Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BB6438

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
24-10-2007
Zaaknummer
88818 - KG ZA 07-283
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiseres wil dat gedaagde panden verlaat. Zowel als woon- als werkruimte.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2007/243 met annotatie van HF
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 88818 / KG ZA 07-283

Vonnis in kort geding van 17 oktober 2007

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Zutphen,

eiseres,

procureur mr. J.J. van der Woude,

tegen

[gedaagde],

wonende te Zutphen,

gedaagde,

procureur mr. J.H. van den Sigtenhorst.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling,

- de pleitnota van [eiseres].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn in 1969 met elkaar gehuwd. Het huwelijk is in 1970 door echtscheiding ontbonden.

2.2. [eiseres] is huurder van het pand aan de [adres pand eiseres] te Zutphen. Dit pand bestaat uit een woon- en een bedrijfsruimte.

2.3. [gedaagde] is huurder van het pand aan de [adres pand gedaagde] te Zutphen. In dit pand bevindt zich, naast woonruimte, ook een winkelruimte en een atelier. [eiseres] gebruikt sinds lange tijd de winkelruimte en het atelier in het kader van haar beroep van zilversmit/juwelier.

2.4. De panden aan de [adres pand eiseres] en de [adres pand gedaagde] liggen tegen elkaar aan en zijn door een deur met elkaar verbonden.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. zal bepalen dat [eiseres] bij uitsluiting van [gedaagde] gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de panden [adres pand gedaagde] en [adres pand eiseres] te Zutphen en [gedaagde] wordt bevolen die woningen te verlaten en deze niet meer te betreden, behoudens voorafgaande toestemming van [eiseres], zulks binnen een termijn van één week na betekening van het vonnis, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, op straffe van een dwangsom van EUR 100,00 per dag, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag, dat [gedaagde] nalatig blijft de panden te verlaten;

2. [eiseres] bevoegd zal verklaren indien [gedaagde] geen gehoor geeft aan het vonnis, zij middels de sterke arm hem uit de panden kan laten verwijderen;

3. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiseres] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij een groter belang heeft dan [gedaagde] bij het gebruik van de panden aan de [adres pand gedaagde] en de [adres pand eiseres] te Zutphen (hierna: de panden). [eiseres] voert hiertoe aan dat zij, om in haar levensonderhoud te voorzien, aangewezen is op haar atelier en winkel in het pand aan de [adres pand gedaagde] te Zutphen en dat [gedaagde] daarentegen voor de uitoefening van zijn beroep van kunstschilder niet is aangewezen op een specifieke ruimte. Er is sprake van een gezamenlijk huurrecht op de panden, aldus [eiseres]. [eiseres] acht een verdeling van de panden geen optie, gezien het gedrag van [gedaagde] ten opzichte van haar en anderen. Volgens [eiseres] dient de belangenafweging in haar voordeel uit te vallen en dient zij met uitsluiting van [gedaagde] gerechtigd te zijn tot het gebruik van de panden.

4.2. Vaststaat dat de huurovereenkomst betreffende het pand aan de [adres pand eiseres] op naam van [eiseres] en de huurovereenkomst betreffende het pand aan de [adres pand gedaagde] op naam van [gedaagde] staat. De panden betreffen zelfstandige woon- en bedrijfsruimten, die door een deur met elkaar verbonden zijn. Niet gesteld of gebleken is dat de woningen door de verhuurder aan partijen gezamenlijk zijn toegewezen, noch dat de verhuurder op gezamenlijk verzoek van partijen toestemming heeft gegeven voor medehuur. Dat [eiseres] het atelier en de winkel aan de [adres pand gedaagde] gebruikt in de uitoefening van haar beroep, wil niet zonder meer zeggen dat zij medehuurder is van dat pand. Op grond van het voorgaande is onvoldoende aannemelijk geworden dat partijen een gezamenlijk huurrecht op de panden hebben.

4.3. Nu niet gebleken is van een gezamenlijk huurrecht op de panden, heeft [eiseres] geen belang meer bij toewijzing van haar vordering betreffende de [adres pand eiseres], aangezien zij enig huurder is van dit pand en zij in die hoedanigheid [gedaagde] toegang tot dit pand kan ontzeggen.

