Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BB6156

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
19-10-2007
Datum publicatie
22-10-2007
Zaaknummer
07/42 GEMWT, 07/357 WOW44 en 07/427 WOW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank verklaart beroepen van eiser en eiseres op bestreden besluit van de gemeente Apeldoorn omtrent binnenplanse vrijstelling voor het gebruik van een gedeelte van pand als kantoorruimte en bouwvergunning voor aanpassingen aan het pand ten behoeve van dat gebruik gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: 07/42 GEMWT, 07/357 WOW44 en 07/427 WOW44

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]

te Apeldoorn,

eiser,

Vereniging “De Parken”,

statutair gevestigd te Apeldoorn,

eiseres,

en

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Apeldoorn

verweerder,

[naam],

te Apeldoorn,

derde-partij.

1. Bestreden besluiten

Besluiten van verweerder van 27 november 2006 en 26 januari 2007.

2. Feiten

De derde-partij is eigenaar van het perceel [adres] te Apeldoorn, kadastraal bekend gemeente [kadastrale gegevens].

Bij besluit van 6 april 2006 heeft verweerder binnenplanse vrijstelling verleend voor het gebruik van een gedeelte van het op genoemd perceel aanwezige pand als kantoorruimte en bouwvergunning voor aanpassingen aan het pand ten behoeve van dat gebruik, een en ander conform de bouwaanvraag van de derde-partij van 9 maart 2006.

Eiser en eiseres hebben afzonderlijk van elkaar bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij afzonderlijke, thans bestreden besluiten van 26 januari 2007 heeft verweerder deze bezwaren ongegrond verklaard.

Eiser heeft verweerder voorts op 10 mei 2006 verzocht om handhavend op te treden tegen het volgens hem met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het pand. Bij besluit van 4 september 2006 heeft verweerder afwijzend beslist op dit verzoek.

Tegen dit besluit heeft eiser op 14 september 2006 bezwaar gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit van 27 november 2006 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

3. Procesverloop

Eiser heeft tegen het besluit van 27 november 2006 beroep ingesteld op de in het beroepschrift van 4 januari 2007 vermelde gronden. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 07/42 GEMWT.

Tegen het aan eiser gerichte besluit van 26 januari 2007 heeft mr. W. Kattouw, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, namens eiser beroep ingesteld op de in het aanvullend beroepschrift van 10 april 2007 vermelde gronden. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 07/375 WOW44.

Namens eiseres heeft haar secretaris [naam] tegen het aan eiseres gerichte besluit van 26 januari 2007 beroep ingesteld op de in het beroepschrift van 9 maart 2007 en het aanvullende beroepschrift van 10 mei 2007 vermelde gronden. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 07/427 WOW44.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken en verweerschriften ingezonden.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 13 juli 2007, waar eiser in persoon is verschenen, (in het beroep tegen het besluit van 26 januari 2007) bijgestaan door mr. W. Kattouw voornoemd. Eiseres is eveneens verschenen, vertegenwoordigd door [naam] voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door G.L. ter Brugge. De derde-partij is niet verschenen.

4. Motivering

T.a.v. de bestreden besluiten van 26 januari 2007

Het perceel [adres] ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan ‘De Parken’ en heeft daarin de bestemming ‘overwegend wonen’.

Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, van de bij dit plan behorende voorschriften, voor zover hier van belang, zijn gronden met deze bestemming, bestemd voor woondoeleinden met bijbehorende voorzieningen waaronder in elk geval worden verstaan nutsvoorzieningen, tuinen, groenvoorzieningen, water en verkeers- en parkeervoorzieningen.

Ingevolge artikel 3.2, tiende lid, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen teneinde een kantoor of praktijk met maximaal 100 m² bruto bedrijfsvloeroppervlak toe te staan, mits:

minimaal 40% van de begane grond van het hoofdgebouw alsmede tenminste 150 m² brutovloeroppervlak van het totale pand voor wonen in gebruik blijft;

de bebouwing niet ongeschikt wordt gemaakt voor hervatting van de woonfunctie;

voldaan wordt aan de in artikel 2 vermelde beschrijving in hoofdlijnen (lid 2.4a, 2.5 t/m 2.10, 4.3 en 6a).

Artikel 2, vierde lid, van de planvoorschriften (functionele karakteristiek) luidt:

“4.1. Voor het gehele plangebied is uitgangspunt dat een onevenredige toename van belasting van het woon- en leefklimaat wordt vermeden.

