Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2008:827

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
04-10-2013
Zaaknummer
89908 - HA ZA 07-1135
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt gedaagde om aan de bewindvoerder te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 89908 / HA ZA 07-1135

Vonnis van 4 juni 2008

in de zaak van

MR. ARIE ENDENDIJK, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van de echtelieden [moeder] EN [vader], wonende te[plaats],

eiser,

procureur mr. C.B. Gaaf,

advocaat mr. H. Versluis te Vriezenveen,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [plaats],

gedaagden,

procureur mr. M. Bakhuis.

Eiser zal hierna de bewindvoerder en gedaagden zullen gezamenlijk [gedaagden] genoemd worden. Gedaagden zullen afzonderlijk worden aangeduid als [gedaagde sub 1] en[gedaagde sub 2].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 februari 2008

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 15 mei 2008.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij beschikking van 4 april 2007 van de kantonrechter te Enschede is mr. Endendijk benoemd tot bewindvoerder over alle goederen behorende tot het vermogen van [moeder], hierna: moeder, geboren[1917]. Deze beschikking is in kracht van gewijsde gegaan.

2.2.

Bij beschikking van 23 augustus 2007 van de kantonrechter te Enschede is mr. Endendijk benoemd tot bewindvoerder over alle goederen behorende tot het vermogen van [vader], hierna: vader, geboren op [1919]. [gedaagde sub 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking.

2.3.

[gedaagde sub 1] is de zoon van vader en moeder. [gedaagde sub 1] en[gedaagde sub 2] zijn onder huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. [gedaagde sub 1] is de jongste van een gezin van vijf kinderen. Zijn twee oudste broers, [broer 1] en [broer 2], zijn inmiddels overleden. [gedaagde sub 1] heeft nog een broer, [broer 3], en een zus, [zus 4]. In 1994 is het gezin ernstig verdeeld geraakt.

2.4.

In november 2004 is [gedaagde sub 1] door vader gemachtigd om van diens betaalrekening met het nummer [rekeningnummer] binnenkomende rekeningen van vader te betalen. Bij brief van 6 september 2006 heeft vader de volmacht ingetrokken.

2.5.

Van bovengenoemde betaalrekening zijn onder meer de volgende betalingen gedaan:

  • -

    op of omstreeks 12 november 2004 een bedrag van € 2.749,-- naar de bankrekening van [gedaagde sub 1]

  • -

    op of omstreeks 22 november 2004 een bedrag van € 13.992,-- naar de Belastingdienst Amsterdam ten behoeve van een belastingschuld van[gedaagde sub 2]

  • -

    op of omstreeks 22 november 2004 een bedrag van € 7.487,-- naar de Belastingdienst ten behoeve van een belastingschuld van [gedaagde sub 1]

  • -

    op of omstreeks 22 november 2004 een bedrag van € 4.243,-- naar de bankrekening van [gedaagde sub 1]

  • -

    op of omstreeks 26 januari 2005 een bedrag van € 20.000,-- naar de bankrekening van[gedaagde sub 2]

  • -

    op of omstreeks 4 april 2005 een bedrag van € 10.250,-- naar de bankrekening van [gedaagde sub 1]

  • -

    op of omstreeks 24 augustus 2005 een bedrag van € 3.000,-- naar de bankrekening van [gedaagde sub 1]

  • -

    op of omstreeks 7 november 2005 een bedrag van € 1.000,-- naar de Visa Creditcardrekening van [gedaagde sub 1]

  • -

    op of omstreeks 16 december 2005 een bedrag van € 10.000,-- naar de bankrekening van[gedaagde sub 2].

Voorts is op of omstreeks 4 augustus 2005 in een amusementspark in Duitsland een pinbetaling van € 500,-- gedaan ten laste van de bankrekening van vader en moeder.

2.6.

Op of omstreeks 4 september 2004 heeft [gedaagde sub 1] de auto van vader en moeder, merk Mercedes Benz, ingeruild voor een bedrag van € 26.500,--. De opbrengst is niet aan vader of moeder afgedragen.

2.7.