4.4. De vordering van [eiseres] tot veroordeling van [gedaagde] om het pand aan de [adres pand gedaagde] te verlaten en te bepalen dat [eiseres] met uitsluiting van [gedaagde] gerechtigd is tot gebruik van dit pand is evenmin toewijsbaar, nu [gedaagde] huurder is van dit pand, niet is gebleken dat [gedaagde] niet aan zijn verplichtingen als huurder voldoet en de gestelde overlast onvoldoende aannemelijk is geworden. Vaststaat dat de huur van het pand aan de [adres pand gedaagde] van de rekening van [gedaagde] wordt betaald. De stelling van [eiseres], dat het zij het geld voor de huur op de rekening van [gedaagde] stortte en de huur derhalve door haar werd voldaan, is door [eiseres] na gemotiveerde betwisting door [gedaagde] niet nader onderbouwd. De door [eiseres] overgelegde processen-verbaal van aangifte van bedreiging door [gedaagde] leveren onvoldoende overtuigend bewijs voor de gestelde overlast, temeer nu [gedaagde] heeft weersproken dat er sprake is geweest van bedreiging of andere overlast veroorzakende gedragingen. Bovendien is niet gebleken dat de verhuurder naar aanleiding van een door [eiseres] aan hem gestuurde brief enige actie zal ondernemen aangaande de gestelde overlast.

4.5. [eiseres] heeft gesteld dat zij, nu haar winkel in het pand aan de [adres pand gedaagde] gesloten is, verstoken blijft van – voor haar levensonderhoud noodzakelijke - inkomsten uit de winkel. [gedaagde] heeft betwist dat [eiseres] veel inkomsten uit de winkel heeft.

Vast staat dat [eiseres] reeds jaren gebruik maakt van het atelier en de winkelruimte in het pand aan de [adres pand gedaagde]. [eiseres] ontvangt thans een uitkering voor zelfstandigen, omdat haar winkel vanwege het geschil met [gedaagde] sinds enige tijd gesloten is. Voldoende aannemelijk is geworden dat [eiseres] om in haar eigen levensonderhoud te voorzien afhankelijk is van het gebruik van het atelier en de winkelruimte aan de [adres pand gedaagde]. Hoewel [gedaagde] enig huurder is van dit pand, dient hij [eiseres] toegang te verlenen tot de winkelruimte en het atelier, zodat zij haar winkel kan houden en in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De vordering van [eiseres] tot het verkrijgen van het gebruik van de winkelruimte en het atelier aan de [adres pand gedaagde] zal dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat [gedaagde] de toegang tot genoemde ruimten niet volledig kan worden ontzegd, nu hij huurder van het pand is. Het vorenstaande brengt overigens niet met zich dat [eiseres] – behoudens toestemming van [gedaagde] - gerechtigd is het woongedeelte van [gedaagde] te betreden.

4.6. Aan de gevorderde dwangsom zal een maximum worden gesteld. Het bedrag van zowel de dwangsom als het maximum staat in een redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde prikkelende werking van de dwangsomoplegging.

4.7. Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij met de eigen kosten belast blijft.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. bepaalt dat [eiseres] gerechtigd is tot het gebruik van de winkelruimte en het atelier in het pand aan de [adres pand gedaagde] te Zutphen;

5.2. bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag dat hij in strijd handelt met het onder 5.1. bepaalde, door [eiseres] de toegang tot de winkelruimte en het atelier aan de [adres pand gedaagde] te Zutphen te weigeren, aan [eiseres] een dwangsom verbeurt van EUR 100,00, tot een maximum van EUR 5.000,00,

5.3. machtigt [eiseres], indien [gedaagde] haar de toegang tot de winkelruimte en het atelier aan de [adres pand gedaagde] te Zutphen weigert, om zich met behulp van de sterke arm van justitie en politie toegang te verschaffen tot de winkelruimte en het atelier;

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.A.G. van Valderen en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2007.?