4.2. Voor het gehele plangebied wordt – binnen het kader van de ruimtelijke

karakteristiek – behoud en zo mogelijk versterking van de woonfunctie nagestreefd. Uitzonderingen worden gevormd door:

- de van oudsher in het gebied aanwezige en duurzaam te handhaven onderwijsvoorzieningen;

- het karakteristieke winkel/woongebied aan de Koninginnelaan waar slechts behoud van de bestaande woonfunctie wordt nagestreefd;

- het huis Marialust (maatschappelijke doeleinden en kantoor);

- de bestaande bedrijven, welke alle worden gehandhaafd.

4.3. Dit betekent voor de bestemming ‘overwegend wonen’ dat:

- in alle panden de woonfunctie is toegestaan;

- gestreefd wordt naar vermindering van het aantal panden dat thans geen woonfunctie heeft;

- geen verdere teruggang van de woonfunctie wordt toegestaan rond het Oranjepark, de Deventerstraat, Regentesselaan (tussen Oranjepark en Deventerstraat), Kerklaan en Paslaan;

- andere grote panden voor een ondergeschikt deel een aan de betreffende woning gelieerde niet-woonfunctie mogen krijgen;

(…).”

Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden gronden en opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het bestemmingsplan aan de grond gegeven bestemming en met de in de bestemmingsplanvoorschriften gegeven gebruiksbepaling.

Vast staat en geen punt van geschil is dat sprake is van strijd met het bestemmingsplan, omdat de bestemming ‘overwegend wonen’ thans in de weg staat aan het (gedeeltelijke) gebruik van het pand als kantoor.

Verweerder heeft vrijstelling verleend op grond van artikel 3.2, tiende lid, van de planvoorschriften en heeft dit besluit in bezwaar gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat bij toetsing van het bouwplan aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de bouwaanvraag en de daarbij behorende tekening(en). Daaruit blijkt volgens verweerder dat – kort gezegd – wordt voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling genoemd in artikel 3.2, tiende lid van de planvoorschriften.

In beroep is onder meer betoogd dat het pand door de derde-partij uitsluitend als kantoor gebruikt zal worden, althans dat de woonfunctie van het pand niet in overwegende mate wordt gehandhaafd, en dat om die reden de vrijstelling en bouwvergunning niet hadden mogen worden verleend. Eisers hebben in dit verband aangevoerd dat verweerder ten onrechte uitsluitend is afgegaan op de gegevens die de derde-partij als aanvrager van de bouwvergunning heeft verschaft, terwijl concrete aanwijzingen bestonden dat de bouwaanvraag de bedoelingen van de derde-partij niet juist en onvolledig weergaf.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts moet worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar ook of het bouwwerk met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Er is sprake van strijd met de bestemming, indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Naar het oordeel van de rechtbank geldt het voorgaande onverkort in een geval als dit, waarbij het gaat om een verzoek om vrijstelling ten behoeve van een met het bestemmingsplan strijdig gebruik en bouwvergunning ten behoeve van dat gebruik. Anders dan verweerder heeft gesteld is derhalve niet slechts de aanvraag bepalend, maar dienen in voorkomend geval concrete aanwijzingen die duiden op een daarvan afwijkend beoogd gebruik, in de beoordeling van de aanvraag te worden betrokken.

Met eisers is de rechtbank van oordeel dat er concrete aanwijzingen in de hiervoor besproken zin voorhanden waren.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat op het aanvraagformulier bouwvergunning door de derde-partij als bestemming van het bouwwerk na voltooiing van het bouwplan slechts ‘kantoor’ is aangegeven. De woonfunctie is daarbij in het geheel niet genoemd. Voorts staat op de bij de aanvraag behorende tekening op de begane grond een uitbouw als privé ruimte aangegeven, terwijl deze ruimte slechts bereikbaar is via de kantoorruimte. Een dergelijke indeling van de ruimte roept vragen op over de praktische bruikbaarheid van het pand als woning. Daar komt bij dat uit de indeling van de bovenverdieping en zolder evenmin valt op te maken dat het pand werkelijk als woning gebruikt zal gaan worden. Voorts is sprake van een eveneens bij de aanvraag behorende tekening waarop zeven parkeerplaatsen zijn ingetekend, terwijl door de derde-partij is gesteld dat het bedrijf geen bezoekersfunctie zal hebben.

