Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BC0902

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
27-12-2007
Zaaknummer
06/460372-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte tot 21 maanden celstraf, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, voor poging tot doodslag (met een schroevendraaier) en openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460372-07

Uitspraak d.d.: 21 december 2007

Tegenspraak - oip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats 1967],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in PI Achterhoek te Zutphen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

26 september 2007 en 11 december 2007.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 3 juli 2007 te Doetinchem tezamen en in vereniging met

anderen en/of een ander ter uitvoering van het door verdachte en/of één en/of

meer van zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van

het leven te beroven met dat opzet meermalen, althans éénmaal met een

schroevendraaier, althans met een scherp en/of hard en/of puntig voorwerp in

(de richting van) de hals en/of het hoofd en/of het bovenlichaam van die [slachtoffer]

heeft/hebben gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet

is voltooid;

(art. 287)

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 3 juli 2007 te Doetinchem tezamen en in vereniging met

anderen en/of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte

en/of één en/of meer van zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een

persoon (te weten [slachtoffer]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet meermalen, althans éénmaal met een schroevendraaier,

althans met een scherp en/of hard en/of puntig voorwerp in (de richting van)

de hals en/of het hoofd en/of het bovenlichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben

gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 03 juli 2007 te Doetinchem met een ander of anderen, op of

aan de openbare weg, Doctors Huber Noodtstraat en/of De Veentjes, in elk geval

op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

[slachtoffer], welk geweld bestond uit het vastpakken van die [slachtoffer] en/of het

vasthouden van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) het met een elleboog op het hoofd

stoten van die [slachtoffer] en/of het meermalen, althans eenmaal stompen en/of slaan

en/of trappen tegen het lichaam van die [slachtoffer];

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 03 juli 2007 te Doetinchem tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer]

die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of die [slachtoffer] heeft vastgehouden en/of

(vervolgens) die [slachtoffer] met een elleboog op het gestoten en/of meermalen,

althans eenmaal heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt, waardoor

voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsverweer

De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat verdachte zowel van de poging tot doodslag als van het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen dient te worden vrijgesproken. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsvrouwe het volgende naar voren gebracht. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte met een schroevendraaier stekende bewegingen heeft gemaakt. De getuigen hebben niet op een afstand van 10 à 15 meter gestaan, maar aanzienlijk verder. Het op de schroevendraaier gevonden DNA levert onvoldoende bewijs op dat verdachte de schroevendraaier heeft gebruikt en de getuigen kunnen op de afstand waarop zij zich bevonden niet gezien hebben dat het voorwerp waarmee gestoken is, een schroevendraaier betrof. De wond die het slachtoffer heeft opgelopen is volgens de verdediging een wond die meer past bij het slaan met een sleutel, zoals ook door verdachte is verklaard. Daarnaast heeft verdachte niet het (voorwaardelijk) opzet gehad op doodslag.

Met betrekking tot het openlijk geweld, zoals onder 2 primair tenlastegelegd, kan niet worden vastgesteld dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, aldus de raadsvrouwe.

Met betrekking tot feit 1 staat naar het oordeel van de rechtbank op grond van de verklaringen van aangever, verdachte en getuigen vast dat verdachte met een voorwerp in zijn hand in de richting van de nek van aangever heeft geslagen en dat hij daarbij de nek van aangever heeft geraakt, waardoor aangever een wond heeft opgelopen.

Aangever verklaart dat verdachte hem met een schroevendraaier in de nek heeft gestoken. Verdachte kan zich herinneren dat hij met zijn hand heeft geslagen waarin hij zijn sleutels vast had.

De klemmende vraag is of verdachte aangever met een sleutel in zijn hand heeft geslagen of hem met een schroevendraaier heeft gestoken.

Aangever heeft verklaard dat hij met een lichtblauw gekleurde schroevendraaier is gestoken. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij zag dat aangever met zijn hand naar zijn nek greep en zei dat hij gestoken was. Verdachte nam wat afstand van aangever en [medeverdachte] zag dat aangever een gaatje in zijn nek had wat bloedde. [medeverdachte] zag dat verdachte een schroevendraaier in zijn hand had. Hij heeft bij verdachte geen bos sleutels in diens handen gezien.