In of omstreeks maart 2003 heeft vader een bedrag van € 370.000,-- aan [gedaagde sub 1] betaald in verband met een belastingschuld van [gedaagde sub 1].

2.8.

Op 20 januari 2006 heeft [gedaagde sub 1] een schikking met de Belastingdienst getroffen, op grond waarvan hij vóór 1 februari 2006 een bedrag van € 411.705,-- diende te betalen.

2.9.

In of omstreeks januari 2006 heeft vader aan [gedaagde sub 1] een geldlening van € 411.705,-- verstrekt in verband met die belastingschuld van [gedaagde sub 1]. Deze geldlening is op 20 april 2006 in een notariële akte vastgelegd. Bij deze akte werd van het totale bedrag een bedrag van € 111.000,-- kwijtgescholden. De lening is in de akte op een bedrag van € 300.000,-- gesteld.

2.10.

Bij brief van 4 juli 2007 heeft de bewindvoerder in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van moeder en volgens de bewindvoerder mede namens vader, [gedaagde sub 1] gesommeerd de over de lening van € 300.000,-- verschuldigde rente vanaf 31 januari 2006 tot en met 30 juni 2007 uiterlijk 20 juli 2007 te voldoen. Voorts heeft de bewindvoerder de lening per 15 oktober 2007 opgezegd en het geleende bedrag en de op 15 oktober 2007 verschenen maar nog niet betaalde rente opgeëist. Ten slotte heeft de bewindvoerder bij die brief [gedaagde sub 1] gesommeerd tot terugbetaling van een aantal andere, al dan niet met medeweten van vader, door [gedaagde sub 1] van zijn ouders geleende bedragen. Voor zover mocht blijken dat de overboekingen of opnamen schenkingen waren, heeft de bewindvoerder als bewindvoerder over het vermogen van moeder de schenkingen overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:89 van het Burgerlijk Wetboek vernietigd vanwege het ontbreken van de toestemming van moeder.

In aanvulling op de brief van 4 juli 2007 heeft de bewindvoerder bij brief van 16 augustus 2007 aan [gedaagde sub 1] meegedeeld dat de in eerste genoemde brief opgenomen vernietiging zich ook uitstrekt tot de kwijtschelding ten bedrage van € 111.000,-- zoals deze is opgenomen in de akte van geldlening van 20 april 2006.

3 De vordering

3.1.

De bewindvoerder vordert dat de rechtank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis,

  1. [gedaagde sub 1] zal veroordelen om, op gronden als genoemd in de dagvaarding in de punten 6 tot en met 8 juncto 10, aan mr. Endendijk, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van de[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bedrag van € 551.205,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2007 tot aan de dag van algehele voldoening, en dat zij [gedaagde sub 1] tevens zal veroordelen tot betaling van de vanaf 1 september 2007 te vervallen (maand)termijnen van contractuele rente van 10% per jaar over het bedrag van de geldlening als genoemd in punt 8 van de dagvaarding;

  2. [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om op gronden als in de dagvaarding genoemd onder punt 5 juncto punt 10, aan mr. Endendijk, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van de[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bedrag van € 73.221,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2007 tot de dag van algehele voldoening;

  3. [gedaagden] zal veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief de kosten van de gelegde beslagen.

3.2.

De bewindvoerder legt, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, het navolgende aan zijn vordering ten grondslag.

[gedaagde sub 1] heeft de onder 2.5 genoemde betalingen verricht, met uitzondering van de pinbetaling die door[gedaagde sub 2] is verricht. [gedaagde sub 1] had hiervoor geen toestemming van de vader en moeder en is tot een bedrag van € 29.229,-- (€ 500,-- + € 1.000,-- + € 2.749,-- + € 3.000,-- + € 4.243,-- + € 7,487,-- + € 10.250,--) ten koste van het vermogen van vader en moeder verrijkt.[gedaagde sub 2] heeft van deze onrechtmatigheid willens en wetens meegeprofiteerd, in ieder geval tot een bedrag van € 43.992,--(€ 10.000,-- + € 13.992,-- + € 20.000,--).

