Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BC1758

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
27-12-2007
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
82998 FA RK 06-2330
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Limitering Levensonderhoud. De 12-jaarstermijn is verstreken. De vrouw acht beëindiging van de bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zo ingrijpend dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd en verzoekt om verlenging van de onderhoudsplicht voor een periode van twaalf jaren, althans een zodanig periode als de rechtbank juist acht, met de bepaling dat deze termijn na afloop kan worden verlengd.

De man betwist dat de inkomensterugval van de vrouw als gevolg van het verlies van alimentatie zo ingrijpend is te noemen dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd.

De rechtbank is op grond van de inhoud van de overgelegde stukken en het onderzoek ter terechtzitting van oordeel dat de vrouw – mede gelet op haar leeftijd en die van de kinderen van partijen, haar opleiding en haar werkervaring – geen, althans onvoldoende, pogingen heeft ondernomen om inkomsten uit een (fulltime) baan te verwerven of de kansen daarop te vergroten en wijst het verzoek van de vrouw af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 82998 FA RK 06-2330

beschikking van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 27 december 2007

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te Apeldoorn,

verzoekster, verder te noemen de vrouw,

procureur: mr. P.J. Polderman,

t e g e n

[verweerder],

wonende te Beekbergen, gemeente Apeldoorn,

verweerder, verder te noemen de man,

procureur: mr. E.H. Schijven-Bours.

Het verdere procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- de (tussen)beschikking van deze rechtbank van 26 juni 2006;

- de brief met bijlagen van mr. Schijven-Bours van 9 november 2007;

- de brief met bijlagen van mr. Polderman van 12 november 2007;

- de brief van mr. Polderman van 15 november 2007;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 22 november 2007.

De verdere beoordeling

De rechtbank neemt over hetgeen in voormelde (tussen)beschikking is overwogen en beslist en volhardt daarin.

In voormelde (tussen)beschikking is het primaire verzoek van de vrouw afgewezen, is de verdere behandeling van de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank en zijn partijen in de gelegenheid gesteld (zo zij dat wensen) nog nadere stukken in het geding te brengen.

Thans moet het subsidiaire verzoek van de vrouw worden beoordeeld met toepassing van artikel 1:157 lid 4 en 5 Burgerlijk Wetboek.

De vrouw acht beëindiging van de bijdrage in haar levensonderhoud met ingang van

28 november 2006 zo ingrijpend dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd en verzoekt om verlenging van de onderhoudsplicht voor een periode van twaalf jaren, althans een zodanig periode als de rechtbank juist acht, met de bepaling dat deze termijn na afloop kan worden verlengd. De concrete omstandigheden die de vrouw aanvoert zijn – naast de terugval in inkomen – de volgende.

Zij heeft mede, gelet op de rolverdeling tussen partijen tijdens het huwelijk, een achterstand op de arbeidsmarkt.

Zij heeft na haar VWO-opleiding, die zij niet heeft afgemaakt, twee jaar gestudeerd aan de [naam school]. Ook deze opleiding heeft zij afgebroken vanwege haar vertrek naar [land], waarna zij nog twee jaar in [land 2] heeft gewoond. In deze periode heeft zij nooit in een vast dienstverband gewerkt. In 1985 zijn zij en de man in [land] officieus getrouwd. Vervolgens zijn zij in Den Haag gaan wonen. In die periode heeft zij een half jaar bij de Thuiszorg gewerkt en verzorgde zij het huishouden van partijen. Daarnaast hield zij zich bezig met de verbouwing van de echtelijke woning en hielp zij (achter de schermen) mee in de eigen zaak van de man. In [datum] is [naam dochter 1], de oudste dochter van partijen, geboren. Toen de vrouw zes maanden in verwachting was van de jongste dochter [naam dochter 2], is [naam dochter 1] ziek geworden. Er werd leukemie vastgesteld. Vlak na de geboorte van [naam dochter 2] verliet de man de vrouw en heeft zij de echtscheiding aangevraagd. Zij was door de ziekte van [naam dochter 1] aan huis gekluisterd en daardoor niet in staat om buitenshuis te werken of een opleiding te volgen. Sinds 2003 is de conditie van [naam dochter 1] pas echt verbeterd, hetgeen haar de mogelijkheid gaf om in 2003 aan een beroepsopleiding te beginnen bij de [cursusaanbieder] in [plaats] voor tarotkundige. Deze opleiding heeft zij in 2006 met succes afgerond. Voorts is zij begonnen aan een vervolgcursus tarot en gezondheid. Zij geeft op dit moment cursussen en doet consulten. De inkomsten daaruit dekken echter nog niet de kosten van de opleiding, de reiskosten en kosten van het studiemateriaal. De vrouw hoopt binnen enkele jaren een zelfstandige praktijk opgebouwd te hebben.

