Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BB9527

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
05-12-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
06/460542-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Steekpartij op 11 oktober 1006 in Apeldoorn leidt tot veroordeling; geen noodweersituatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460542-06

Uitspraak d.d. 5 december 2007

verstek / dnip - onip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats 1979],

wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 november 2007.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 11 oktober 2006, te Apeldoorn, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven,

met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans met een

hard en/of scherp voorwerp in de rug, althans in het lichaam heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

zij op of omstreeks 11 oktober 2006, te Apeldoorn, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] een of

meermalen met een mes, althans met een hard en/of scherp voorwerp in de rug,

althans in het lichaam heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

zij op of omstreeks 11 oktober 2006, te Apeldoorn, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] met een mes, althans met een hard en/of scherp voorwerp in de rug, althans

in het lichaam heeft gestoken en/of die [slachtoffer 1] heeft gestompt en/of geslagen,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op of omstreeks 11 oktober 2006, te Apeldoorn, [slachtoffer[slachtoffer 1] heeft bedreigd met

enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers

heeft verdachte opzettelijk dreigend duidelijk zichtbaar voor die [slachtoffer 1] een mes,

althans een hard en/of puntig voorwerp, heeft vastgehouden en/of (vervolgens)

een of meer stekende beweging(en) naar, althans in de richting van die [slachtoffer 1]

heeft gemaakt;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1 primair.

zij op 1 oktober 2006 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een mes in de rug heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

zij op 11 oktober 2006 te Apeldoorn [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend duidelijk zichtbaar voor die [slachtoffer 1] een mes

vastgehouden en vervolgens stekende bewegingen naar, althans in de richting van die [slachtoffer 1]

gemaakt.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten las¬te gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Straf/schulduitsluitingsgrond

Door de officier van justitie is aan de orde gesteld de vraag of hier wellicht sprake was van een noodweersituatie. De officier heeft die vraag ontkennend beantwoord, omdat er op het moment dat verdachte op [slachtoffer 1] instak geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank overweegt daarover het volgende.

Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Vast staat dat een vriendin van verdachte, [naam [naam vriendin], op 11 oktober 2006 in haar woning door haar voormalige vriend [slachtoffer 1] is bedreigd. Er was sprake was van een explosieve situatie. De politie was gewaarschuwd en was bezig zich ter plekke bij de flat te verzamelen om in te kunnen grijpen in dit conflict.

Verdachte bevond zich op de galerij voor de flatwoning.

[slachtoffer 1] heeft op een gegeven moment de van [naam vriendin] verlaten en bevond zich op de galerij voor de flat, waar hij aan het bekvechten was met verdachte. Samen met [naam vriendin] heeft verdachte vervolgens [slachtoffer 1] belaagd op de galerij. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 1] een mes in handen had.

Verdachte heeft onder meer verklaard dat zij bevreesd was voor de veiligheid van haar vriendin [naam vriendin], vanwege het hevige conflict in de flatwoning. Zij dacht dat [slachtoffer 1] haar vriendin ging vermoorden (pag. 155).

Voorts heeft verdachte aangegeven op de galerij bevreesd te zijn geweest voor haar eigen leven, omdat [slachtoffer 1] haar met een mes bedreigde.

Wat het stadium in de woning betreft is voor de rechtbank duidelijk dat op het moment dat [slachtoffer 1] op de galerij voor de flat kwam, er in ieder geval geen sprake meer was van een ogenblikkelijke wederechtelijke aanranding van [naam vriendin]. [naam vriendin] is naar eigen zeggen op het moment dat [slachtoffer 1] naar de galerij liep teruggelopen naar de keuken en heeft daar een mes gepakt.

Voor de fase op de galerij is evenmin aannemelijk geworden dat er op dat moment sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte. Verdachte heeft evenals haar vriendin [naam vriendin] verklaard dat [slachtoffer 1] op de galerij een mes in zijn handen had.

Daartegen over staan echter diverse verklaringen van getuigen die verklaren dat [slachtoffer 1] zich teweer moest stellen omdat hij door verdachte en [naam vriendin] werd belaagd. Hij probeerde zich te beschermen door af te weren met een bankje dat zich voor de flat van de buurvrouw op de galerij bevond.

Geen van die getuigen ([getuige] - pag. 109 -, [getuige] - pag. 112 -, [getuige] - pag. 130 -, relaas [verbalisant] inzake de verklaring van [getuige] - pag. 63 -) heeft gezien dat [slachtoffer 1] op de galerij een mes in handen heeft gehad, terwijl dat ook door [slachtoffer 1] wordt ontkend.

Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 1] het bankje gooide terwijl hij een mes in zijn handen had (pag. 160). De getuige [getuige], die verdachte beurtelings bovenhands en onderhands, stekende bewegingen ziet maken in de richting van [slachtoffer 1], ziet dat [slachtoffer 1] de steken probeert af te weren en dat hij het op de galerij staande bankje in de richting van verdacht werpt.

[naam vriendin] heeft verklaard dat verdachte bij haar uit de woning een mes heeft gehaald.

Geen van de buurtbewoners heeft een mes in handen van [slachtoffer 1] gezien, maar men zag wel een mes in handen van verdachte.

Duidelijk is dat [slachtoffer 1] verdachte heeft vastpakt, haar tegen de railing heeft aangeduwd en heeft geprobeerd haar het mes afhandig te maken.

Met de officier van justitie is de rechtbank van mening dat dit in die situatie een gepaste verdedigingsactie van [slachtoffer 1] was en geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Verdachte heeft tenslotte toegegeven [slachtoffer 1] met één stekende beweging aan de rugzijde te hebben gestoken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

1 primair: poging tot doodslag;

2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft op grond van het feit dat zij de poging tot doodslag en de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht bewezen acht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan een gedeelte van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van [slachtoffer 1] en een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van die [slachtoffer 1].

Het gaat hier om ernstige strafbare feiten, waarbij de bescherming van het menselijk leven door de wetgever als beschermd belang is beoogd. Het wettelijk strafmaximum voor alleen de poging tot doodslag bedraagt al tien jaren gevangenisstraf.

De vraag is daarbij is waarom verdachte dit heeft gedaan of anders gezegd, wat haar motief is geweest.

Aanvankelijk wilde verdachte haar vriendin [naam vriendin] te hulp schieten, omdat zij voor de zoveelste keer met de agressie en intimidatie van haar ex-vriend werd geconfronteerd. Verdachte is daarna echter vervallen van verdedigster in de positie van een agressor in een situatie waartoe daar geen aanleiding meer bestond.

Zij heeft met een mes de ex-vriend van haar vriendin bedreigd en heeft op hem ingestoken.

Verdachte heeft door haar handelen [slachtoffer 1] pijn en leed toegevoegd.

De relationele betrokkenheid bij haar vriendin heeft in deze zeker een rol gespeeld. Door toedoen van verdachte is de politie gealarmeerd. Snel ingrijpen door de politie is echter achterwege gebleven, hoewel dit wellicht erger had kunnen voorkomen.

Ten voordele van verdachte weegt dat zij een blanco strafblad heeft.

In het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om de eis van de officier van justitie niet te volgen. Zij zal volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur.

Enerzijds dient dit om de ernst van de feiten te benadrukken en anderzijds om verdachte in te scherpen dat zij geen strafbare feiten meer moet plegen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mrs. Borgerhoff Mulder, voorzitter, Kleinrensink en Follender Grossfeld, rechters, in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 december 2007.

Mr. Follender Grossfeld is buiten staat mede te ondertekenen.