Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BB9101

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
28-11-2007
Datum publicatie
29-11-2007
Zaaknummer
88730 / JE RK 07-864
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering van bijstand en vertegenwoordiging door een gemachtigde die geen advocaat, procureur of deurwaarder is in kinderbeschermingszaken.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/80 met annotatie van PVl
JBPR 2008/38 met annotatie van G. van Rijssen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 88730 / JE RK 07-864

Beschikking ex artikel 81 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 28 november 2007

in de zaak van:

[betrokkene],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: betrokkene.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- de brief van de rechtbank van 9 oktober 2007;

- de brief van betrokkene van 15 oktober 2007;

- de brief van de rechtbank van 18 oktober 2007;

- het wrakingsverzoek van betrokkene van 19 oktober 2007;

- de beschikking van de wrakingskamer van 5 november 2007;

- het proces-verbaal van de zitting van 5 november 2007.

Voorgeschiedenis

Betrokkene, die geen advocaat, procureur of deurwaarder is, heeft vanaf september 2005 de heer X en mevrouw X (hierna: X) als gemachtigde bijgestaan en als zodanig een (bij benadering) vijftiental procedures namens hen gevoerd bij de rechtbank. Daarnaast is hij sinds eind mei 2007 de gemachtigde van de heer Y en mevrouw Y (hierna: Y) in een tiental zaken. Telkens gaat het daarbij om kinderbeschermingsmaatregelen en daarmee samenhangende beslissingen.

Het betreft ten aanzien van Y de navolgende dossiers:

1. onder nummer 85483 / JE RK 07-325: een verzoek van de Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming (hierna: SGJ) om een (spoed-)machtiging tot uithuisplaatsing van de vier minderjarige kinderen van Y;

2. onder nummer 86397 / JE RK 07-470: een verzoek van Y om opheffing van de ondertoezichtstelling van de vier minderjarige kinderen;

3. onder nummer 86601 / JE RK 07-517: een verzoek van Y tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing;

4. onder nummer 86928 / JE RK 07-558: een verzoek van Y tot beëindiging van de machtiging uithuisplaatsing van de vier minderjarige kinderen;

5. onder nummer 87148 / JE RK 07-596: een verzoek van SGJ tot wijziging van de verblijfplaats van A. Y;

6. onder nummer 87169 / JE RK 07-599: een verzoek van SGJ tot vervangende toestemming voor afgifte van een Nederlandse identiteitskaart voor de vier minderjarige kinderen;

7. onder nummer 88000 / JE RK 07-731: een verzoek van Y tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing, alsmede tot opheffing van de ondertoezichtstelling;

8. onder nummer 88829 / JE RK 07-884: een verzoek van Y tot beëindiging machtiging uithuisplaatsing;

9. onder nummer 88830 / JE RK 07-885: een verzoek van Y tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing, tevens verzoekschrift beëindiging machtiging uithuisplaatsing;

10. onder nummer 89118 / JE RK 07-937: een verzoek van Y tot beëindiging machtiging uithuisplaatsing van de oudste twee minderjarige kinderen.

Ter gelegenheid van de gecombineerde mondelinge behandeling in de zaken genoemd onder 1 tot en met 6 op 17 juli 2007 is, voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaken, aan betrokkene aan de hand van voorbeelden kenbaar gemaakt dat de formuleringen in de door hem namens Y ingediende stukken niet voldeden aan de algemene fatsoensnormen en onacceptabel waren en dat hij er rekening mee diende te houden dat hij als gemachtigde zou worden geweigerd indien hij zou voortgaan op deze wijze te communiceren. Daarbij is geen beperking tot enkel de zaak Y aangebracht. Tevens is hem te kennen gegeven dat bedoelde stukken een heldere opbouw missen, hetgeen zijn cliënten zou kunnen schaden.

In de tussenbeschikking die is gewezen in de procedure genoemd onder 3 is Y in de gelegenheid gesteld met de gezinsvoogd in gesprek te gaan om te proberen tot overeenstemming te komen over de omgang tussen Y en hun minderjarige kinderen. Bij het hieruit voortgevloeide overleg, dat op 23 augustus 2007 heeft plaatsgevonden, is ook betrokkene aanwezig geweest. Naar aanleiding van dat overleg heeft betrokkene aan Y een

e-mail gestuurd, die zich in het dossier bevindt en waarvan de inhoud, voor zover van belang, als volgt luidt:

“Geachte familie Y,

Zoals overeengekomen verstuurt u het bericht aan de kinderrechter aangetekend met een bericht van ontvangst. (…)

Met als grondslag al mijn mensenkennis en (praktijk)ervaring denk ik ook dat “adequaat samenwerken” er met deze gezinsvoogd NIET inzit. Deze is op uw zaak gezet om uw kinderen af te pakken. Het ontbreekt deze gezinsvoogd dan ook volledig aan tact, invoelingsvermogen en de juiste communicatieve vaardigheden om met ouders van kinderen om te gaan en daarom is zij kennelijk de juiste persoon die door SGJ voor het afpakken van (uw) kinderen kan worden ingezet.

De werkwijze van deze gezinsvoogd is contraproductief, werkt volledig averechts en ik ben het dan ook helemaal eens met de RST zorgverleners dat SGJ uw zaak helemaal verkeerd aanpakt en alleen maar weerstand bij de ouders tegen de ots van de kinderen aan het creeren was. Maar dat was ook de bedoeling “om een beeld over de familie Y bij de kinderrechter te kunnen creeren” om daarmee uw kinderen af te kunnen pakken.

Ik acht het niet zinvol om verder nog tijd en energie aan deze gezinsvoogd te besteden want dat werkt alleen maar averechts. Begeleiding omgangsregeling met haar erbij zal de kinderen alleen maar overstuur maken en dat is niet in het belang van uw kinderen. Verdere contacten tussen moeder en deze gezinsvoogd acht ik bovendien buitengewoon schadelijk voor de gezondheid van moeder (…)”

De omgang tussen Y en hun minderjarige kinderen is vervolgens niet van de grond gekomen.

