Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:BC2688

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
25-01-2008
Zaaknummer
07/2107, 07/2108, 07/2162, 07/2163, 07/2164, 07/2165, 07/2169 en 07/2170
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Berkro BV (eiseres 1) is niet-ontvankelijk verklaard in de beroepen, omdat zij niet het juridische eigendom heeft van de aan het Erdbrinkplein grenzende percelen. Zij kan daarom niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt.

De overige beroepen zijn ongegrond verklaard en de verzoeken zijn afgewezen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter - kortweg- ten grondslag gelegd dat verweerder in redelijkheid aan derde-partij vrijstelling heeft kunnen verlenen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van de huidige bestemmingsplannen voor het bouwrijp maken van het Connexxionterrein, het Erdbrinkplein en de aanliggende gemeentelijke percelen (’t Lookwartier) te Doetinchem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nrs.: 07/2107, 07/2108, 07/2162, 07/2163, 07/2164, 07/2165, 07/2169 en 07/2170

Uitspraak op de verzoeken om voorlopige voorzieningen, tevens uitspraken in de hoofdzaken, in de gedingen tussen:

Berkro Apeldoorn B.V.,

te Apeldoorn, verzoekster/eiseres 1,

Carwash De Achterhoek B.V.,

te Doetinchem, verzoekster/eiseres 2,

Autoschade Service De Achterhoek B.V.,

te Doetinchem, verzoekster/eiseres 3, en

[naam] International B.V.,

te Doetinchem, verzoekster/eiseres 4,

verzoeksters/eiseressen (hierna te noemen: eiseressen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem,

verweerder.

Derde-partij: Stichting Sité Woondiensten, te Doetinchem.

1. Feiten en procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2007 (nr. 2007.10439), bekendgemaakt op 24 oktober 2007, heeft verweerder aan de derde-partij vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) van de Bestemmingsplannen “ ’t Loo 1973, ’t Loo 1973, zesde herziening, ’t Loo, achtste herziening, ’t Loo, herziening Hofstraat, het Loo 2001-1 Parkeerterrein, De Happert 1970 en De Veentjes 1978” (hierna: de bestemmingsplannen) voor het bouwrijp maken van het Connexxionterrein, het Erdbrinkplein en de aanliggende gemeentelijke percelen (hierna: ’t Lookwartier) te Doetinchem.

Eiseressen hebben beroep ingesteld bij de rechtbank en tevens verzocht om voorlopige voorzieningen die strekken tot schorsing van het besluit van 18 oktober 2007.

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 9 januari 2008, waar voor eiseres 1 is verschenen [eiseres 1] en voor de overige eiseressen [eiseres 4], bijgestaan door J.N.J.B. Horak. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M.G.P. Derks en L.A.H.G. Everdij, beiden ambtenaren van de gemeente. Namens derde-partij is verschenen haar gemachtigde mr. E.H.M. Harbers, advocaat te Arnhem.

2. Motivering

2.1. Indien de voorzieningenrechter na de behandeling ter zitting van een verzoek om een voorlopige voorziening van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij, ingevolge artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de bij de rechtbank aanhangige hoofdzaak. Van deze bevoegdheid wordt in dit geval gebruik gemaakt.

Met betrekking tot het verzoek en het beroep van eiseres 1 (07/2107 en 07/2108)

2.2. Zowel verweerder als de derde-partij hebben betoogd dat eiseres 1 niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat zij geen eigendommen heeft in het betrokken gebied en anderszins evenmin sprake is van relevante directe belangen.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de aan het Erdbrinkplein grenzende percelen, op een gedeelte waarvan eiseressen 2 en 3 hun bedrijfsactiviteiten uitoefenen, (juridisch) eigendom zijn van eiseres 4. Gelet daarop, en nu van overige relevante rechtstreeks betrokken belangen niet is gebleken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat eiseres 1 niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. De omstandigheid dat, zoals is gesteld, eiseres 1 sinds 14 december 2007 100% van de aandelen in eiseres 4 houdt levert hooguit een indirect maar geen rechtstreeks belang op bij het bestreden besluit. Datzelfde geldt voor de stelling dat eiseres 1 reeds sinds jaren economisch eigenaar is van de bedoelde percelen.