[gedaagde sub 1] heeft de onder 2.6 genoemde opbrengst van de Mercedes niet afgedragen aan vader en moeder maar verduisterd voor de aanschaf van een auto voor zijn dochter.

[gedaagde sub 1] heeft deze bedragen op onrechtmatige wijze verkregen en/of onrechtmatig aan het vermogen van[gedaagde sub 2] toegevoegd, ten laste van het vermogen van vader en moeder, door misbruik te maken van de notariële volmacht. [gedaagde sub 1] heeft zonder toestemming en/of medeweten van vader en moeder zich ten laste van het vermogen van vader en moeder substantiële bedragen wederrechtelijk en onbevoegdelijk toegeëigend althans verduisterd en hij heeft aldus jegens vader en moeder onrechtmatig gehandeld. Subsidiair is [gedaagde sub 1] jegens vader en moeder toerekenbaar tekort geschoten door de hem gegeven volmacht niet te gebruiken voor het doel waarvoor de volmacht werd gegeven, immers het behartigen van de financiële belangen van vader en moeder.

Voor zover [gedaagden] zich op het standpunt zou willen stellen dat de bedragen hen door vader en moeder zouden zijn geleend of geschonken heeft de bewindvoerder beweerdelijke geldleningen schriftelijk opgezegd per 20 juli 2007. Ten aanzien van beweerdelijke schenkingen heeft de bewindvoerder de nietigheid buitengerechtelijk ingeroepen wegens het ontbreken van de schriftelijke toestemming van moeder.

De onder 2.7 genoemde betaling van € 370.000,-- betreft een lening aan [gedaagde sub 1] in verband met een belastingschuld van hem. Deze geldlening is inmiddels opgezegd per 20 juli 2007 en derhalve opeisbaar. Voor zover [gedaagde sub 1] zich op het standpunt zou stellen, dat het bedrag hem is geschonken, heeft de bewindvoerder buitengerechtelijk de nietigheid ingeroepen wegens het ontbreken van toestemming van moeder.

In de akte van 20 april 2006 ontbreekt de toestemming van moeder voor de in die akte opgenomen schenking van € 111.000,--. De bewindvoerder heeft inmiddels buitengerechtelijk de nietigheid ingeroepen van deze schenking. [gedaagde sub 1] is een bedrag van € 705,-- verschuldigd wegens geldlening c.q. onverschuldigde betaling. [gedaagde sub 1] is over het bedrag van de lening de overeengekomen contractuele rente vanaf 31 januari 2006 schuldig gebleven. Gerekend tot en met augustus 2007 is [gedaagde sub 1] jegens zijn ouders met de betaling van een bedrag van € 43.000,-- in gebreke.

Hetgeen de bewindvoerder overigens heeft aangevoerd zal, voor zover relevant, bij de beoordeling aan de orde komen.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagden] concludeert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, mr. Endendijk niet-ontvankelijk dient te verklaren in zijn vorderingen, althans hem deze dient te ontzeggen, met veroordeling van de bewindvoerder in de kosten van dit geding, waaronder de beslagkosten.

4.2.

[gedaagden] voert de volgende weren aan.

[gedaagde sub 1] heeft nooit in naam van de volmacht een financiële transactie afgedwongen. De volmacht reikte niet verder dan de betaalrekening [rekeningnummer] op naam van de ouders. De bankpas werd gelijk na de dagelijkse boodschappen teruggegeven aan vader.

Op 29 januari 1999 heeft broer [broer 3] een ‘klikbrief’ aan de Officier van Justitie geschreven en daarvan een kopie aan de FIOD te Arnhem gezonden. In deze brief beschuldigde broer [broer 3] [gedaagde sub 1] van fiscale fraude en verduistering van gelden van derden. De belastingdienst heeft vervolgens gedurende de jaren 2000 tot en met 2005 de boeken van de onderneming van [gedaagde sub 1] minutieus onderzocht en voor een bedrag van bijna 3,5 miljoen euro ambtshalve aanslagen opgelegd. Een en ander heeft vader bewogen [gedaagde sub 1] te vrijwaren voor de financiële impact van de ‘fiscale storm’. De bedragen van € 13.992,--, € 7.487,-- en € 370.000,-- zijn door vader als eigen schuld betaalbaar gesteld en betreffen dus geen lening, schenking of onverschuldigde betaling. Ook de bedragen van € 20.000,--, € 10.225,-- en € 10.000,-- zijn betaald op grond van afspraken om de Ontvanger op afstand te houden.