Nadat aan [medeverdachte] een foto van de gevonden schroevendraaier is voorgehouden heeft hij verklaard dat hij de schroevendraaier maar even heeft gezien en dat het de bewuste schroevendraaier kan zijn. [getuige 1] heeft verdachte stekende bewegingen zien maken in de richting van de rechterachterzijde van de nek van aangever nadat verdachte aangever voorover had getrokken. Hij zag een scherp voorwerp met een lengte van 10 à 15 centimeter glimmen. Daarna hoorde hij aangever roepen dat hij was gestoken met een schroevendraaier. [getuige 2] stond 10 à 15 meter van de plaats van het delict. Hij zag verdachte meerdere malen steken naar aangever. Hij zag duidelijk een pin van 5 à 10 centimeter in de hand van verdachte die leek op een schroevendraaier. Verbalisanten hebben nabij de plaats van het delict een kleine, blauwe schroevendraaier aangetroffen.

Op 4 juli 2007 is aangever onderzocht door een arts die heeft verklaard dat de uiterlijke verschijningsvorm van de wond achter het oor goed zou kunnen passen bij een steekwond aangebracht door een half scherp voorwerp zoals een schroevendraaier.

Het betoog van de raadsvrouwe dat de getuigen zich op een plek bevonden van waaruit ze de geweldshandelingen niet goed hebben kunnen waarnemen acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

Daarbij komt, dat juist de afstand waar de getuigen zich naar hun eigen verklaring bevonden, hetgeen zij verklaard hebben over het waargenomen voorwerp geloofwaardig maakt.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte door zijn handelwijze bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard het slachtoffer van het leven te beroven. Aangever is met een schroevendraaier, een scherp voorwerp, doelgericht door verdachte gestoken in zijn nek, 3 centimeter schuin achter het oor. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich aldaar halsslagaders bevinden. Beschadiging daarvan kan de dood tot gevolg hebben.

Het vorenoverwogene brengt met zich, dat de desbetreffende verweren worden verworpen en dat de rechtbank van oordeel is dat het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden .

Met betrekking tot feit 2 primair is vast komen te staan op grond van de zich in het dossier bevindende verklaringen dat verdachte samen met [medeverdachte] actief heeft meegedaan aan geweldshandelingen tegen [slachtoffer]. Het verweer dat van een bewuste en nauwe samenwerking geen sprake is, wordt door de rechtbank mitsdien verworpen.

Ook dit feit kan derhalve wettig en overtuigend bewezen worden geacht.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 3 juli 2007 te Doetinchem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven met dat opzet meermalen met een

schroevendraaier in de hals en/of het hoofd van die [slachtoffer]

heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 03 juli 2007 te Doetinchem met een ander, op of

aan de openbare weg, Doctors Huber Noodtstraat en/of De Veentjes, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het vastpakken van die [slachtoffer] en het vasthouden van die [slachtoffer] en het met een elleboog op het hoofd

stoten van die [slachtoffer] en het meermalen stompen en/of slaan tegen het lichaam van die [slachtoffer].

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

1. primair: poging tot doodslag;

2. primair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren gevorderd. Tevens is oplegging gevorderd van de bijzondere voorwaarde dat verdachte zal zich houden aan de aanwijzingen en voorschriften van de reclassering, ook indien dit inhoudt (ambulante) behandeling bij een psychiatrische kliniek, gevorderd.

De officier van justitie heeft haar eis gebaseerd op het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde en daarbij aangevoerd dat het met name onder 1 primair ten laste gelegde een zeer ernstig feit betreft en dat verdachte al eerder is veroordeeld voor ernstige misdrijven. Verdachte heeft geen enkel inzicht in zichzelf en heeft geen enkel woord van berouw getoond. Een lange beveiliging voor de maatschappij is hierbij op zijn plaats.