Na de mondelinge behandeling op 17 juli 2007 zijn in de procedure genoemd onder 3 nadere stukken ingestuurd door betrokkene. Dit betreft een brief gedateerd 11 augustus 2007 en een brief gedateerd 23 augustus 2007. Daarnaast zijn voornoemde e-mail van 23 augustus 2007 en een brief van Y gericht aan SGJ d.d. 28 augustus 2007 in het geding gebracht.

De verzoeken genoemd onder 7, 8, 9 en 10 dateren van na 17 juli 2007.

Betrokkene heeft zich, als gemachtigde in kinderbeschermingszaken, in de periode tot 17 juli 2007 in aan de rechtbank gerichte stukken en geschriften onder meer in de navolgende bewoordingen uitgedrukt.

In de zaken X:

In het dossier met nummer 85861 JE RK 07-380, bezwaarschrift:

• Er is sprake van liegen en bedriegen door de gezinsvoogd om de uithuisplaatsing van twee kinderen uit te lokken waardoor er in de onderhavige zaak sprake is van kindermishandeling door de Stichting jegens de kinderen B. en C..

• Tijdens een gesprek moeder en gezinsvoogd op 9 september 2005 bedreigde de gezinsvoogd in bijzijn van de heer [betrokkene] moeder de kinderen met uithuisplaatsing. Onder verwijzing naar jurisprudentie uit de klachtzaak [betrokkene] tegen Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant kan deze bedreiging in die periode in dat gesprek als INTIMIDATIE van de gezinsvoogd worden aangemerkt.

• Daarna is de gezinsvoogd een hetze begonnen tegen het gezin dat zij niet meewerken door de zaak te verdraaien en deze hetze zorgt voor toenemende spanningen bij de kinderen.

• De gezinsvoogd is er een van het soort dat continu alles verdraaid waardoor de jeugdzorg in Nederland niet alleen een slechte reputatie heeft opgelopen maar ook desatreus is voor het welzijn van kinderen die onder toezicht worden gesteld.

In het dossier met nummer 86448 JE RK 07-482, beroepschrift vervallen verklaren schriftelijke aanwijzing 1 juni 2007, gedateerd 2 juni 2007:

• RAZZIA IN Q

• CORRUPTIE COALITIES RvdK, SGJ en kinderrechters in Gelderland. In twee andere SGJ zaken met [betrokkene] als procesvertegenwoordiger is inmiddels onomstotelijk vastgesteld dat de corruptie bij de rechtbanken inmiddels zo groot geworden is dat de SGJ hun eigen kinderrechter kan bellen om een kind uithuis te plaatsen (…) De corruptie bij de rechtbanken in Gelderland zo groot is dat op het telefonische verzoek en SGJ gefaxte verzoek direct een beschikking machtiging uithuisplaatsing wordt gegeven waarbij het Plan van Aanpak kan worden afgestemd op de gegeven beschikking kinderrechter. Het Plan van Aanpak is dan ook enkele dagen later gedateerd. Deze praktijk is in ieder geval vastgesteld bij kinderrechter Davids van de rechtbank Zutphen (…) Onder verwijzing naar het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het feitelijk zo is dat in Nederland kinderrechters beschikkingen geven zodat de gezinsvoogdij naar de beschikking van de kinderrechter hun Plan van Aanpak kan toeschrijven (…) De ouders begrijpen dat als zij tegen deze praktijken bezwaar blijven maken dat dan als sanctie niet alleen hun dochter (…) wordt afgepakt maar ook de derde dochter uit het gezin als strafmaatregel tegen kritische ouders dit lot zal ondergaan en zij uithuis geplaatst zal worden.

• De ouders begrijpen nu ook waarom hun dochter (…) in twee jaar tijd naar zeven adressen is geslingerd door de Stichting en twee is verkracht waaronder een keer in een pleeggezin en dat de Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming, de Stichting bureaus Jeugdzorg Gelderland, de Raad voor de Kinderbescherming en de kinderrechters van mening zijn dat het hier om leeftijdsadequate opvoedingsmethodes met als grondslag willekeur gaat. Het is in het belang van de minderjarigen dat de ouders zo snel mogelijk inzicht krijgen in de willekeur als grondslag voor de werkwijze van de Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming om zicht te krijgen op de leeftijdsadequate ontwikkeling van kinderen die door de kinderrechters aan de Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming worden uitgeleverd.

• De ouders hebben niet geweigerd met de gezinsvoogd van de Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming in gesprek te gaan, zolang deze medewerkers zich niet als kindercriminelen gaan gedragen in casus geen kinderen afpakken van kritische ouders als strafmaatregel

In de dossiers met nummers 84988 JE RK 07-241 en 84814 JE RK 07-224, pleitnotities/ verweer op hoorzitting d.d. 14 mei 2007 13:30 uur:

• Op een vakkundige manier heeft de jeugdzorg dit meisje met een aangeboren handicap tegen haar ouders opgezet om maar steeds meer gesubsidieerde hulpverlening voor de toekomst veilig te stellen.

• Kinderdieven!

• corruptie van coalities in de jeugdzorg

• kinderrechter die (…) ZEER PARTIJDIG VOOR JEUGDZORG van mening is dat ouders “ONVOORWAARDELIJK MOETEN MEEWERKEN AAN HULPVERLENING” kennelijk met als enig doel de schadeclaim van de familie X te onderdrukken tegen de Staat.

In het dossier met nummer 84814 JE RK 07-224, verweerschrift tegen verzoekschrift uithuisplaatsing minderjarige:

• In de onderhavige zaak hebben we te maken met KINDERCRIMINELEN in de persoon van de SGJ gezinsvoogd en zijn SGJ praktijkleider.

