Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BD6879

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
20-09-2007
Datum publicatie
10-07-2008
Zaaknummer
06/2181 en 07/67
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BI1086, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank verklaart het beroep van eiseres ongegrond. Eiseres was het niet eens met een vijftigtal facturen die het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit haar in rekening bracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nrs.: 06/2181 en 07/67

Uitspraak in de gedingen tussen:

de besloten vennootschap Exportslachterij [naam eiseres] en Zn. B.V.

te Epe,

eiseres,

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

verweerder.

1. Bestreden besluiten

Besluiten van verweerder van 23 augustus 2006 en 18 december 2006.

2. Feiten

In de periode van 2 januari 2004 tot en met 30 december 2005 heeft verweerder bij eiseres werkzaamheden verricht in verband met de controles en keuringen van slachtvee (vers vlees).

Bij een vijftigtal facturen heeft verweerder de kosten van voormelde werkzaamheden in rekening gebracht. Namens eiseres is tegen ieder van deze facturen afzonderlijk bezwaar gemaakt.

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren gericht tegen de facturen die creditnota’s inhouden niet-ontvankelijk en de overige bezwaren ongegrond verklaard.

3. Procesverloop

Namens eiseres heeft mr. L.J. Steenbergen, advocaat te Epe, beroep ingesteld op de in de aanvullende beroepschriften vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en (nadere) verweerschriften ingezonden.

Bij schrijven van 13 augustus 2007 zijn namens eiseres nadere stukken ingediend.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van 14 augustus 2007, waar [naam 1 eiseres] en [naam 2 eiseres] namens eiseres zijn verschenen, bijgestaan door mr. Steenbergen voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.C. Topp en drs. E.A. Buinier.

4. Motivering

4.1. In geschil is of verweerder bij de bestreden besluiten terecht de facturen betreffende de controle- en keuringswerkzaamheden heeft gehandhaafd.

4.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid van de Vleeskeuringswet zijn slachtdieren vóór en ná het slachten aan keuring onderworpen.

In artikel 26a, eerste lid, van de Vleeskeuringswet is onder meer bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat overeenkomstig daarbij te stellen regels een retributie kan worden geheven voor de kosten van bij of krachtens deze wet voorgeschreven keuringen van slachtdieren waarop deze wet van toepassing is. In het tweede lid is bepaald dat een in het eerste lid bedoelde retributie zodanig wordt vastgesteld dat de baten niet uitgaan boven de kosten die in een rechtstreeks verband staan met de werkzaamheden waarvoor de retributie wordt geheven. Ingevolge het vierde lid van dit artikel wordt - voor zover van belang - onder keuring mede begrepen de controle van daarbij voorgeschreven documenten, en van overeenstemming tussen deze documenten en de slachtdieren, of het vlees waarop die documenten betrekking hebben.

In artikel 50, eerste lid, van de Vleeskeuringswet is onder meer bepaald dat deze wet niet van toepassing is op slachtdieren, welke krachtens de bepalingen van de Veewet ter keuring worden aangeboden en op vlees, hetwelk is goedgekeurd krachtens de Veewet en naar het buitenland wordt uitgevoerd. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat, zodra bij keuring krachtens de Veewet vlees niet voor uitvoer naar het buitenland geschikt wordt bevonden, het verder wordt onderworpen aan keuring volgens de voorschriften van deze wet, welke dan op dit vlees van toepassing is. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, indien vlees is voorzien van een merk als bedoeld in artikel 68 van de Veewet en niet naar het buitenland wordt uitgevoerd, het wordt geacht te zijn goedgekeurd krachtens artikel 12 van de Vleeskeuringswet ten bewijze waarvan een merk als bedoeld in artikel 16 van die wet wordt aangebracht.

Uit de artikelen 68 en 69 van de Veewet volgt - voor zover hier van belang - dat, voor zover de Minister niet anders bepaalt, het verboden is vers vlees en vleesproducten uit te voeren, tenzij de zending overeenkomstig door hem gestelde regelen is voorzien van een of meer bewijsstukken, aangebracht of afgegeven op grond van een van Rijkswege ingesteld onderzoek, ten bewijze dat is voldaan aan de met het oog op de uitvoer door hem gestelde eisen.

Ingevolge artikel 73 van de Veewet - voor zover hier van belang - wordt ter zake van een onderzoek van Rijkswege, als bedoeld in de artikelen 68 en 69, vergoeding van kosten geheven overeenkomstig een door de Minister vastgesteld tarief.

De door de Minister vastgestelde tarieven zijn opgenomen in de Regeling tarieven keuring vlees en vleesproducten 1993 en het Retributiebesluit Vleeskeuringswet.