Eiseres 1 is dan ook niet-ontvankelijk in haar beroep. Er is daarom geen plaats voor het treffen van een voorlopige voorziening. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.

Met betrekking tot de verzoeken en de beroepen van eiseressen 2, 3 en 4 (07/2162 en 07/2163, 07/2164 en 07/2165, respectievelijk 07/2169 en 07/2170)

2.3. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van het college van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 19, vierde lid, wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is herzien of geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, van de WRO bevat het vrijstellingsbesluit een beschrijving van het betrokken project, de ruimtelijke onderbouwing en de afwegingen die aan het verlenen van vrijstelling ten grondslag liggen.

2.4. De werkzaamheden waarop de vrijstelling betrekking heeft bestaan uit het uitvoeren van werken, waaronder de aanleg van de benodigde weginfrastructuur met openbare voorzieningen, alsmede het geschikt maken van gronden voor bebouwing. De werkzaamheden vinden plaats ter voorbereiding van de bouw van een schouwburg, gezondheidscentrum, parkeergarage, woningen en appartementen in het toekomstige Lookwartier, zoals deze is opgenomen in het Programma van Eisen ’t Lookwartier van november 2006, dat aan de vrijstelling als ruimtelijke onderbouwing ten grondslag is gelegd.

2.5. Vaststaat en tussen partijen is niet in geschil dat de werkzaamheden niet passen binnen de vigerende bestemmingsplannen. Teneinde de werkzaamheden mogelijk maken is verweerder een procedure tot verlening van vrijstelling op de voet van artikel 19, eerste lid, van de WRO opgestart. In verband daarmee heeft verweerder het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: GS) verzocht om afgifte van een verklaring van geen bezwaar. Bij besluit van 2 oktober 2007 (nr. 2007015426) heeft GS, gehoord de inspecteur van de Ruimtelijke Ordening, besloten tot afgifte van de gevraagde verklaring van geen bezwaar. Op 21 december 2006 is er voor het gebied een voorbereidingsbesluit in werking getreden. Bij besluit van 19 december 2002 heeft de gemeenteraad voormelde bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling aan verweerder gedelegeerd.

2.6. Anders dan door eiseressen gesuggereerd bestaat geen grond voor het oordeel dat artikel 19, eerste lid, van de WRO in dit geval niet zou kunnen worden toegepast. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de voorzieningenrechter voorts geen grond voor twijfel aan de (formele) bevoegdheid van verweerder om met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling te verlenen voor het bouwrijp maken van de betrokken percelen.

2.7. De vraag is vervolgens of verweerder ook in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen.

2.8. Eiseressen hebben betoogd dat zij door het vrijstellingsbesluit ernstig in hun belangen worden geschaad. Gelet op onder meer de geplande woningbouw en de aanleg van de nieuwe Ruimzichtlaan en verkeerslichten op de kruising met de Keppelseweg komt de bedrijfsvoering van de door hen ter plaatse uitgeoefende bedrijven volgens eiseressen ernstig in gevaar. In de beoogde nieuwe verkeerssituatie hun bedrijven niet of nauwelijks meer bereikbaar zijn. Daarnaast zijn de invloed van het geluid vanuit de bedrijfsvoeringen van eiseressen op de op te richten woningen en de effecten op de luchtkwaliteit niet in de besluitvorming betrokken. Volgens eiseressen hebben zij al schade geleden door het bouwrijp maken van de in geding zijnde percelen.

2.9. De voorzieningenrechter overweegt dat het vrijstellingsbesluit dat thans in het geding is op zichzelf moet worden bezien. Verwezen wordt naar uitspraken van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 maart 2005 (AB 2005, 220) en de Afdeling van 14 december 2005 (JB 2006, 51).