• HET IS BUITENGEWOON ZORGELIJK DAT GEREFORMEERDE JEUGDZORG IN NEDERLAND KOST WAT KOST EEN MEISJE VAN 12 JAAR IN HUN KLAUWEN PROBEERT TE KRIJGEN ZODAT ZE HAAR SCHOOL NIET KAN AFMAKEN! HET KAN DAN OOK NIET ANDERS DAN DAT WE HIER MET TOTAAL GESTOORDE JEUGDZORG MEDERWERKERS TE MAKEN HEBBEN DIE KENNELIJK ZO AFGESTOMPT ZIJN DOOR HET VUILE WERK WAT ZIJ VERRICHTEN DAT ZIJ NIET EENS MEER IN DE GATEN HEBBEN DAT ZIJ EEN 12 JARIG MEISJE DAT NETJES NAAR SCHOOL GAAT “EN GEEN PROBLEMEN VEROORZAAKT”AAN HET KAPOT MAKEN ZIJN!

• Verzoek aan de kinderrechter om het verzoekschrift ingeleverd door de Stichting bij de kinderrechter te toetsen op valsheid in geschrifte. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is gebaseerd op oplichting en bedrog van de KINDERCRIMINELEN in de persoon van de SGJ gezinsvoogd en zij SGJ teamleider

• Het werk van de Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming heeft niets meer te maken met christelijke jeugdzorg maar alles te maken met een werkwijze representatief voor het werk van een “duivel” De ouders willen hun kinderen tegen de werkwijze van de “duivel” beschermen door de “duivel” in de persoon van de SGJ gezinsvoogd buiten de deur te houden.

In de zaken Y:

In het dossier met nummer 86397 / JE RK 07-470, beroepschrift beschikking omgangsregeling/ verzoek opheffing ondertoezichtstelling d.d. 1 juni 2007:

• HET GEVAAR! Tussen 230407 en 210607 krijgen deze ouders hun kind slechts een uur te zien! De SGJ werkwijze jegens deze ouders met twee ernstig zieke kinderen is ronduit weerzinwekkend! De werkwijze van de SGJ is niet gericht op OTS ondersteuning maar op definitief afpakken van dit kind met als financieel oogmerk veel meer geld te verkrijgen.

• Kinderdieven!

• In Nederland hebben we nu te maken met kinderrechters die eerst beschikkingen uithuisplaatsingen afgeven zodat de jeugdzorg vervolgens in hun Plan van Aanpak naar deze beschikkingen kan toe schrijven!

• Alarm voor gevaarlijke SGJ gezinsvoogd en SGJ teamleider.

In het dossier met nummer 86928 / JE RK 07-558, verzoekschrift d.d. 21 juni 2007:

• De Stichting heeft valsheid in geschrifte gepleegd om de UHP uit te lokken (…) Door het gepleegde bedrog wordt de KIR wijsgemaakt dat de ouders hulp weigeren

• SGJ frauduleuze werkwijze in de zaak Y

• Het meisje dat als RST zorg door de gezinsvoogd in het gezin is ingezet blijkt achteraf niet alleen een bedriegster te zijn maar ook ernstig incompetent.

In hetzelfde dossier, verzoek aan SGJ d.d. 1 juni 2007:

• DE ZAAK Y IS EEN MISDRIJF 70!

Kinderdieven! Citaat: ‘Als de ouders niets hebben misdaan dan begaat de overheid een misdrijf!”

In de na 17 juli 2007 ingediende stukken valt onder meer het navolgende te lezen.

In het dossier met nummer 86601 / JE RK 07-517, brief van 11 augustus 2007:

• Dat drie kinderrechters van de rechtbank Zutphen zich door de SGJ gezinsvoogd laten misleiden tijdens de hoorzitting van 17 juli 2007 en stelselmatig afgaan op dit BEDROG van de SGJ

• partijdigheid van de rechtbank voor de SGJ waarbij de rechtbank de SGJ bij kritische vragen van de ouders steeds de hand boven het hoofd leek te houden

In het dossier met nummer 88000 / JE RK 07-731, verzoek vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing/opheffing ondertoezichtstelling:

• In de schriftelijke aanwijzing staat “pedagogische ondersteuning” in werkelijkheid ging het om “spionage in het gezin” door RST voor SGJ.

• INTIMIDATIE DOOR SGJ

• Op de hoorzitting kinderrechter 17 juli 2007 heeft de gezinsvoogd GELOGEN door de kinderrechter te misleiden dat RST zelf de zorg aan het gezin Y heeft beëindigd.

• Uit alles blijkt dat het de bedoeling van SGJ is geweest de familie Y zodanig te intimideren om daarmee een discussie over het aantal uren zorg uit te lokken om vervolgens vier kinderen uithuis te kunnen plaatsen waaraan SGJ vervolgens via SGJ pleeggezinnen veel meer geld aan OTS en UHP zou kunnen gaan verdienen.

• verdachtmakingen jegens het gezin.

• Er is sprake van een lastercampagne van de Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming jegens de ouders om de ouders Y in een kwaad daglicht te stellen kennelijk met het financiële oogmerk over de rugjes van ernstig zieke kinderen nog veel meer gesubsidieerde hulpverlening te kunnen verkopen.

• Het behoort tot de weerzinwekkende mentaliteit van de SGJ dat ouders eerst de valse SGJ aanklachten door hun strot geduwd krijgen en moeten accepteren want anders krijgen zij hun kinderen niet (meer) te zien.

• SGJ rekent op de medewerking van de kinderrechters in Zutphen die nergens naar kijken en het SGJ BEDROG honoreren.

In het dossier met nummer 88830 / JE RK 07-885, verzoekschrift d.d. 24 september 2007:

• In de onderhavige zaak is sprake van een onrechtmatige melding van kindermishandeling door de SGJ/SGJ gezinsvoogd omdat er opzettelijk een valse beschuldiging van kindermishandeling is gedaan. Er is sprake van opzet met als financieel oogmerk de uithuisplaatsing van bovengenoemde minderjarige.