4.3. In beroep is namens eiseres aangevoerd dat verweerder bij de werkzaamheden te veel personeel, waaronder een halman, heeft ingezet. Hierbij stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder - bij afwijking van de normering roodvleesslachterijen - de inzet van extra personeel vooraf bekend had moeten maken. Verweerder heeft tevens de pauzes van het ingezette personeel ten onrechte doorberekend aan eiseres. Namens eiseres is voorts aangevoerd dat verweerder de retributies over tijden voorafgaande aan de door eiseres opgegeven slachttijd niet in rekening hadden mogen brengen, aangezien verweerder eenzijdig de slachttijden heeft gewijzigd. Ten slotte is eiseres van mening dat bij de afgifte van geleidebiljetten geen tijdsregistratie wordt bijgehouden en daarnaast ten onrechte het keuringstarief wordt doorberekend.

4.4. Eerst ter zitting is namens eiseres betoogd dat de kosten van zowel de pauzes, als de afgifte van de geleidebiljetten vermoedelijk reeds zijn meegenomen in het door verweerder gehanteerde (kwartier)tarief, als gevolg waarvan deze kosten dubbel in rekening worden gebracht. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres verwezen naar de voorcalculaties 2003, 2004 en 2005. Het aanvoeren van deze grond in een zo laat stadium van de beroepsprocedure acht de rechtbank in strijd met de goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat eiseres deze grond niet eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. Derhalve zal de rechtbank nadere bespreking van deze grond achterwege laten.

Inzet personeel

4.5. De rechtbank is van oordeel dat de aanwezigheid van verweerders medewerkers op het bedrijf van eiseres niet los kan worden gezien van de door eiseres aangevraagde controle- en keuringswerkzaamheden. De meldingen van eiseres zijn bepalend voor de inzet van het personeel op haar bedrijf. In dit kader heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat verweerder meer personeel heeft ingezet dan gezien haar meldingen in de rede had gelegen. Hierbij acht de rechtbank voorts van belang dat verweerder gemotiveerd heeft aangegeven dat de bandsnelheid en de hoeveelheid te slachten dieren, gelet op het door eiseres aangehaalde richtsnoer normeringen roodvleesslachterijen, zelfs een hogere inzet van controlepersoneel zouden kunnen rechtvaardigen.

Gegeven de bedrijfsomstandigheden bij eiseres in de desbetreffende periode, is de rechtbank voorts van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet ten onrechte een halman is ingezet. Daarbij is in aanmerking genomen dat eiseres de afwijkende werkwijze in haar bedrijf, waardoor controle op categorie-1 materiaal na de slacht door een halman noodzakelijk is, niet heeft weersproken. Tevens neemt de rechtbank in overweging dat er een specifieke aanleiding is geweest voor het inzetten van een halman. Verweerder heeft eiseres immers, na het aantreffen van SRM-materiaal in een partij afkomstig van eiseres, bij brief van 22 augustus 2001 gewezen op versterking van het toezicht op haar bedrijf.

Pauzes

4.6. Voor zover medewerkers van verweerder als gevolg van pauzes niet gedurende de

gehele aangevraagde tijd daadwerkelijk controles en keuringen hebben kunnen verrichten, acht de rechtbank het in rekening brengen van deze tijd niet onjuist. Uit jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (LJN: AV0038) volgt immers dat niet enkel de aanwezigheid van medewerkers van verweerder of de kosten van niet specifiek ten behoeve van eiseres verrichte werkzaamheden in rekening worden gebracht, maar de kosten die verweerder heeft moeten maken om de door eiseres aangevraagde keurings- en controlecapaciteit op haar bedrijf beschikbaar te stellen. Reeds daarom is, anders dan namens eiseres is betoogd, niet van belang of het gaat om al dan niet van te voren vastgestelde en/of overeengekomen pauzes.

Wijzigen tijden

4.7. De rechtbank stelt voorop dat voorafgaand aan de slachtingen een conform de EU-

regelgeving voorgeschreven AM-keuring of levende keuring van het vee dient plaats te vinden door een dierenarts. Verweerder heeft zich wat betreft deze keuring op het standpunt gesteld dat eiseres in de periode in geding te weinig tijd voor deze keuring heeft aangevraagd, als gevolg waarvan verweerder ambtshalve de aanvangstijden van de dierenarts heeft gewijzigd, in die zin dat de dierenarts een half uur eerder aanwezig is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat, gelet op de door eiseres gehanteerde slachttijden, de noodzaak tot het wijzigen van de aanvangstijden van de keuring ontbrak.

Geleidebiljetten

4.8. De rechtbank is van oordeel dat de afgifte van geleidebiljetten, gelet op het bepaalde in artikel 26a, vierde lid, van de Vleeskeuringswet, onderdeel uitmaakt van de door eiseres aangevraagde keuringswerkzaamheden. Derhalve heeft verweerder voor deze werkzaamheden terecht een starttarief en vervolgens een kwartiertarief in rekening gebracht. Nu eiseres in dit verband op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat meer kwartieren zijn gefactureerd dan aan de afgifte van geleidebiljetten is besteed, faalt de grond van eiseres ter zake.

4.9. Gelet op het vorenoverwogene moet het beroep ongegrond worden verklaard. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

5. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. D.S. de Vries, voorzitter, mrs. N.K. van den Dungen-Dijkstra en L.J. Bosch, leden, en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.