Van haar kan in redelijkheid niet worden gewacht dat zij haar huis –in feite haar pensioenvoorziening- gaat opeten op het moment dat de alimentatie komt te vervallen. Ten tijde van de echtscheiding zijn partijen onder andere overeengekomen dat de vrouw (in ruil voor een hypotheekvrije woning) geen aanspraak zou maken op het pensioen van de man.

De vrouw kampt met gezondheidsproblemen; zij heeft rugklachten ten gevolge van een chronische ontsteking van de ischiaszenuw alsook van een chronische ontsteking aan haar schouder ten gevolge van een auto-ongeluk. Zij is niet in staat om lange tijd achter elkaar te zitten, te liggen of te lopen. Zij is vanwege genoemde gezondheidsproblemen aangewezen op huishoudelijke hulp.

De man betwist dat de inkomensterugval van de vrouw als gevolg van het verlies van alimentatie zo ingrijpend is te noemen dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd en voert daartoe het volgende aan.

Het feit dat de vrouw er destijds voor heeft gekozen om haar studie niet af te maken, kan thans niet op hem worden afgewenteld. De vrouw maakte deze keuze in een periode waarin zij hem nog moest leren kennen en zij nog niet met hem was getrouwd. Hij erkent dat de vrouw grotendeels de zorg voor de kinderen en in het bijzonder voor [naam dochter 1] op zich heeft genomen, maar in 2000 waren de spanning en de zorg rond de ziekte van [naam dochter 1] beduidend afgenomen. De vrouw had vanaf 2000 moeten anticiperen op het feit dat eind 2006 de alimentatie zou komen te vervallen. Zij had vanaf dat moment al met een zodanige beroepsopleiding moeten beginnen dat zij thans in staat zou zijn om in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

De keuze van de vrouw voor een tarotopleiding dient voor haar rekening en risico te blijven. Een dergelijke opleiding ziet meer op een hobby, met de mogelijkheid van een aardige bijverdienste, dan op een opstap naar een positie op de arbeidsmarkt ter verwerving van een volledig inkomen. Ten tijde van de echtscheiding is de 12-jaarstermijn reeds aan de orde geweest. Partijen spraken toen met elkaar over de afwikkeling van de gevolgen van de echtscheiding en de hoogte van de alimentatie.

De man betwist dat de vrouw geen verdiencapaciteit heeft. Zij heeft een grote belangstelling voor kleding, mode en interieur en is sociaal vaardig. Zij heeft in de periode dat zij in [land 2] woonde in een nieuwetijdswinkel gewerkt en kan zulks thans ook doen.

Het was de verantwoordelijkheid van de vrouw ervoor te zorgen dat zij na een periode van 12 jaar alimentatie in haar eigen levensonderhoud kon voorzien. Hij betwist voorts dat de vrouw zodanig arbeidsongeschikt is dat zij niet tenminste in deeltijd zou kunnen werken.

Daarnaast betwist hij ook dat zou zijn afgesproken dat de vrouw geen aanspraak zou maken op het door hem opgebouwde pensioen en dat het door de vrouw met hulp van hem gekochte huis een pensioenvoorziening voor de vrouw zou zijn. Er was geen pensioen opgebouwd, maar wel een oudedagsvoorziening in de vorm van een levensverzekeringspolis. Deze is afgekocht en tussen partijen (periodiek) verrekend. Destijds zijn partijen overeengekomen dat de man aan de vrouw een bedrag van [euroteken] 135.000 aan overgespaard inkomen zou moeten voldoen, te vermeerderen met een schenking aan de vrouw van [euroteken] 65.000,-- te betalen in twee jaarlijkse termijnen, om het voor de vrouw mogelijk te maken een woning vrij van hypotheek te kopen. Daarnaast heeft hij de kinderen ieder [euroteken] 50.000,-- geschonken. De schenkingen aan de kinderen zijn, evenals die aan de vrouw, aangewend ter financiering van de aankoop van de thans door de vrouw bewoonde woning.

De man stelt voorts dat hij in 2008 vanwege zakelijke verplichtingen niet meer in staat is om de geldende partneralimentatie te voldoen. Hij biedt aan om ten behoeve van de kinderen een bedrag van € 500,-- per kind per maand te voldoen in plaats van een bedrag van € 150,98 per kind per maand.

De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de alimentatieverplichting na 12 jaar in beginsel definitief eindigt (TK 1985/1986, 19 295, nr. 3 en 6). Naar de mening van de wetgever houdt de verantwoordelijkheid die men door het huwelijk op zich heeft genomen weliswaar een verplichting in om bij te dragen in het levensonderhoud van de andere partij, maar rechtvaardigt dit niet dat deze verplichting na beëindiging van de huwelijksband ongelimiteerd blijft bestaan. De termijn van 12 jaar stelt de alimentatiegerechtigde in staat de zorg voor de kinderen op zich te nemen en na verloop van tijd, wanneer de kinderen naar zelfstandigheid toegroeien, zich erop voor te bereiden in eigen levensonderhoud te voorzien.