• er (is) sprake van mishandeling van de moeder door de SGJ gezinsvoogd mevrouw P.

Daarnaast is op de website www.burojeugdzorg.nl, welke site door betrokkene wordt beheerd, onder de link “De zaak X” onder meer de navolgende tekst opgenomen:

“De oudste dochter J. van de familie X met een “aangeboren handicap” is drie jaar geleden uithuis geplaatst na het “vertellen van vreemde verhalen”. Ondertussen heeft het meisje J. binnen twee jaar op zeven verschillende pleegzorgadressen gezeten en in een SGJ kindertehuis (…) Twee keer verkracht waaronder een keer in pleeggezin. (…) Op de laatste hoorzitting te Zutphen bedreigde de gezinsvoogd haar dat als het na ZEVEN PLEEGGEZINNEN IN HET SGJ KINDERTEHUIS ZWOLLE OOK NIET GING de volgende stop een gesloten jeugdinrichting zou zijn om ook haar verzet tegen SGJ te kunnen breken. Zij is nu 18 jaar, zit op een onbekend adres en het gaat natuurlijk niet goed met haar (…)

Het gaat in de zaak X dus niet meer om “jeugdzorg” maar om een “STASI WERKWIJZE IN STRIJD MET HET NEGENDE GEBOD” (…)

MISDAAD VAN DE STAAT TEGEN HET GEZIN X UIT Q GELDERLAND (…)

In de zaak X proberen de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland en Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming uit alle macht de kinderen X van hun ouders af te pakken door B. X op te sluiten in een kindergevangenis in Kampen en C. X op te sluiten in een SGJ pleeggezin om het verzet van ouders en kinderen tegen de jeugdzorg te breken.”

Ook zijn op de website [subpagina 1] en [subpagina 2] integrale, ongeanonimiseerde beschikkingen van de rechtbank van 7 augustus 2007 opgenomen inzake respectievelijk C. en B. X.

Op dit moment zijn de zaken genoemd onder 3, 7, 8, 9 en 10 nog in behandeling bij deze rechtbank.

De onderhavige procedure

In voormelde brief van de rechtbank van 9 oktober 2007 is aan betrokkene, voor zover van belang, het navolgende meegedeeld:

“De rechtbank Zutphen overweegt met toepassing van de artikelen 280 en 81 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering u gedurende een nader te bepalen periode te weigeren als procesvertegenwoordiger in kinderbeschermingszaken.

De meervoudige kamer wenst u hierover te horen ter terechtzitting op maandag 5 november 2007 om 09:30 uur, in het gerechtsgebouw te Zutphen, Martinetsingel 2.

Ik roep u op om op die tijd en plaats ter terechtzitting aanwezig te zijn. U kunt zich ter zitting laten bijstaan door een advocaat. (…)”

Bij brief van 19 oktober 2007 heeft betrokkene een wrakingsverzoek tegen de behandelende rechters ingediend. Dit verzoek is bij beschikking van de wrakingskamer van deze rechtbank van 5 november 2007 afgewezen.

Op 5 november 2007 is betrokkene gehoord over hetgeen hij geschreven heeft in de diverse procedures van de families X en Y. Hij heeft erkend de stukken waaruit hiervoor citaten zijn opgenomen, ook wanneer deze niet expliciet op zijn naam staan, te hebben geschreven en voor de inhoud daarvan verantwoordelijk te zijn, zij het dat die inhoud tot stand is gekomen na en in overleg met X, respectievelijk Y. Ook heeft hij bevestigd de beheerder van voormelde website te zijn.

Wettelijk kader

Artikel 81, eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bepaalt:

“De kantonrechter kan bij met redenen omklede beschikking bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan en die geen advocaat, procureur of deurwaarder is, weigeren. De weigering geldt voor een bepaalde zaak of voor een door de kantonrechter te bepalen tijd.”

Dit artikel is in artikel 280 Rv, dat handelt over verzoekschriftprocedures in eerste aanleg, van overeenkomstige toepassing verklaard in zaken waarin de indiening van het verzoekschrift niet door een procureur behoeft te geschieden.

De voorloper van artikel 81 Rv was artikel 99a Rv, oorspronkelijk daterend uit 1929 en gewijzigd met ingang van 1 januari 1966. In de Memorie van Antwoord bij het wetsvoorstel dat tot de tekst uit 1966 heeft geleid (kamerstuk 7172) is onder meer het navolgende te lezen:

“Het is evident dat het met klem verdedigen van zaken niet kan leiden tot maatregelen tegen een kantongerechtsgemachtigde. De bepaling van artikel 99a Rv . is gericht op het weren van ongeschikte en onbetrouwbare gemachtigden. Ook misstappen buiten proces door een gemachtigde gemaakt kunnen tot het treffen van een maatregel aanleiding geven.”

De wijzigingen die na 1966 hebben plaatsgevonden zijn van redactionele aard en betreffen daarnaast (tweemaal) het wijzigen van het artikelnummer. Het citaat uit de Memorie van Antwoord heeft dan ook nog steeds gelding.

De beoordeling

In de tegen betrokkene gestarte procedure op grond van artikel 81 Rv staat de vraag centraal of er tegen hem zodanig ernstige bezwaren bestaan dat hij als ongeschikte of onbetrouwbare gemachtigde door de rechtbank dient te worden geweigerd.

Voorop dient te worden gesteld dat het een gemachtigde in beginsel vrij staat het standpunt van zijn cliënten te verwoorden op een wijze die hem goeddunkt, ook indien dat standpunt verwijten behelst aan de wederpartij en/of bij de geschillen betrokken derden, zij het dat ook voor een gemachtigde - net als voor een advocaat - geldt dat hij zich in woord en geschrift niet onnodig grievend dient uit te laten en dat hij zich slechts van verwijten en/of beschuldigingen bedient indien hij zodanig standpunt feitelijk onderbouwt en aan zijn bevindingen de consequenties verbindt die daarbij geëigend zijn.