[gedaagden] heeft geen € 500,-- opgenomen in een pretpark in Duitsland. [gedaagden] had alleen bij het doen van de boodschappen voor vader de beschikking over de bankpas.

Op verzoek van broer [broer 2] heeft vader besloten de opbrengst van de Mercedes ten goede te doen komen aan de gezinnen van broer [broer 2] en [gedaagde sub 1] wegens bevoordeling van de zus en andere broers.

Moeder heeft weliswaar geen toestemming gegeven voor de schenking van € 111.000,--, maar de notaris heeft een eigen afweging gemaakt. Bedoeld was om het bedrag van € 705,-- onder het bedrag van de schenking te laten vallen, gelet op de akte van verdeling.

Er is geen sprake van wederrechtelijke en onbevoegdelijke toeëigening. [gedaagde sub 1] is niet tekortgeschoten in de volmacht, maar heeft slechts rekeningen betaald die hij wekelijks van vader kreeg.

[gedaagde sub 2] betwist dat zij willens en wetens heeft meegeprofiteerd. Zij is nooit betrokken geweest bij besprekingen met vader.

De betaalde bedragen aan [gedaagde sub 1] dienen te worden beschouwd als voldoen aan een natuurlijke verbintenis. Immers naar objectieve maatstaven gemeten en onder de geschetste omstandigheden, was het alleszins redelijk te achten dat vader zich verbond om aan zijn morele rechtsplicht jegens [gedaagde sub 1] te voldoen. Voldoening aan een natuurlijke verbintenis betreft geen schenking of gift, zodat geen toestemming van moeder nodig was.

Hetgeen [gedaagde sub 1] overigens heeft aangevoerd zal, voor zover relevant, bij de beoordeling aan de orde komen.

5 De beoordeling

5.1.

Als meest verstrekkend verweer voert [gedaagden] aan dat vader met de betaling van de bedragen heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis. Dit betoog wordt verworpen, nu de door [gedaagden] geschetste omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat vader jegens [gedaagden] een dringende morele verplichting van zodanige aard had dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt.

5.2.

[gedaagden] betwist niet dat moeder geen toestemming heeft gegeven voor de aan hem gedane schenkingen. Gesteld noch gebleken is dat het gaat om gebruikelijke, niet bovenmatige giften. Voor zover aan of ten behoeve van [gedaagden] betaalde bedragen schenkingen betreffen, slaagt het beroep van de bewindvoerder op de vernietiging dan ook. [gedaagden] dient de aan hem geschonken bedragen als onverschuldigd betaald aan de bewindvoerder terug te betalen. Vast staat dat in ieder geval de bedragen van € 4.243,-- en € 111.000,-- schenkingen betreffen.

5.3.

[gedaagden] voert ten aanzien van de overboeking van het bedrag van € 2.749,-- aan dat hieraan geen eigenmachtige handeling van hem ten grondslag ligt. Hij geeft echter geen verklaring voor deze betaling aan hem, zodat aangenomen moet worden dat dit bedrag onverschuldigd aan hem is betaald. Dit bedrag dient hij dan ook aan zijn ouders te voldoen.

5.4.

Het verweer dat de van de betaalrekening van vader naar de Belastingdienst overgeboekte bedragen en het bedrag van € 370.000,-- door vader als eigen schuld betaalbaar zijn gesteld, zodat deze bedragen geen schenkingen of leningen betreffen faalt. Niet in geschil is immers dat de betalingen zijn gedaan als voldoening van belastingschulden van [gedaagden] en dat zij geen schulden van vader betroffen. Al naar gelang de gemaakte afspraken, betreffen de betalingen dan ook leningen of schenkingen. In het midden kan blijven van welke van deze twee rechtsgronden in de onderscheiden gevallen sprake is, nu, zoals als onvoldoende weersproken vaststaat, de leningen per 20 juli 2007 zijn opgezegd en de schenkingen rechtsgeldig zijn vernietigd. In beide gevallen is [gedaagde sub 1] vanaf 20 juli 2007 met de terugbetaling in verzuim.[gedaagde sub 1] is als gevolg hiervan in ieder geval een bedrag van € 387.737,-- (€ 370.000,-- + € 7.487,-- + € 10.250,--) aan zijn ouders verschuldigd.[gedaagde sub 2]

5.5.

