Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BC0920

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
27-12-2007
Zaaknummer
07/2217 en 07/2135
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Uitspraak op het beroep en verzoek om voorlopige voorziening inzake tijdelijke vrijstelling bestemmingsplan voor tijdelijk parkeerterrein in Doetinchem.

De procedures zijn gericht tegen het besluit van 12 november 2007. Dit besluit strekt tot vrijstelling van het bestemmingsplan op de voet van artikel 17 van de WRO, waardoor de realisatie en gebruik van een tijdelijke parkeervoorziening op het terrein achter schouwburg Amphion aan de Nieuweweg te Doetinchem mogelijk wordt.

De uitspraak: beroep gegrond en vernietiging van het bestreden besluit. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nrs.: 07/2217 en 07/2135

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in het geding tussen:

[eiser],

mede namens ondergetekenden als vermeld in het beroep- en verzoekschrift,

allen te Doetinchem, verzoekers/eisers (hierna te noemen: eisers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem,

verweerder.

1. Feiten en procesverloop

Bij besluit van 12 november 2007 heeft verweerder aan de gemeente Doetinchem tijdelijke vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) van het Bestemmingsplan “De Veentjes 1978” (hierna: het bestemmingsplan) voor het realiseren van een tijdelijke parkeervoorziening op het terrein achter schouwburg Amphion aan de Nieuweweg te Doetinchem.

Eisers hebben bij brief van 30 november 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank, respectievelijk verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die strekt tot schorsing van het bestreden besluit.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 20 december 2007, waar [eisers] in persoon zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H.C. ten Boom, K. Ligtenberg en F. Backer, allen ambtenaar van de gemeente.

2. Motivering

2.1. Indien de voorzieningenrechter na de behandeling ter zitting van een verzoek om een voorlopige voorziening van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij, ingevolge artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de bij de rechtbank aanhangige hoofdzaak. Van deze bevoegdheid wordt in dit geval gebruik gemaakt.

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan rust op het voormelde perceel de bestemming "Centrumbebouwing I" en “Bebouwing voor openbare en bijzondere doeleinden en bijbehorende terreinen”. Tussen partijen is niet in geschil dat de realisering van voormeld parkeerterrein, voor zover dat is gelegen op gronden met de bestemming “Centrumbebouwing I”, strijdig is met deze bestemming en aldus in strijd is met het bestemmingsplan, nu verweerder de bestemming “Centrumbebouwing I” niet krachtens artikel 11 van de WRO heeft uitgewerkt.

2.3. Ingevolge artikel 17 van de WRO kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen.

Ingevolge artikel 19 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 wordt vrijstelling als bedoeld in artikel van de 17 van de WRO slechts verleend, indien aannemelijk is, dat het beoogde bouwwerk, werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid dan wel gebruik niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven respectievelijk voortduren.

2.4. Tussen partijen is niet in geding dat de parkeervoorziening respectievelijk het gebruik daarvan niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven respectievelijk voortduren. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder niet bevoegd is om met toepassing van artikel 17 van de WRO vrijstelling te verlenen voor de realisatie van een parkeervoorziening op het perceel in geding.

2.5 In geschil is of verweerder in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen.

2.6. Eisers, allen bewoners van een appartementencomplex aan de Hofstraat in Doetinchem, hebben bezwaar tegen het realiseren van het parkeerterrein, in hoofdzaak vanwege de door hen verwachte gevolgen voor de luchtkwaliteit. Niet in geschil is dat de bij de appartementen aan de Hofstraat in 2005 en 2006 een overschrijding van de grenswaarde fijnstof (PM10) is geconstateerd en eisers vrezen dat deze overschrijding als gevolg van het realiseren van het parkeerterrein zal toenemen. Daartoe hebben zij gesteld dat het aan- en afrijden naar en van dit parkeerterrein vrijwel alleen via de Hofstraat kan gebeuren en dat er dus vanzelfsprekend een toename zal zijn van verkeerbewegingen in de Hofstraat. Daarnaast vrezen eisers toename van geluidshinder en verkeersonveiligheid in de avonduren.