Betrokkene heeft zich, zoals uit de hiervoor weergegeven citaten blijkt, herhaaldelijk bediend van zeer krachtige bewoordingen die opzettelijk handelen (van in dit geval met name de SGJ of de gezinsvoogd) impliceren, zoals: liegen en bedriegen, uithuisplaatsing uitlokken, bedreigen, intimidatie, hetze, verdraaien, razzia, een werkwijze gericht op het definitief afpakken, financieel oogmerk, bedriegster, gelogen, een discussie uitlokken, Stasi-praktijken.

De term “liegen en bedriegen” als hiervoor geciteerd is door betrokkene gekoppeld aan zijn stelling dat de gezinsvoogd ten onrechte zegt dat X weigert om samen te werken met de gezinsvoogd. Deze mening van de gezinsvoogd wordt door X niet gedeeld, en X is van mening dat de gezinsvoogd degene is die niet wil samenwerken, maar de toelichting waarom X van mening is dat de stelling van de gezinsvoogd onjuist is, ontbreekt, evenals een onderbouwing van de opzettelijkheid die de woorden “liegen” en “bedriegen” impliceren.

De motivering op grond waarvan betrokkene van mening is dat een uithuisplaatsing wordt uitgelokt door de gezinsvoogd ontbreekt geheel.

De bewoordingen “bedreiging” en “intimidatie” zien op het feit dat de gezinsvoogd tegen X heeft gezegd dat wanneer er niet zou worden meegewerkt, mogelijk een uithuisplaatsing van de minderjarigen zou volgen. Dat deze mededeling bedoeld is om X te bedreigen en te intimideren - en niet bijvoorbeeld enkel als het wijzen op eventuele consequenties van het niet meewerken - is door betrokkene niet onderbouwd.

De hetze waarover betrokkene spreekt, is slechts toegelicht met de stelling dat de gezinsvoogd de zaak verdraait. Dit wordt in verband gebracht met het uitblijven van contact na 9 september 2005 tussen de gezinsvoogd en de kinderen. Een hetze is volgens het Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse taal, 14e druk (hierna: Van Dale), een lastercampagne, oftewel een uitgebreide actie met als doel een persoon te belasteren. Dat daarvan sprake is geweest (en op welke wijze) heeft betrokkene niet duidelijk gemaakt.

Op welke wijze zaken worden verdraaid is ook niet toegelicht. Evenmin heeft betrokkene argumenten naar voren gebracht waaruit geconcludeerd zou kunnen worden dat een eventuele onjuiste weergave van feiten door de gezinsvoogd opzettelijk heeft plaatsgevonden.

De stelling dat van een razzia sprake is, is in het geheel niet toegelicht in het desbetreffende beroepschrift. Kennelijk vloeit die term voort uit de gedachte dat B. “is opgepakt en opgesloten”, zoals in het beroepschrift is vermeld. Een razzia is blijkens Van Dale (voor zover hier ter zake doend) een politionele drijfjacht, wat kan worden vertaald met “een algemene, georganiseerde vervolging van mensen”. Het feit dat een rechterlijke machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige ten uitvoer is gelegd is ter onderbouwing van die bewoordingen - zelfs als dat met behulp van de politie is gebeurd - niet concludent.

Waarom betrokkene meent dat de werkwijze van SGJ niet is gericht op ondersteuning maar op het definitief afpakken van de kinderen Y met als financieel oogmerk veel meer geld te verkrijgen, heeft hij niet onderbouwd. Ter zitting heeft betrokkene hierover opgemerkt dat deze conclusie voortvloeit uit het feit dat de gezinsvoogd na de uithuisplaatsing wekenlang heeft gewacht met het opnemen van contact met Y en dat vader en moeder Y hun kinderen in twee maanden tijd maar een uur hebben mogen zien. Naast het feit dat deze onderbouwing in het desbetreffende stuk ontbreekt, kan deze onderbouwing bezwaarlijk concludent worden geacht, nu - uitgaande van de juistheid van de stellingen van betrokkene - daarmee niet zonder meer is aangetoond dát de werkwijze van SGJ is gericht op het afpakken van de kinderen en bovendien om eigen financieel gewin.

De stelling dat - in de bewoordingen van betrokkene - het meisje dat als RST-zorg door de gezinsvoogd in het gezin is ingezet een bedriegster zou zijn, is niet onderbouwd. Ter zitting heeft betrokkene erkend dat deze stelling achteraf bezien niet juist is. Hij was in de veronderstelling dat de medewerkster van RST onjuiste informatie aan de gezinsvoogd zou hebben doorgegeven, hetgeen achteraf niet het geval bleek te zijn.

De stelling dat de gezinsvoogd op de hoorzitting van 17 juli 2007 heeft gelogen (zoals verwoord in de brief van 11 augustus 2007) ziet op haar verklaring dat RST zelf de zorg aan het gezin Y heeft beëindigd. Ongeacht of deze informatie van de gezinsvoogd juist of onjuist is, dient voor liegen ook sprake te zijn van opzet. Dat daarvan sprake zou zijn is niet onderbouwd.

In hetzelfde stuk wordt er ook melding van gemaakt dat het de bedoeling van SGJ is geweest een discussie uit te lokken met Y om vervolgens de kinderen uit huis te kunnen plaatsen. Dat zou “uit alles” blijken. Hiervoor is reeds overwogen dat bij geen enkele stelling deugdelijk is toegelicht en onderbouwd waarom betrokkene van mening is dat sprake is van opzet van SGJ of de gezinsvoogd. Dat brengt met zich dat deze verwijzing naar “alles” geenszins kan volstaan. Overigens lijkt deze stelling in strijd met het eveneens in dit verzoekschrift opgenomen verwijt dat er geen enkele ruimte was voor discussie tussen SGJ en het gezin Y over het aantal uren voor RST-zorg.