Voorts heeft eiser in zijn zienswijze van 27 maart 2006 verweerder erop gewezen dat het bedrijf van de derde-partij, [bedrijf], een bedrijf met 6 of meer werknemers betreft. Bij die gelegenheid heeft eiser verweerder eveneens attent gemaakt op een op de website van het bedrijf gepubliceerd verhuisbericht, waarin wordt aangekondigd dat het bedrijf in de komende jaren in het pand aan de [adres] wenst door te groeien. In het verhuisbericht staat tevens vermeld dat in het pand een eigen verdieping zal worden gecreëerd voor de accountgroep, studio, traffic en het secretariaat, hetgeen zich moeilijk laat rijmen met de bij de aanvraag ingediende tekening, waar op de verdieping ruimte is gereserveerd voor slaapkamers. Ten slotte laat de rechtbank meewegen dat uit een door verweerder uitgevoerde controle van het pand op 1 september 2006 is gebleken dat het feitelijke situatie afweek van hetgeen in de aanvraag is gepresenteerd en dat van feitelijke bewoning geen sprake is, terwijl wel sprake is van het gebruik als kantoor.

Naar het oordeel van de rechtbank was gezien het voorgaande in elk geval ten tijde van de beslissingen op bezwaar redelijkerwijs aannemelijk dat sprake was van een van de aanvraag afwijkend beoogd gebruik, waarbij – kort gezegd – niet gesproken kan worden van het in overwegende mate handhaven van de woonfunctie en waarbij (derhalve) niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.2, tiende lid, van de planvoorschriften.

Gelet hierop kon verweerder derhalve geen vrijstelling verlenen en had deze en de gevraagde bouwvergunning moeten worden geweigerd.

Het bestreden besluit kan dan ook niet in stand blijven. De overige grieven behoeven daarom geen bespreking meer. Om die reden wordt niet toegekomen aan het tussen partijen bestaande verschil van mening betreffende de uitleg van het begrip bruto bedrijfsoppervlakte van artikel 3.2, tiende lid, van de planvoorschriften. De rechtbank hecht er echter aan in dit verband op te merken dat, anders dan verweerder heeft aangenomen, gelet op de definitie van brutobedrijfsoppervlakte in artikel 1.2, onder g, van de bestemmingsplanbepalingen, verkeersruimten geheel in aanmerking dienen te worden genomen bij het bepalen van het brutovloeroppervlak van de kantoorruimte.

De rechtbank ziet in het vorenoverwogene aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tegen het bestreden besluit van 26 januari 2007 heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrechtspraak kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toe, waarbij wegingsfactor 1 wordt gehanteerd. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten aan de kant van eiseres is de rechtbank niet gebleken.

T.a.v. het bestreden besluit van 27 november 2006

Voorts ligt ter beoordeling van de rechtbank of verweerder op goede gronden heeft geweigerd om handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van een kantoor in het pand.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld niet bevoegd te zijn om handhavend op te treden omdat van een overtreding geen sprake is.

De rechtbank kan dit standpunt van verweerder niet volgen. Zoals hiervoor is overwogen was het gebruik dat de derde-partij ten tijde van het bestreden besluit maakte van het pand niet in overeenstemming met de bestemming, noch met de door verweerder verleende vrijstelling en bouwvergunning. Verweerder heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld niet bevoegd te zijn handhavend op te treden.

Verweerder heeft mitsdien op onjuiste gronden de weigering om handhavend op te treden in stand gelaten. Gelet hierop is het beroep van eiser gegrond en komt het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking.

Niet is gebleken dat eiser in deze beroepsprocedure voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt.

5. Beslissing

De rechtbank:

Inzake 07/357 WOW44 en 07/427 WOW44

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 26 januari 2007;

- draagt verweerder op met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van eiser en eiseres;

- bepaalt dat verweerders gemeente het betaalde griffierecht van € 141,- aan eiser vergoedt;

- bepaalt dat verweerders gemeente het betaalde griffierecht van € 281,- aan eiseres vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,-, te betalen door verweerders gemeente.

Inzake 07/42 GEMWT

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 27 november 2006;

- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser;

- bepaalt dat verweerders gemeente het betaalde griffierecht van € 141,- aan eiser vergoedt.

Aldus gegeven door mr. E.G. de Jong, voorzitter, mr. J.W.A. Fleuren en mr. J.H. van Breda, leden en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.