[gedaagde sub 2] dient een bedrag van € 13.992,-- te voldoen, nu dit bedrag onverschuldigd ten behoeve van haar en daarmee ook aan haar is betaald. De bewindvoerder stelt zich op het standpunt dat ook [gedaagde sub 1] aansprakelijk dient te worden gehouden voor dit laatste bedrag, nu hij dit bedrag op onrechtmatige wijze aan het vermogen van[gedaagde sub 2] heeft toegevoegd. Dit standpunt wordt verworpen, nu niet uitgesloten kan worden dat de betalingen aan de fiscus in overleg met vader zijn geschied. De door de bewindvoerder als productie 19 in het geding gebrachte verklaring van vader van 7 maart 2007 ondersteunt immers de stelling van [gedaagden] dat vader hem wilde bijstaan in zijn fiscale perikelen. Voorts betwist de bewindvoerder niet dat het saldo op de betaalrekening in die periode zo laag mogelijk werd gehouden, dat [gedaagde sub 1] geen toegang had tot de (bron)rekeningen van de Rabobank en dat vader zelf met de Rabobank belde als grotere bedragen naar de betaalrekening moesten worden overgemaakt, zodat deze feiten tussen partijen vaststaan.

5.6.

[gedaagden] betoogt dat ook de overboekingen naar de bankrekening van[gedaagde sub 2] ten bedrage van € 20.000,-- en € 10.000,-- voortkomen uit afspraken met vader om de Ontvanger op afstand te houden. Uit hetgeen onder 5.4. is overwogen, volgt dat ook deze betalingen onverschuldigd zijn gedaan.[gedaagde sub 2] stelt zich op het standpunt geen bedrag aan haar schoonouders verschuldigd te zijn, omdat zij niet bij de overboekingen betrokken is geweest en de bedragen diezelfde dag of de dag erna weer van de rekening zijn afgeboekt. Dit verweer wordt verworpen. Vaststaat dat de bedragen op haar bankrekening zijn bijgeschreven. Niet relevant is dat de bedragen direct weer zijn overgeboekt, nu zij kennelijk toestond dat [gedaagde sub 1] over het saldo op haar bankrekening beschikte. Uit rechtsoverweging 5.5. volgt dat geen grond bestaat om [gedaagde sub 1] aansprakelijk te houden voor de terugbetaling van dit bedrag aan zijn ouders.

5.7.

De gevorderde betaling van het bedrag van € 500,-- dat in een pretpark in Duitsland is opgenomen, wordt afgewezen, nu de vordering op dit punt slechts is gebaseerd op een veronderstelling. Het enkele feit dat vader op of omstreeks 4 augustus 2005 de leeftijd van 85 jaar had, maakt niet dat hij geen pinbetaling in een pretpark in Duitsland kan doen. Daarnaast staat als onvoldoende betwist vast dat ook broer [broer 3] geregeld over de bankpas beschikte, zodat niet uit te sluiten valt dat een ander dan [gedaagde sub 1] de pinbetaling heeft gedaan.

5.8.

[gedaagden] betwist niet (voldoende gemotiveerd) dat hij de overeengekomen contractuele rente vanaf 31 januari 2006 over de notarieel vastgelegde geldlening verschuldigd is gebleven en dat deze tot en met augustus 2007 € 43.000,-- bedraagt. Evenmin wordt verweer gevoerd ten aanzien de gevorderde contractuele rente vanaf

1 september 2007. Ten aanzien van de gevorderde contractuele rente kan de vordering dan ook worden toegewezen.

5.9.