De Stasi-praktijken zoals vermeld op de website zijn niet onderbouwd. Ter zitting heeft betrokkene toegelicht dat het gaat om de werkwijze zoals hij die kent uit het voormalige Oost-Duitsland, waaraan de werkwijze van SGJ hem in bepaalde opzichten doet denken. De Stasi is de voormalige geheime dienst in de DDR. Deze kwalificatie suggereert dus dat SGJ zaken verborgen probeert te houden. Ook dit wordt niet toegelicht.

Daarnaast gebruikt betrokkene de term “gevaarlijke” SGJ gezinsvoogd [naam gezinsvoogd] en “gevaarlijke” SGJ teamleider. Dit wordt onderbouwd met de bezwaren van Y, “die identiek zijn aan de bezwaren die de familie X tegen deze twee personen hebben”, aldus betrokkene in het beroepschrift van 1 juni 2007. Welke die bezwaren zijn, wordt niet nader toegelicht en waarom de gezinsvoogd en de teamleider gevaarlijk zouden zijn (en voor wie) blijft in de lucht hangen. Overigens is niet de heer [naam gezinsvoogd], maar mevrouw [naam gezinsvoogd] de gezinsvoogd van Y, zodat zonder toelichting niet valt in te zien waarom de heer [naam gezinsvoogd] gevaarlijk zou zijn in de ogen van Y.

Of de verstrekkende kwalificaties als hiervoor weergegeven als onnodig grievend jegens SGJ respectievelijk de gezinsvoogd dienen te worden beschouwd, is in de eerste plaats afhankelijk van het oordeel of betrokkene daarvoor voldoende feitelijke grondslag heeft aangevoerd, ten minste ten aanzien van de opzet van de beschuldigde op het resultaat van de handeling. Iemand kan - bijvoorbeeld - een onjuiste mededeling doen, maar het is pas liegen of verdraaien als dit opzettelijk gebeurt. Voor zover betrokkene ter onderbouwing van de ingenomen standpunten verwijst naar een rapport van RST kunnen aan die verwijzing geen consequenties worden verbonden, nu dit rapport zich niet in enig dossier bevindt, ook al stelt betrokkene dit aan de rechtbank te hebben toegezonden.

Betrokkene bedient zich daarnaast in de stukken veelvuldig van beschuldigende termen die, mits bewezen, te kwalificeren zouden zijn als strafbare feiten, te weten: kindermishandeling, mishandeling, bedreigen, kinderdieven, valsheid in geschrifte, frauduleuze werkwijze, misdrijf, bedrog, lastercampagne en opzettelijk valse beschuldiging doen, en daarmee samenhangende termen als corruptie, kindercriminelen, spionage en verdachtmakingen.

Desgevraagd heeft betrokkene ter zitting te kennen gegeven dat hij geprobeerd heeft aangifte te doen van mishandeling van de ouders en mogelijk van oplichting, maar dat de politie heeft geweigerd de aangiften op te nemen. Hij heeft ervoor gekozen van het overgrote deel van de hiervoor genoemde strafbare feiten en gedragingen geen aangifte te doen. Ten aanzien van de beschuldiging van fraude heeft betrokkene zelfs uitdrukkelijk de mogelijkheid erkend dat de wijze waarop met plannen van aanpak wordt omgegaan zonder opzet plaatsvindt.

Het enkele feit dat de politie ten aanzien van een of twee mogelijke strafbare feiten geen aangifte heeft willen opnemen, maakt niet dat betrokkene zonder meer dient af te zien van nadere pogingen tot het doen van aangifte voor andere strafbare feiten. Vanzelfsprekend zal ook de politie een behoorlijke onderbouwing van de aangiftes verlangen. Ontbreekt deze, dan zal geen aangifte worden opgenomen, en dient betrokkene reeds om die reden af te zien van het gebruiken van deze termen in procedures. Het nalaten van het doen van aangifte valt niet te rijmen met de ernst van de beschuldigingen. Dat betrokkene - dan wel de families die hij vertegenwoordigt - de handelingen van SGJ als inbreuken op het Wetboek van Strafrecht ervaart, legitimeert het gebruik van deze belastende termen niet. De gebruikte bewoordingen zijn in verregaande mate onacceptabel en onnodig grievend. Dit klemt te meer gezien de weerslag die deze proceshouding slechts kan hebben op de verhouding tot de gezinsvoogd in de precaire situatie waarin de families zich bevinden en waarbij de belangen van de kinderen slechts gebaat zijn bij een constructieve samenwerking. Hoewel betrokkene een dergelijke samenwerking zegt voor te staan, wordt deze stellingdoor zijn proceshouding stelselmatig gelogenstraft.

Daar komt bij dat - hoewel betrokkene ter zitting heeft verklaard dat hij meer gezinnen heeft geadviseerd, en in veel gevallen ook positief tegenover kinderbeschermingsmaatregelen staat - de door betrokkene gebruikte termen en hun context in veel gevallen van algemene aard zijn. Weliswaar worden in sommige gevallen de pijlen specifiek op de desbetreffende gezinsvoogd gericht (met name in het dossier genoemd onder 9), maar in veel gevallen is dat niet het geval en zien de formuleringen op de algemene handelwijze van SGJ, Bureau Jeugdzorg of de Raad voor de Kinderbescherming.

