Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BB7206

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
16-11-2007
Zaaknummer
06/580144-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot en gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden voor het overtreden van de opium- en wapenwet.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/580144-07

Uitspraak d.d.: 30 oktober 2007

Tegenspraak/ dip - oip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [geboortedatum] 1984,

wonende te [plaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring te Zutphen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 oktober 2007.

Ter terechtzitting gegeven beslissing

Het namens verdachte gedane verzoek tot onmiddellijke invrijheidsstelling is afgewezen.

Aankondiging ontnemingsvordering

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie conform artikel 311, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering het voornemen kenbaar gemaakt in een later stadium een afzonderlijke ontnemingsvordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 20 april 2007

in de gemeente Apeldoorn en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen,

althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of

verwerkt en/of vervoerd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan

[naam A] en/of [naam B] en/of [naam C] en/of [naam D] en/of

[naam E] en/of [naam F] en/of [naam G] en/of [naam H] en/of

één of meer andere perso(o)n(en),in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig

heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne

(diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in de periode van 19 april 2007 tot en met 20 april 2007 in de gemeente

Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer:

- 51,6 gram heroïne, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende

heroïne (diacetylmorfine) en/of

- 1,8 gram cocaïne, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende

cocaïne,

zijnde heroïne en/of cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 20 april 2007 in de gemeente Apeldoorn,

voorhanden heeft gehad 50 (kogel)patronen (kaliber 9 mm, merk Dynamit Nobel,

type Action 3), in elk geval munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie

van categorie III;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

4.

hij op of omstreeks 20 april 2007 in de gemeente Apeldoorn

een wapen van categorie I onder 7°, te weten een imitatiepistool, zijnde een

voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende

gelijkenis vertoonde met een vuurwapen (te weten een pistool merk Walther,

model P99), voorhanden heeft gehad;

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in de periode van 01 december 2006 tot en met 20 april 2007

in de gemeente Apeldoorn en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, (telkens) opzettelijk heeft bewerkt

en/of verwerkt en/of vervoerd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan

[naam A] en/of [naam B] en/of [naam C] en/of [naam D] en/of

[naam E] en/of [naam F] en/of [naam G] en/of [naam H] en/of

één of meer andere personen, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne

(diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde heroïne en/of cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I.

2.

hij in de periode van 19 april 2007 tot en met 20 april 2007 in de gemeente

Apeldoorn, tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer:

- 51,6 gram heroïne en

- 1,8 gram cocaïne,

zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I.

3.

hij op 20 april 2007 in de gemeente Apeldoorn,

voorhanden heeft gehad 50 kogelpatronen (kaliber 9 mm, merk Dynamit Nobel,

type Action 3), in elk geval munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie

van categorie III;

4.

hij op 20 april 2007 in de gemeente Apeldoorn

een wapen van categorie I onder 7°, te weten een imitatiepistool, zijnde een

voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende

gelijkenis vertoonde met een vuurwapen (te weten een pistool merk Walther,

model P99), voorhanden heeft gehad.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten las¬te gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat met betrekking tot feit 2

niet zonder meer vaststaat op basis van de in het dossier aanwezige stukken dat er sprake is van heroïne en/of cocaïne, zodat verdachte vrij dient te worden gesproken van feit 2.

Bewezenverklaard is dat de verdachte handelde in heroïne en cocaïne. Verdachte heeft niet bestreden dat de “bolletjes”, die in zijn auto in zijn jas zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen, daar door hem zijn achtergelaten en voor de handel bestemd waren.

Weliswaar heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij niet zeker wist of deze “bolletjes” heroïne en cocaïne bevatten, omdat ze afkomstig waren van een nieuwe dealer, maar niet aannemelijk is geworden dat de onderhavige bolletjes geen heroïne of cocaïne bevatten. Aan het NFI zijn monsters ingezonden op naam van verdachte. Onder de naam van verdachte zijn geen andere monsters ingezonden naar het NFI. Het moge juist zijn dat geen SVO-nummer vermeld is bij het aan het NFI ingezonden materiaal, de naam van verdachte was echter wel vermeld. Nu van enige identiteitstwijfel geen sprake is, moet onder deze omstandigheden geconcludeerd worden, dat het door het NFI geteste materiaal afkomstig was van de onder de verdachte in beslag genomen “bolletjes”. Het feit dat de door het NFI geteste hoeveelheden niet corresponderen met de hoeveelheid “bolletjes”die in beslag genomen is, doet daar niet aan af, nu bekend is dat het NFI nooit hele partijen onderzoekt. Daarbij komt dat ook de uitgevoerde narcotest heeft geleid tot de voorlopige conclusie dat de “bolletjes”heroïne en cocaïne bevatten.