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de vrijstelling uitdrukkelijk beperkt tot het bouwrijp maken van de gronden en de aanleg van wegen en openbare voorzieningen, te weten kabels en een leidingentracé, alsmede een regenwater-, infiltratie- en vuilwaterriool, ten behoeve daarvan. Uit de stukken valt af te leiden dat voor de oprichting van voormelde bouwwerken, waaronder woningen, een nieuwe vrijstelling noodzakelijk is, die door verweerder op haar eigen merites zal worden bezien en waarbij de gevolgen voor het geluid en de luchtkwaliteit in de beoordeling zullen worden betrokken. Hetgeen eiseressen hieromtrent hebben aangevoerd, behoeft in het kader van de onderhavige procedure dan ook geen bespreking. Daarnaast heeft verweerder onweersproken gesteld dat het vrijstellingsbesluit niet ziet op de nog aan te brengen (definitieve) infrastructurele voorzieningen op het perceel. Gelet op de beperkte reikwijdte van de vrijstelling behoeft het betoog van eiseressen dat zij door de nieuwe infrastructuur niet of nauwelijks bereikbaar zullen zijn daarom thans evenmin bespreking. Dit geldt eveneens voor hun stelling dat zij door de woningbouw hun bedrijfsactiviteiten niet meer zullen kunnen uitoefenen.

Niet is aannemelijk gemaakt dat het vrijstellingsbesluit op zichzelf tot gevolg heeft dat eiseressen hun bedrijfsactiviteiten niet langer ten volle kunnen blijven uitoefenen en dat zij daardoor schade hebben geleden. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat de gestelde schade ten gevolge van het wegvallen van (impuls)klandizie van parkeerders op het Erdbrinkplein niet zozeer het gevolg is van het hier bestreden besluit, als wel van het aan dit besluit voorafgaande besluit van 27 september 2007 van de raad van de gemeente Doetinchem tot het aan de openbaarheid onttrekken van het parkeerterrein Erdbrinkplein.

2.10. Eiseressen hebben voorts de ruimtelijke onderbouwing van het in geding zijnde besluit ter discussie gesteld.

2.11. Verweerder heeft het vrijstellingsbesluit wat betreft de ruimtelijke onderbouwing doen steunen op het Programma van Eisen ’t Lookwartier uit november 2006 en op een stuk, genaamd: Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van toepassing van artikel 19 lid 1 van de WRO voor het bouwrijp maken van ’t Lookwartier te Doetinchem. Blijkens laatstgemeld stuk heeft verweerder, voor zover hier van belang, archeologisch onderzoek en onderzoek naar Flora en Fauna en de bodemkwaliteit doen verrichten.

Door RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. is een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in de vorm van proefsleuven. Bij dit onderzoek zijn archeologische resten uit 900-1300 na Christus aangetroffen. Op basis van de inhoudelijke kwaliteit scoort de vindplaats bovengemiddeld wat vooral door de zeldzaamheid en de informatiewaarden van deze vindplaats komt. Daarom zal zoveel mogelijk getracht moeten worden om de archeologische waarden in situ te behouden en te beschermen. Indien dit niet mogelijk is, zal er een vlakdekkend onderzoek moeten plaatsvinden door middel van een definitief archeologisch onderzoek (opgraving), zodat de archeologische waarden ex situ kunnen worden behouden.

Door Stichting Staring Advies is een inventariserend onderzoek uitgevoerd. Hierin is geconcludeerd dat verblijfplaatsen van vleermuizen niet door de werkzaamheden zullen worden vernietigd. Wel zullen enkele belangrijke groene elementen verdwijnen waardoor de kwaliteit van het foerageergebied voor vleermuizen verslechtert. De groenstructuren aan de Frielinkstraat zijn groeiplaats van enkele niet beschermde KISAL-aandachtsoorten en twee soorten van de Flora- en Faunawet, waarvoor geen ontheffing nodig is. Het gezamenlijk voorkomen van deze plantensoorten duidt echter op een hoge natuurwaarde. Het is wenselijk om bij de realisatie van het plan deze groengebieden intact te laten en uit te breiden. Dit is ook van belang voor het beschikbaar blijven van het gebied voor de steenmarter. De aanbevelingen in het rapport dienen zoveel mogelijk te worden opgevolgd. Er hoeft voor de uitvoering van de werkzaamheden geen ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet worden aangevraagd.

