Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BB6557

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
26-10-2007
Datum publicatie
26-10-2007
Zaaknummer
06/557770-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een werkstraf van 80 uren, bij niet verrichten te vervangen door 40 dagen vervangende hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank heeft in haar strafmaat meegewogen het onomkeerbare gevolg van het ongeval en het blijvende leed bij de nabestaanden van het overleden slachtoffer. Anderzijds heeft zij meegewogen dat de nabestaanden van het slachtoffer de verdachte het ongeval niet verwijten. De verdachte is daarnaast nog niet eerder met politie en justitie in aanraking geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/557770-07

Uitspraak d.d.: 26 oktober 2007

Tegenspraak/ dip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats en datum],

wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 oktober 2007.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 maart 2007 te Varsseveld, althans in de gemeente Oude IJsselstreek, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (zijnde een personenauto), daarmede rijdende op het erf van een perceel aan de Entinkweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

immers heeft hij, verdachte,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

bij het achteruit rijden (in de richting van de woning van het perceel), nagelaten om te vergewissen dat het erf, althans de weg, vrij was van personen en/of voertuigen,

immers heeft hij bij het achteruit rijden niet, althans onvoldoende en/of niet tijdig in de spiegels gekeken, en/of niet, althans onvoldoende, over zijn, verdachtes, schouder, althans achterom, gekeken, en/of [slachtoffer], die zich tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en/of een stilstaande landbouwtractor bevond, en voornoemde landbouwtractor niet waargenomen,

waarbij en/of waardoor een aanrijding/botsing heeft plaatsgevonden tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en [slachtoffer] en/of voornoemde landbouwtractor, waarbij [slachtoffer] klem kwam te zitten tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en voornoemde landbouwtractor,

waardoor [slachtoffer] is overleden, althans zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, te weten een ingedrukte borstkas en/of een bekneld hart en/of verbrijzelde ribben;

art 175 lid 1 afh/ond a Wegenverkeerswet 1994

art 6 Wegenverkeerswet 1994

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 27 maart 2007 te Varsseveld, althans in de gemeente Oude IJsselstreek, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee heeft gereden op de Entinkweg, althans enige weg,

waarbij hij, verdachte,

bij het achteruit rijden (in de richting van de woning van het perceel), heeft nagelaten om te vergewissen dat het erf, althans de weg, vrij was van personen en/of voertuigen,

immers heeft hij bij het achteruit rijden niet, althans onvoldoende en/of niet tijdig in de spiegels gekeken, en/of niet, althans onvoldoende, over zijn, verdachtes, schouder, althans achterom, gekeken, en/of [slachtoffer], die zich tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en/of een stilstaande landbouwtractor bevond, en voornoemde landbouwtractor niet waargenomen,

waarbij en/of waardoor een aanrijding/botsing heeft plaatsgevonden tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en [slachtoffer] en/of voornoemde landbouwtractor, waarbij [slachtoffer] klem kwam te zitten tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en voornoemde landbouwtractor,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmotivering en bewezenverklaring

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder primair ten laste gelegde.

De verdediging heeft betoogd dat geen sprake was van een voor het verkeer openstaande weg in de zin van artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994. De plek van het ongeval is te beschouwen als een eigen pad tussen twee schuren. Er kan niet van gezegd worden dat eenieder recht heeft op gebruik van het pad.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende: Uit het proces-verbaal blijkt dat er wel sprake is van een voor het openbaar openstaande weg, nu de weg op het erf niet is afgesloten middels hekken/poorten/slagbomen/omheiningen dan wel borden overeenkomstig artikel 461.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende redenen zijn om schuld, als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 aan te nemen. Verdachte reed stapvoets achteruit. Op de plek waar op dat moment de tractor stond, stond anders nooit enig object en de verdachte was tevens in de veronderstelling dat [slachtoffer] al in zijn woning zou zijn.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer en overweegt daartoe het volgende: Het is eenieder die deelneemt aan het verkeer geboden om zich oplettend en voorzichtig te gedragen. De aanname dat er zich op een bepaalde plek nooit objecten bevinden, dan wel dat een persoon zich niet op een bepaalde plek hoort te bevinden, is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om zich niet op de juiste manier te vergewissen of de weg vrij was, alvorens die weg in te rijden.

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 27 maart 2007 te Varsseveld, althans in de gemeente Oude IJsselstreek, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (zijnde een personenauto), daarmede rijdende op het erf van een perceel aan de Entinkweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

immers heeft hij, verdachte,

aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,

bij het achteruit rijden (in de richting van de woning van het perceel), nagelaten om te vergewissen dat het erf, vrij was van personen en voertuigen,

immers heeft hij bij het achteruit rijden onvoldoende in de spiegels gekeken, en niet over zijn, verdachtes, schouder, gekeken en [slachtoffer], die zich tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en een stilstaande landbouwtractor, niet waargenomen,

waardoor een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en [slachtoffer] en voornoemde landbouwtractor, waarbij [slachtoffer] klem kwam te zitten tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en voornoemde landbouwtractor,

waardoor [slachtoffer] is overleden.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, te weten: een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 82 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, ten aanzien het onder primair ten laste gelegde.

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen is bewezenverklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank een taakstraf als na te melden op zijn plaats. Deze taakstraf zal moeten worden verricht op een projectplaats als opgenomen in de door de Stichting Reclassering Nederland gehanteerde lijst van projectplaatsen.

De rechtbank heeft bij haar straftoemeting in het bijzonder in aanmerking dat door de handelwijze van verdachte – waarbij hij zich niet voldoende heeft vergewist of de weg vrij was, alvorens met zijn auto achter uit te rijden, met alle gevolgen van dien – een ongeval heeft plaatsgevonden, tengevolge waarvan een ander ([slachtoffer]) is komen te overlijden.

Anderzijds heeft de rechtbank meegewogen dat de nabestaanden van [slachtoffer] de verdachte het ongeval niet verwijten. De verdachte is daarnaast nog niet eerder met politie en justitie in aanraking geweest.

De rechtbank acht voorts een deels voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op zijn plaats is, teneinde de verdachte in te scherpen oplettend en voorzichtig aan het verkeer deel te nemen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op van artikel 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte onder primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

- een werkstraf gedurende 80 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen.

Ontzegt verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden.

Bepaalt, dat deze van deze bijkomende straf een gedeelte groot 8 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mr. Buijs, voorzitter, en mrs. Kuiken en Eijkelestam, rechters, in tegenwoordigheid van Damink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 oktober 2007.