Uit de schriftelijke uitlatingen van betrokkene - al dan niet vervat in strafrechtelijke verwijten - en zijn mondelinge toelichting daarop ter zitting, in onderling verband bezien, kan worden afgeleid dat de kern van het betoog van betrokkene is, dat hij - met zijn cliënten - van mening is dat SGJ, in de onderhavige zaken, maar ook in het algemeen, een organisatie is die zich ten doel stelt om (zo veel mogelijk) kinderen uit huis te plaatsen om daar zelf, als organisatie, financieel beter van te worden. Op geen enkele wijze is deze stelling door betrokkene met feiten onderbouwd, en op geen enkele wijze is die stelling aannemelijk gemaakt. Dat geldt ook voor de (uit die mening voortvloeiende) als feiten gepresenteerde stellingen die er - kort gezegd - op neerkomen dat instanties die zich bezighouden met jeugdbescherming opzettelijk onjuiste informatie verschaffen aan de rechter, om daarmee ten onrechte kinderbeschermings-maatregelen te verkrijgen en op die wijze ouders en kinderen te benadelen.

De uitlatingen die betrokkene mede namens zijn cliënten doet, moeten, gelet op het feit dat zij een deugdelijke onderbouwing ontberen, als onnodig grievend jegens de geadresseerden aangemerkt worden.

In de brief van 11 augustus 2007 beperkt betrokkene zich overigens niet tot diskwalificerende woorden aan het adres van de gezinsvoogdijinstelling, maar schrijft hij tevens “dat drie kinderrechters van de rechtbank Zutphen zich door de SGJ gezinsvoogd laten misleiden tijdens de hoorzitting van 17 juli 2007 en stelselmatig afgaan op dit BEDROG van de SGJ” alsmede over “bewijs van vooringenomenheid en partijdigheid van de rechtbank Zutphen voor de SGJ” met een verwijzing naar de in de zaken genoemd onder 1 tot en met 6 gewezen beschikkingen. Ten aanzien van dit laatste heeft betrokkene ter zitting aangevoerd dat het om een gevoelen van Y ging, maar uit het stuk blijkt dat niet.

Eerder, in de dossiers van X met nummers 84988 en 84814 zoals hiervoor vermeld, heeft betrokkene al gesproken over de kinderrechter die zeer partijdig voor jeugdzorg van mening is dat ouders onvoorwaardelijk moeten meewerken aan hulpverlening, kennelijk met als enig doel de schadeclaim van de familie X tegen de staat te onderdrukken.

Voorts wordt verwezen naar het citaat over corruptie coalities als hiervoor opgenomen onder dossiernummer 86448.

Ook in latere stukken wordt kritiek geuit op de rechtbank, zoals in het verzoek als genoemd onder 7 waarin gesteld wordt dat de kinderrechters in Zutphen “nergens naar kijken en het SGJ BEDROG honoreren”.

Evenals dit het geval is met de stellingen ten aanzien van SGJ en/of de gezinsvoogd, zijn de stellingen die betrokkene inneemt ten aanzien van corruptie en partijdigheid van de rechtbank, het honoreren van bedrog van SGJ en het zich laten misleiden door de (kinder-)rechters niet of nauwelijks onderbouwd. Daarbij moet worden opgemerkt dat betrokkene namens Y geen rechtsmiddelen heeft ingesteld tegen de in hun zaken genomen beslissingen, hoewel de appeltermijn - ook in de onder 1 genoemde zaak en een door de vorige gemachtigde van Y in eerste aanleg gevoerde procedure (nummer 83692 / JE RK 07-88, verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling van de vier kinderen) - nog liep. Ook zijn geen klachten ingediend tegen de rechters. Evenmin heeft hij aanleiding gezien tot het doen van een wrakingsverzoek in de zaken Y. Het enige door hem ingediende wrakingsverzoek in de zaak X is afgewezen.

Waarop - in het concrete geval - de stelling gebaseerd is dat de reden voor de kinderrechter om van X te verwachten dat zij meewerken aan hulpverlening enkel is gelegen in het doel de schadeclaim van X te onderdrukken, is niet duidelijk gemaakt.

De stelling dat er sprake is van corruptie en een coalitie tussen - kort gezegd - de rechtbank en jeugdhulpverlening wordt door betrokkene onderbouwd door te wijzen op het feit dat werkafspraken worden gemaakt over de wijze van aanleveren van stukken met ketenpartners als de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg. Deze werkafspraken betreffen uitsluitend werkprocessen en beogen een deugdelijke en ordelijke rechtspleging, en worden ook gemaakt met de advocatuur en het openbaar ministerie. Deze onderbouwing kan de stelling van betrokkene dan ook niet dragen.

Voor zover betrokkene zich ter onderbouwing van zijn beschuldiging beroept op een beschikking van 23 april 2007 van mr. E.J. Davids, mist ook deze onderbouwing grond. In die beschikking wordt immers helemaal niet verwezen naar een plan van aanpak. Of dit op dat moment wel of niet reeds voorhanden was, kan derhalve op basis van die beschikking niet geconcludeerd worden en kan dus geen onderbouwing bieden voor de stelling van betrokkene. Indien betrokkene meent dat met het afgeven van een beschikking tot spoeduithuisplaatsing op ongeoorloofde wijze de mogelijkheid aan een gezinsvoogdijinstelling wordt geboden om naar een conclusie toe te schrijven, geldt dat uit het dossier niet blijkt dat dit een argument was dat in de zitting op 1 mei 2007 naar voren is gebracht.

Wanneer betrokkene of zijn cliënten het, voor wat betreft de wijze van totstandkoming dan wel de inhoud, niet eens zijn met beslissingen van de rechter, staat - althans met betrekking tot de meeste beslissingen - de mogelijkheid van hoger beroep open. Als van die mogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt, krijgt een beslissing - ook een voor een partij onwelgevallige - rechtskracht. Het doen van uitlatingen die de legitimiteit van een onherroepelijke rechterlijke beslissing in een bepaalde zaak ter discussie stellen, zonder gebruik te maken van de wettelijke mogelijkheid om die beslissing door een hoger rechtscollege te laten toetsen, wordt in strijd geacht met de goede procesorde en met hetgeen van een bekwaam gemachtigde verwacht mag worden, nu op die wijze het gezag van de rechterlijke macht wordt ondermijnd. Dit geldt evenzeer ten aanzien van opmerkingen over rechters wanneer geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid tot wraking of een wrakingsverzoek terzake is afgewezen.