Volgens [gedaagde sub 1] is de helft van het voor de Mercedes ontvangen bedrag van € 26.500,-- aan zijn broer voldaan. Ter onderbouwing van deze stelling heeft hij als productie 13 een brief van de weduwe van zijn broer overgelegd. De bewindvoerder heeft deze stelling van [gedaagde sub 1] niet voldoende gemotiveerd betwist, zodat van de juistheid hiervan moet worden uitgegaan. Veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van de stelling dat de opbrengst van de auto is geschonken aan [gedaagde sub 1] en zijn broer [broer 2], geldt dat moet worden aangenomen dat moeder hiervoor geen toestemming heeft gegeven. Nu alle zonder toestemming van moeder gedane schenkingen zijn vernietigd door de bewindvoerder, is het bedrag van € 13.250,-- onverschuldigd betaald aan [gedaagde sub 1]. [gedaagde sub 1] zal dan ook worden veroordeeld tot terugbetaling van dit bedrag.

5.10.

Ten aanzien van het naar de bankrekening van [gedaagde sub 1] overgemaakte bedrag van € 3.000,-- werpt de bewindvoerder terecht de vraag op waarom dit bedrag niet rechtstreeks naar de bankrekening van (klein)zoon [kleinzoon] is overgemaakt. [gedaagden] brengt hiertegen in dat kleinzoon [kleinzoon] op dat moment nog minderjarig was. Nog afgezien van het feit dat ook minderjarigen over een eigen bankrekening kunnen beschikken, is dit verweer moeilijk te rijmen met de door [gedaagden] gestelde bestemming van het bedrag: de aanschaf van een auto. Volgens [gedaagden] was de auto van zijn zoon bij een ernstig auto-ongeluk total-loss verklaard en wilde vader het met de schenking van het bedrag van € 3.000,-- mogelijk maken dat zijn kleinzoon [kleinzoon] een gelijkwaardige auto kon aanschaffen. Hieruit kan worden opgemaakt dat kleinzoon [kleinzoon] op het moment van de schenking meerderjarig was, zodat de gegeven verklaring voor het overboeken van het geld naar de bankrekening van [gedaagde sub 1] onjuist is en het verweer aldus onvoldoende onderbouwd, zodat het moet worden verworpen. [gedaagden] dient het ontvangen bedrag van € 3.000,-- aan zijn ouders terug te betalen.

5.11.

In zijn conclusie van antwoord voert [gedaagden] aan dat bij de overboeking van het bedrag van € 1.000,-- naar Visa Card Services sprake was van een vergissing. [gedaagden] stelt dat hij bij het telebankieren per ongeluk een verkeerde rekening heeft aangeklikt. Hij stelt het geld gelijk weer te hebben teruggestort nadat vader hem enige tijd later erop wees. Ter onderbouwing van zijn stelling legt [gedaagden] als productie 11 een kopie van een deel van een dagafschrift van 26 juni 2006 over, waaruit blijkt van een betaling op