De raadsvrouw heeft gelet op het door haar ingenomen standpunt vrijspraak voor het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde bepleit. Subsidiair heeft zij als strafmaatverweer aangevoerd dat verdachte zich door de tegenslagen in zijn leven moeilijk staande kan houden in de maatschappij en dat hij wel geholpen wil worden maar door veel instanties wordt afgewezen. Oplegging van een onvoorwaardelijke straf gelijk aan het voorarrest zou passend zijn met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf met een lange proeftijd en de bijzondere voorwaarde zoals voorgesteld door de reclassering, waaronder ook de inname van medicatie valt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte en zijn documentatie (veroordelingen voor delicten met een geweldscomponent) zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich, onder invloed van alcoholhoudende drank en, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard zonder enige aanleiding, het slachtoffer gestoken met een schroevendraaier. Het is bij een ondiepe steekwond gebleven, maar het had veel erger kunnen aflopen. Daarbij komt, dat hij enige tijd daarvoor het slachtoffer had vastgepakt, waarna hij door een ander gemaand werd het slachtoffer met rust te laten. Toch is hij weer teruggegaan. Verdachte heeft weliswaar verklaard het gebeurde verkeerd te vinden, maar van enige directe spijtbetuiging jegens het slachtoffer is niet gebleken.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de reclasseringsrapportages. In het laatste, van 6 december 2007, is verwoord dat er een recidivegevaar is omdat bij alcoholgebruik dat gevaar aanmerkelijk hoger wordt. De rechtbank acht interventie noodzakelijk, waartoe in het kader van een voorwaardelijk strafdeel een bijzondere voorwaarde wordt gesteld.

Tenslotte heeft de rechtbank acht geslagen op de straftoemeting in zaken van enigszins vergelijkbare aard.

De rechtbank komt op basis van het vorenoverwogene tot een lagere strafoplegging dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Zij zal het advies van de reclassering volgen en een verplicht reclasseringscontact als hierna te melden als bijzondere voorwaarde opleggen. Het reclasseringsadvies dat verdachte onder toezicht medicatie zal innemen die alcoholconsumptie verhindert, neemt zij niet over nu verdachte hier zelf niet achterstaat.

De rechtbank volgt evenmin de door de officier van justitie geformuleerde eis ten aanzien van de proeftijd. Gelet op de recente jurisprudentie van de Hoge Raad, arrest van 30 oktober 2007 (LJN BB3999), zal de rechtbank de proeftijd voor de bijzondere voorwaarde eveneens bepalen op twee jaren.

In beslag genomen voorwerpen

Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp betreft waarmee het bewezenverklaarde is begaan.

De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

In beslag genomen voorwerpen

Nu geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van het na te melden voorwerp aan de na te noemen rechthebbende.

Opheffing schorsing voorlopige hechtenis

Bij beschikking van 23 augustus 2007 is de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst, om verdachte in de gelegenheid te stellen te verblijven in een Exodushuis. Op dat moment leek de verdachte binnen afzienbare tijd een verblijfplaats in een Exodushuis te kunnen verkrijgen. Inmiddels, blijkens het reclasseringsrapport van 6 december 2007, is duidelijk geworden dat Exodus heeft besloten geen verblijfplaats aan de verdachte aan te bieden.

Derhalve is voormelde beschikking zinledig geworden en dient de schorsing te worden opgeheven. De beslissing strekkende tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis zal tevens afzonderlijk worden geminuteerd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 33, 33a, 45, 57, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 7 (zeven) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering Nederland, unit Zutphen, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook als dit inhoudt dat veroordeelde een (ambulante) behandeling zal ondergaan bij een psychiatrische kliniek.

Geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een schroevendraaier met lichtblauw handvat.

Gelast de teruggave van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp aan de rechthebbende [slachtoffer], te weten:

- een overhemd, kleur beige/bruin.

Heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mr. Gilhuis, voorzitter, mr. Van der Hooft en mr. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van Van Aalst, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 december 2007.

mr. van der Hooft is buiten staat

dit vonnis mede te ondertekenen