Nu blijkens de memorie van antwoord bij artikel 81 Rv ook handelingen en gedragingen buiten de gerechtelijke procedure aanleiding kunnen geven tot het weigeren van een persoon als gemachtigde, kan ook de inhoud van de website die door betrokkene wordt beheerd bij de oordeelsvorming worden betrokken.

Uitgangspunt van de behandeling van familiezaken is, gelet op artikel 803 Rv, dat deze achter gesloten deuren plaatsvindt. Dit is een algemene uitzondering op het bepaalde in artikel 27 Rv, dat de terechtzitting openbaar is. Deze uitzondering houdt verband met de belangen van minderjarigen en de eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer en die van partijen. Betrokkene wordt als procesgemachtigde geacht hiervan op de hoogte te zijn. De hiervoor geciteerde passages van de website www.burojeugdzorg.nl staan op gespannen voet met de belangen van de betrokken minderjarigen.

Betrokkene heeft ter terechtzitting aanvankelijk verklaard dat de gegevens van de minderjarigen op de website geanonimiseerd zijn. Zo wordt de oudste dochter van de familie X op de site niet bij haar voornaam genoemd. Uit de citaten wordt echter - door alle andere vermelde gegevens - zonder meer duidelijk om wie het gaat. De passage bevat zeer privacygevoelige informatie over de - inmiddels 18-jarige - dochter van de familie X uit Q op wie eerder een kinderbeschermingsmaatregel van toepassing was. Betrokkene heeft aangevoerd dat plaatsing in overleg met X heeft plaatsgevonden, hetgeen echter niet relevant is, nu deze dochter meerderjarig is en niet is gebleken dat zij toestemming heeft gegeven voor de plaatsing.

Desgevraagd heeft betrokkene vervolgens verklaard dat de hiervoor vermelde beschikkingen met betrekking tot B. en C. X door hem integraal en ongeanonimiseerd op de website zijn geplaatst. Deze beschikkingen bevatten behalve een samenvatting van hetgeen de minderjarigen ter zitting hebben verklaard privacygevoelige gegevens die als behorend tot hun persoonlijke levenssfeer bescherming verdienen. Ook in dit geval is het enkele feit dat X toestemming heeft gegeven tot plaatsing van deze gegevens niet voldoende om deze plaatsing (met name: op deze wijze) te rechtvaardigen. Het is immers de keuze van betrokkene zelf als redacteur van de website om dit te doen. Dat hij daarbij rekening heeft gehouden met de belangen van de minderjarigen (die niet altijd gelijk op hoeven te gaan met die van de ouders) is niet gebleken. Ook het feit dat op andere wijze deze zaak reeds veel publiciteit heeft gehad, rechtvaardigt nog niet het plaatsen op de website van deze informatie, te meer daar de publiciteit vooral op lokaal niveau heeft plaatsgevonden, terwijl de website een landelijk, zo al niet wereldwijd bereik heeft.

Zowel uit al hetgeen is gepubliceerd op voornoemde website als uit de proceshouding van betrokkene valt te concluderen dat betrokkene zeer betrokken is bij de zaken waarin hij als gemachtigde optreedt en dat hij zich laat leiden door het oogmerk dat hij vermeend onrecht wenst te bestrijden. Hij identificeert zich echter zó sterk met zijn cliënten en is kennelijk zodanig achterdochtig en wantrouwend ten aanzien van degenen die in welke zin dan ook belast zijn met het treffen of uitvoeren van maatregelen van kinderbescherming, dat iedere distantie verloren is gegaan. Dit beïnvloedt niet alleen zijn wijze van procederen in negatieve zin, maar ook de adviserende begeleiding die hij in dat verband geeft aan zijn cliënten, zoals dat onder meer tot uiting komt in het advies van betrokkene aan Y om niet meer met de huidige gezinsvoogd samen te werken. Dit advies heeft ertoe geleid dat er tot dusver weinig of geen omgang tussen de ouders en de kinderen kon worden georganiseerd en er ook geen onderzoek kon worden gedaan naar de pedagogische kwaliteiten van de ouders. Daardoor is het noch voor de gezinsvoogd, noch voor de kinderrechter mogelijk om te komen tot een andere koers dan thans is ingesteld. Betrokkene negeert met deze houding de door de kinderrechter genomen beslissingen, zonder daartegen in hoger beroep te komen. Het in het belang van de minderjarige kinderen bepaald noodzakelijke overleg wordt door de wijze van optreden van betrokkene praktisch onmogelijk gemaakt.

Al het voorgaande, ook in onderlinge samenhang bezien, leidt tot het oordeel dat er sprake is van ernstige bezwaren tegen betrokkene in zijn rol als gemachtigde in kinderbeschermingzaken. Gezien de algehele inhoud van de door hem opgestelde processtukken, alsook de wijze waarop hij zich op het internet en daarbuiten profileert, is niet zozeer sprake van een zaaksgerelateerde overschrijding van de in rechte te respecteren (fatsoens-)normen, maar van een zodanig gebrek aan professionele distantie jegens al degenen die belast zijn met het treffen van en het uitvoering geven aan maatregelen van kinderbescherming, dat in redelijkheid niet te verwachten valt dat betrokkene binnen afzienbare tijd tot een andere opstelling zal kunnen komen. Om die reden zal voor de duur van de te treffen maatregel worden aangesloten bij de termijn van twee jaren, zoals die vroeger uitdrukkelijk in de wet werd genoemd.

Met inachtneming van al het voorgaande wordt als volgt beslist.

De beslissing

De rechtbank:

- weigert bijstand en vertegenwoordiging door betrokkene in kinderbeschermingszaken voor de duur van twee jaren;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. D. Vergunst, voorzitter, en mrs. I.G.M. Th. Weijers-van der Marck en R.A. Eskes, rechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 november 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.