De raadsman van verdachte heeft tevens aangevoerd dat er met betrekking tot de feiten 2 en 3 in het vooronderzoek een aantal vormen is verzuimd, hetgeen tot toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dient te leiden.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende:

De officier van justitie heeft op 20 april 2007 ter zake van een doorzoeking bij verdachte een mondelinge vordering gedaan en toegelicht. Deze vordering is op 23 april 2007 schriftelijk ingediend bij de rechter-commissaris. Daartoe heeft de officier van justitie een proces-verbaal van de recherche Apeldoorn overgelegd. Op 24 april 2007 heeft de rechter-commissaris de officier van justitie gemachtigd overeenkomstig de vordering. In de machtiging is vermeld dat het een spoedzoeking betreft in verband met een schietincident, en is ook vermeld waarom het optreden van de rechter-commissaris en de officier van justitie niet kon worden afgewacht.

Op grond van deze gegevens kan gesteld worden dat de doorzoeking rechtmatig heeft plaatsgevonden en er van enig vormverzuim geen sprake is.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de

Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

3. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie;

4. handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank aan verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek van het voorarrest.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank aan verdachte zal opleggen een gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de periode van het voorarrest alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden – dat verdachte zich op grote schaal heeft bezig gehouden met de handel in drugs door met grote regelmaat drugs af te leveren.

De rechtbank neemt eveneens in aanmerking dat stoffen als cocaïne en heroïne, naar algemeen bekend is, een aanzienlijk gevaar voor de volksgezondheid opleveren.

De rechtbank is van oordeel dat de handel van verdovende middelen met kracht bestreden dient te worden. Verdachte heeft hierin een grote rol gespeeld en heeft op die manier bijgedragen aan de met de handel gepaard gaande instandhouding van de verslaving van drugsverslaafden in de gemeente Apeldoorn en omgeving.

De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur op zijn plaats is. Nu verdachte echter niet eerder is veroordeeld ter zake van opiumdelicten

zal de rechtbank een deel voorwaardelijk opleggen.

In beslag genomen voorwerpen

De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

1 1.00 STK Personenauto [kenteken] VOLKSWAGEN GOLF Kl:ROOD

2 1.00 STK Telefoontoestel Kl:blauw SAMSUNG SGHX520 voorzien van nummer

[nummer]

3 1.00 STK Telefoontoestel Kl:blauw NOKIA 3100

4 1.00 STK Telefoontoestel Kl:zwart NOKIA 2610 telefoonnummer [nummer]

5 1.00 STK Telefoontoestel Kl:wit NOKIA 1600 telefoonnummer [nummer]

In beslag genomen voorwerpen

De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, nu deze bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven werden aangetroffen en deze aan verdachte toebehorende

voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, terwijl deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

6 1.00 STK Pistool Kl: zwart WALTHER P99 namaak wapen

7 50.00 STK Patroon 9MM 50 stuks volmantel patronen 9MM

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 33, 33a, 36c, 36d, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 13, 26, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorge¬bracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1 1.00 STK Personenauto [kenteken] VOLKSWAGEN GOLF Kl:ROOD

2 1.00 STK Telefoontoestel Kl:blauw SAMSUNG SGHX520 voorzien van nummer

[nummer]

3 1.00 STK Telefoontoestel Kl:blauw NOKIA 3100

4 1.00 STK Telefoontoestel Kl:zwart NOKIA 2610 telefoonnummer [nummer]

5 1.00 STK Telefoontoestel Kl:wit NOKIA 1600 telefoonnummer [nummer]

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

6 1.00 STK Pistool Kl:zwart WALTHER P99 namaak wapen

7 50.00 STK Patroon 9MM 50 stuks volmantel patronen 9MM.

Aldus gewezen door mr. Van Harreveld, voorzitter, mr. Van der Mei en mr. Gilhuis, rechters, in tegenwoordigheid van Van Aalst, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 oktober 2007.