In geval wordt verzocht tot verlenging, dient de vrouw aan te tonen dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. Daarbij kan volgens de parlementaire geschiedenis onder meer worden gedacht aan de volgende factoren, die in onderlinge samenhang moeten worden bezien:

- de mogelijkheden van de alimentatiegerechtigde, diens leeftijd, gezondheid, arbeidsverleden en achtergrond in aanmerking genomen, om zich in 12 jaar tijd eigen inkomsten te verwerven en of dit kan worden gevergd;

- de zorg voor de kinderen en de mogelijkheden die de zorg liet, het aantal en de leeftijd van de kinderen mede in aanmerking genomen, om zich een bestaan op te bouwen dat onafhankelijkheid van de gewezen echtgenoot zou verschaffen.

Voor de beoordeling van de vraag of beëindiging van de alimentatie ingrijpend is, vergelijkt de rechtbank de situatie van vóór de beëindiging met de situatie van ná de beëindiging van de alimentatie. De vrouw ontvangt per 1 januari 2007 een bruto alimentatie van circa € 2.150,--

per maand en heeft daarnaast (nog) geen noemenswaardige inkomsten als tarotkundige.

Vanaf het moment dat de vrouw geen alimentatie ontvangt en zij ook geen uitzicht heeft op een bijstandsuitkering vanwege haar eigen woning c.q. eigen vermogen, wordt zij geconfronteerd met een inkomensterugval van circa 100%. Geconcludeerd kan derhalve worden dat een dergelijke inkomensterugval ingrijpend is.

Vervolgens dient te worden te bezien of de vrouw bijzondere omstandigheden aantoont, waardoor ongewijzigde handhaving van de termijn van 12 jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.

Op grond van de inhoud van de overgelegde stukken en het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat de vrouw – mede gelet op haar leeftijd en die van de kinderen van partijen, haar opleiding en haar werkervaring – geen, althans onvoldoende, pogingen heeft ondernomen om inkomsten uit een (fulltime) baan te verwerven of de kansen daarop te vergroten.

Zelfs gedurende deze procedure, die nagenoeg een jaar heeft geduurd, heeft de vrouw nagelaten om iets te ondernemen om op enigerlei wijze een bestaan op te bouwen dat onafhankelijkheid van de gewezen echtgenoot zou verschaffen.

Zij heeft weliswaar aangevoerd tot circa 2003 vanwege de (mantel)zorg voor [naam dochter 1] geen tijd en energie te hebben gehad om zich te ontplooien, maar nu de man zulks in ieder geval vanaf 2000 gemotiveerd heeft betwist en de vrouw met een onvoldoende feitelijke onderbouwing achterwege is gebleven, gaat de rechtbank daaraan voor de periode vanaf 2000 voorbij. Sindsdien zijn inmiddels zeven jaren verstreken waarin van de vrouw gevergd kon worden zich in te spannen om eigen inkomsten te verwerven. Ook de stelling van de vrouw dat zij door lichamelijk beperkingen niet in staat zou zijn voltijds te werken wordt als onvoldoende onderbouwd gepasseerd.

Het gegeven dat de vrouw een tarotopleiding heeft gevolgd maakt het voorgaande niet anders. De vrouw heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat zij zich bij de keuze van deze opleiding uitsluitend heeft laten leiden door haar passie en niet door enige verdiencapaciteit. Zij had en heeft echter – zoals hiervoor reeds is overwogen – een verplichting om te streven naar het verwerven van inkomen om in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Zij heeft geen onderzoek verricht of zij met deze opleiding in haar eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien. Deze keuze dient om die reden voor haar rekening en risico te blijven.

In het licht van het vorenstaande komt de rechtbank tot de slotsom dat de vrouw met de door haar aangedragen feiten en omstandigheden niet heeft aangetoond dat er in haar specifieke situatie sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 1:157, vijfde lid, eerste volzin Burgerlijk Wetboek. Het moet de vrouw duidelijk zijn geweest dat de partneralimentatie in beginsel eindig is. De vrouw wordt dan ook niet gevolgd in haar stelling dat de beëindiging van de alimentatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid te ingrijpend is.

De rechtbank overweegt tenslotte dat de man er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de vrouw er alles aan gelegen zou zijn om na ommekomst van de termijn van twaalf jaar in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Daarvan is, zoals hiervoor overwogen, niet gebleken.

Op grond van het bovenstaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw tot verlenging van de alimentatietermijn afwijzen.

De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de vrouw af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.J. Davids, A.E.F. Hillen en R.A. Eskes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 december 2007 door mr. Davids voornoemd, in tegenwoordigheid van de griffier.