2.7. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de verwachting is dat er juist minder verkeer over de Hofstraat zal komen en dat er daarom geen verslechtering zal optreden van de luchtkwaliteit en evenmin sprake zal zijn van toename van geluidshinder of verkeersonveiligheid. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op een door de gemeente uitgevoerd ‘Herkomstonderzoek Erdbrinkplein’. Volgens verweerder blijkt uit dit onderzoek dat het aandeel verkeer op de Hofstraat dat een relatie heeft met het Erdbrinkplein gering is en dat, rekening houdend met parkeerverwijzingen naar alternatieve parkeerlocaties, door de vervangende parkeervoorzieningen die zijn getroffen op het voormalige Saronixterrein, de Varkensweide en aan de Nieuweweg, de verkeersdrukte aan de Hofstraat niet toeneemt maar zelfs iets af zal nemen na opheffing van de parkeervoorzieningen op het Erdbrinkplein. Verweerder heeft daarbij overwogen dat het parkeertarief op de tijdelijke parkeervoorziening aan de Nieuweweg beduidend hoger wordt dan die van de voorzieningen op het Saronixterrein en de Varkensweide en dat men daarom eerder geneigd zijn van deze laatste twee parkeervoorzieningen gebruik te maken, dan door te rijden naar een parkeerlocatie dichter bij de binnenstad.

2.8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerders standpunt niet wordt gedragen door het daaraan ten grondslag liggende onderzoek.

Daargelaten dat het herkomstonderzoek dat is uitgevoerd slechts beperkt van omvang is (er is slechts onderzoek verricht op maandag 29 oktober en dinsdag 30 oktober 2007 tussen 7.00 en 10.00 uur), valt niet goed in te zien, dat het (louter) onderzoeken van de herkomst van parkeerders aan het Erdbrinkplein en hun relatie met de Hofstraat, inzicht geeft in het gebruik dat van de tijdelijke parkeervoorziening aan de Nieuweweg zal worden gemaakt en in de (mogelijke) verkeersbelasting die dat voor (het, gelet op de geconstateerde overschrijdingen van de grenswaarde fijnstof, relevante deel van) de Hofstraat zal betekenen.

Naar het de voorzieningenrechter voorkomt kan slechts een meer algemeen onderzoek, gericht op het verwachte gebruik van de parkeervoorziening aan de Nieuweweg en de op basis daarvan te verwachten verkeersbewegingen dat inzicht bieden. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat het onderzoek gericht is geweest op het Erdbrinkplein in verband met hetgeen door eisers in de zienswijze is aangevoerd, maar daarmee geeft verweerder een te beperkte uitleg van die zienswijze.

Vastgesteld moet voorts worden dat, anders dan verweerders overwegingen doen vermoeden, niet blijkt dat het onderzoek zoals dat is gedaan, ook gericht is geweest op de invloed van parkeerverwijzingen naar alternatieve parkeerlocaties. Het blijkt in elk geval niet uit de aan de rechtbank overgelegde stukken.

Overigens hebben eisers onbetwist gesteld, dat de invloed van het hogere parkeertarief op de tijdelijke parkeervoorziening aan de Nieuweweg er in elk geval niet zal zijn in de avonduren omdat er dan niet betaald hoeft te worden.

2.9. Gelet op het vorenoverwogene moet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit niet voldoende zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een daadkrachtige motivering. Het beroep is gegrond en het besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Aan een afweging van belangen, zoals door verweerder bepleit, komt de voorzieningenrechter gezien het voorgaande niet toe.

2.10. Nu het bestreden besluit wordt vernietigd, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.11. Niet is gebleken dat eisers proceskosten hebben gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Er is wel aanleiding om de gemeente Doetinchem te gelasten het voor het indienen van het beroep en het verzoek betaalde griffierecht aan eisers te vergoeden.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

in de hoofdzaak:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 12 november 2007;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de gemeente Doetinchem het betaalde griffierecht van in € 143,-- aan eisers vergoedt.

met betrekking tot het verzoek om voorlopige voorziening:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat de gemeente Doetinchem het betaalde griffierecht van € 143,-- aan eisers vergoedt.

Aldus gegeven door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op

21 december 2007 in tegenwoordigheid van mr. F.S. Zwerwer als griffier.