Door Ecopart B.V. is nader bodemonderzoek verricht in het plangebied ’t Lookwartier. Daarbinnen worden twee gevallen van ernstige bodemverontreiniging onderscheiden die moeten worden gerealiseerd om de plannen voor ’t Lookwartier te kunnen realiseren. Er dient een saneringsplan met kostenraming te worden opgesteld en ter goedkeuring aan GS te worden voorgelegd. Er is afstemming nodig met de provincie over de voortgang van een lopende grondwatersanering en/of de mogelijke inpassing daarvan in relatie tot de planvorming. Op twee deellocaties die nu niet bemonsterd kunnen worden, dient te zijner tijd nog bodemonderzoek plaats te vinden. Tevens dient er voor de aanvang van de werkzaamheden een volledig goedgekeurd saneringsplan aanwezig te zijn.

2.12. Eiseressen achten de ruimtelijke onderbouwing ontoereikend. Zij wijzen erop dat nog archeologisch en bodemonderzoek moet worden verricht en dat een volledig goedgekeurd saneringsplan moet worden opgesteld. Daarbij moeten de gevolgen van de grondwatersanering voor de complexen van eiseressen duidelijk worden. Tevens is door het vrijstellingsbesluit sprake van een verslechtering van de kwaliteit van het foerageergebied van de vleermuizen en zullen de op het perceel voorkomende hoge natuurwaarden worden aangetast.

2.13. De voorzieningenrechter volgt eiseressen niet in dit betoog. De voorzieningenrechter stelt vast dat voormelde onderzoeksresultaten niet zijn weersproken. Daarnaast is aan de vrijstelling, voor zover van belang, de voorwaarde verbonden dat met betrekking tot de aspecten bodem, ecologie en archeologie wordt voldaan aan de in de ruimtelijke onderbouwing gestelde voorwaarden. Daarnaast is aan de vrijstelling de voorwaarde verbonden dat eerst gestart mag worden met de werkzaamheden nadat GS met de van toepassing zijnde bodemsaneringsplannen hebben ingestemd. Gelet hierop kan niet worden ingezien dat de ruimtelijke onderbouwing – op de door eiseressen gestelde onderdelen – ontoereikend is dat verweerder deze niet aan het besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Niet is gesteld dat de ruimtelijke onderbouwing voor het overige tekortschiet.

Overigens is niet gebleken dat derde-partij zich niet zal houden aan de in het besluit gestelde voorwaarden. Indien en voor zover daarvan sprake zou zijn, staat het eiseressen vrij verweerder te verzoeken om handhavend op te treden.

2.14. Gelet op het vorenoverwogene kan niet worden gezegd dat verweerder aan het vrijstellingsbesluit niet een goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag heeft gelegd.

In hetgeen door eiseressen is aangedragen wordt voorts geen aanleiding gezien voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid na afweging van de betrokken belangen tot het verlenen van vrijstelling heeft kunnen komen.

2.15. De beroepen dienen ongegrond te worden verklaard. Gelet hierop is er geen plaats voor het treffen van voorlopige voorzieningen.

2.16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

in de hoofdzaken:

- verklaart het beroep, geregistreerd als 07/2108, niet-ontvankelijk;

- verklaart de overige beroepen ongegrond;

met betrekking tot de verzoeken om voorlopige voorzieningen:

- wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen af.

Aldus gegeven door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2008 in tegenwoordigheid van mr. F.S. Zwerwer als griffier.