16 juni 2006 van een bedrag van € 1.000,-- naar de betaalrekening van vader. Op de kopie van het dagafschrift staat als omschrijving slechts de naam van vader. Tijdens de comparitie van partijen is namens de bewindvoerder naar voren gebracht dat op het dagafschrift van vader dat op de bewuste betaling ziet als omschrijving staat “in verband met betaalde CAK”. Voorts is erop gewezen dat de overmaking door [gedaagde sub 1] een half jaar later plaatsvond dan de overboeking naar Visa Card Services. [gedaagden] heeft hierover ter comparitie verklaard dat zijn vader toen nog goed bij was en zag dat een betaling van € 1.000,-- niet klopte. Omdat vader nog betalingen moest doen aan het CAK en hij niet van zijn bronrekeningen wilde overboeken, is volgens [gedaagde sub 1] afgesproken dat [gedaagden] het geld naar hem zou overmaken. Op de opmerking namens de bewindvoerder dat de betaling aan Visa Card op 7 november 2005 is gedaan en dat de betaling dateert van 16 juni 2007 merkt [gedaagden] op dat zijn vader het niet eerder had gezien. Volgens [gedaagden] vulde zijn vader zijn dagen met televisie kijken en het doornemen van zijn paperassen en stuitte hij op een gegeven moment op de foutieve betaling. Deze verklaring laat zich naar het oordeel van de rechtbank slecht rijmen met de eerdere opmerking van [gedaagden] dat zijn vader in die tijd nog goed bij was. Bovendien staat als omschrijving op het dagafschrift van vader, zoals niet is betwist, dat het ging om betaalde CAK, terwijl volgens [gedaagden] het CAK nog betaald moest worden. Daar komt bij dat partijen op grond van het bepaalde in artikel 21 van het Wetboek van Burgerljke Rechtsvordering (Rv) verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Vast staat dat in de door [gedaagden] overgelegde kopie van het dagafschrift geen andere omschrijving dan de naam van de vader is vermeld. [gedaagden] heeft er geen verklaring voor gegeven dat de omschrijving op het door hem overgelegde kopie ontbreekt. Aangenomen moet worden dat ook op zijn dagafschrift deze omschrijving is opgenomen, nu het een feit van algemene bekendheid is dat de omschrijving bij een binnenkomende betaling afkomstig is van degene die de overboeking doet. Dit leidt tot de conclusie dat [gedaagden] de in verband met deze betaling gedane feiten niet volledig heeft aangevoerd. Mede gelet op de lange tijdsduur tussen eerste en de tweede overboeking en het feit dat vader volgens [gedaagden] zelf in die tijd goed bij was, maakt de rechtbank hieruit de gevolgtrekking dat de op 16 juni 2006 gedane betaling van € 1.000,-- niet een terugbetaling van het ten onrechte op 7 november 2005 overgemaakte bedrag betreft. Dit bedrag dient [gedaagde sub 1] dan ook nog aan zijn ouders te vergoeden.

5.12.

De bewindvoerder stelt zich op het standpunt dat[gedaagde sub 2] willens en wetens heeft meegeprofiteerd van de onrechtmatige gedragingen van haar man die zijn beschreven in punt 5 van de dagvaarding, mede gelet op de gezamenlijke (financiële) huishouding. De bewindvoerder onderbouwt niet waaruit bedoelde gezamenlijkheid bestaat. Nu [gedaagde sub 1] en[gedaagde sub 2] onder het maken van huwelijkse voorwaarden met elkaar zijn gehuwd, had dit echter wel op zijn weg gelegen. Ook overigens is de stelling dat[gedaagde sub 2] willens en wetens heeft meegeprofiteerd niet onderbouwd. De vordering tegen[gedaagde sub 2] zal daarom in zoverre worden afgewezen.

5.13.

Uit het vorenstaande volgt dat [gedaagde sub 1] zal worden veroordeeld tot betaling aan (de bewindvoerder van) zijn ouders van een bedrag van € 565.979,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2007 en tot betaling van de vanaf 1 september 2007 (te) vervallen (maand)termijnen van de contractuele rente van 10% per jaar over het bedrag van € 300.000,--[gedaagde sub 2] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 43.992,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2007.

5.14.

De bewindvoerder vordert [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 872,36 voor verschotten en € 2.580,00 voor salaris procureur (1 rekest x € 2.580,00).

5.15.

[gedaagden] zal als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de bewindvoerder worden begroot op:

- dagvaarding €  84,31

- vast recht 4.634,00

- salaris procureur 5.160,00 (2 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal €  9.878,31

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan de bewindvoerder te betalen een bedrag van € 565.979,00 (vijfhonderdvijfenzestig duizendnegenhonderdnegenenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 20 juli 2007 tot de dag van volledige betaling,

6.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan de bewindvoerder te betalen de vanaf 1 september 2007 (te) vervallen (maand)termijnen van de contractuele rente van 10% over een bedrag van € 300.000,00,

6.3.

veroordeelt[gedaagde sub 2] om aan de bewindvoerder te betalen een bedrag van € 43.992,00 (drieënveertig duizendnegenhonderdtweeënnegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 20 juli 2007 tot de dag van volledige betaling,

6.4.

veroordeelt [gedaagden] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 3.452,36,

6.5.

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van de bewindvoerder tot op heden begroot op € 9.878,31,

6.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2008.