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen.

Bepaalt, dat een gedeelte van de werkstraf, groot 40 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mrs. Hemrica, voorzitter, Hödl en Roessingh-Bakels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Althoff, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 januari 2008.

RECHTBANK ZUTPHEN

Meervoudige kamer voor strafzaken