Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BB6033

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
19-10-2007
Datum publicatie
19-10-2007
Zaaknummer
06/460298-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een voormalige docent van het Dalton college veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenistraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar met reclasseringstoezicht en tot een taakstraf van 240 uren. Daarnaast mag de docent gedurende twee jaren zijn beroep niet uitoefenen en moet hij aan twee minderjarige meisjes een schadevergoeding betalen.

De rechtbank acht bewezen dat de docent met de meisjes van 13 en 14 jaar meermalen ontucht heeft gepleegd. Ook stuurde hij seksueel getinte sms-jes naar de meisjes, in een poging tot verleiding tot seksueel gedrag. Hem wordt zwaar aangerekend dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn vertrouwenpositie als leraar. Aan de andere kant heeft de rechtbank bij de bepaling van de straf rekening gehouden met de verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid, het feit dat hij nog nooit in aanraking is geweest met de politie en de omstandigheid dat hij in verband met deze feiten ontslag heeft gekregen.. .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460298-07

Uitspraak d.d.: 19 oktober 2007

Tegenspraak/ dip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [geboortedatum],

wonende te [postcode, plaats], [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 september 2007.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 maart 2007 tot en met 19 mei 2007 in de gemeente Zutphen en/of Berkelland (Ruurlo) en/of elders in Nederland, terwijl hij als teamleider werkzaam was op het Stedelijk Dalton College te Zutphen, (meermalen) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige(n)

[slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] en scholiere op voornoemde school,

en/of [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] en scholiere op voornoemde school,

welke ontucht bestond uit:

- het (telkens) over en/of onder de kleding betasten van de borsten van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

- het (telkens) over en/of onder de kleding betasten van de billen van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

- het (telkens) zoenen (op de mond) van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

- het (telkens) over en/of onder de kleding betasten van de schaamstreek en/of aanraken van de vagina van [slachtoffer 2] en/of

- het (eenmaal) leggen van de hand van [slachtoffer 2] op zijn broek ter hoogte van zijn penis;

artikel 249, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op tijdstippen in/of omstreeks de periode van 12 maart 2007 tot en met 19 mei 2007 in de gemeente Zutphen en/of Berkelland (Ruurlo) en/of elders in Nederland, (meermalen) met [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, buiten echt, (telkens) ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit:

- het (telkens) over en/of onder de kleding betasten van de borsten van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

- het (telkens) over en/of onder de kleding betasten van de billen van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

- het (telkens) zoenen (op de mond) van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

- het (telkens) over en/of onder de kleding betasten van de schaamstreek en/of aanraken van de vagina van [slachtoffer 2] en/of

- het (eenmaal) leggen van de hand van [slachtoffer 2] op zijn broek ter hoogte van zijn penis;

art 247 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 maart 2007 tot en met 19 mei 2007 in de gemeente Zutphen en/of de gemeente Berkelland en/of elders in Nederland, terwijl hij werkzaam was bij het Stedelijk Dalton College te Zutphen, het voornemen heeft gehad en heeft gepoogd om door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding,

[slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] en scholiere op voornoemde school en/of

[slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] en scholiere op voornoemde school,

en van wie verdachte wist dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt en met wie verdachte als werknemer van voornoemde school een vertrouwensband had opgebouwd,

(telkens) opzettelijk te bewegen tot het plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen,

te weten het zich laten bevredigen (klaarkomen) en/of het zich laten aftrekken en/of laten betasten van zijn penis,

welke poging tot verleiding (als bedoeld in artikel 248A van het Wetboek van Strafrecht) hieruit heeft bestaan, dat hij,

(telkens) SMS-berichten heeft verzonden aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] met (telkens) seksueel getinte/beladen verzoeken en/of inhoud, gericht op het zich laten bevredigen (klaarkomen) en/of het zich laten aftrekken en/of laten betasten van zijn penis door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2],

terwijl deze pogingen tot verleiding niet zijn voltooid;

artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht

art 248a Wetboek van Strafrecht

Taal en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmotivering en bewezenverklaring

1. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 en 2.

De officier van justitie heeft daarbij gewezen op de (deels) bekennende verklaring van de verdachte, welke hij bij de politie en tevens ter terechtzitting heeft afgelegd. Daarnaast wijst de officier van justitie op de zeer duidelijke en consequente verklaringen van beide slachtoffers en de inhoud van de sms’jes welke verdachte aan de slachtoffers zond.

2. De raadsman heeft gedeeltelijke vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde bepleit. Volgens de verdediging is geen sprake geweest van het betasten van de schaamstreek en/of vagina van [slachtoffer 2]. Daarnaast betwist de verdachte ook dat hij de hand van [slachtoffer 2] op zijn broek ter hoogte van zijn penis heeft gelegd.

De raadsman heeft tevens vrijspraak bepleit voor het onder 2 ten laste gelegde, omdat er volgens de verdachte geen sprake was van misbruik van zijn overwicht op de aangeef¬sters. Volgens de verdediging zijn door verdachte tot aangeefsters geen seksuele verzoe¬ken gericht en is ook overigens geen sprake geweest van pogingen om aangeefsters op seksueel gebied te verleiden, aangezien het door de officier van justitie bedoelde sms-verkeer moet worden gezien als een spel.

3. De rechtbank stelt vast dat de aangiftes/verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en de verklaringen van verdachte op belangrijke onderdelen, met betrekking tot feit 1, overeenkomst vertonen.

Verdachte bekent (pag. 157 van het proces-verbaal) dat hij de borsten en billen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft betast, zowel boven als onder de kleding. Ook heeft hij de meisje op de mond gezoend.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard: “Ik ben op 14 mei 2007 met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in mijn (leen)auto naar de IJssel gereden. Ik heb zowel bij [slachtoffer 2] als bij [slachtoffer 1] onder de trui een borst betast. Op 11 mei 2007 zijn zij bij mij thuis geweest en is er hetzelfde gebeurd: een hand onder de trui over de borst. Op 27 april 2007 ben ik ben met hen naar de IJssel gereden en heb een arm om hen heen gehad. Ik ben ook met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] bij de Ruif, het IJsselpaviljoen en de Luchte geweest. Bij de Luchte is voor het eerst een zoen gegeven. Ik heb beiden een zoen gegeven. Bij mij thuis zijn we naar boven gegaan en op die twijfelaar terecht gekomen. We lagen op bed; ik lag op mijn buik en zij op hun rug en toen heb ik beiden onder de trui en bh bij de borst betast. Er is denk ik ook gezoend. In het weekend van Koninginnedag ben ik twee keer naar Ruurlo gereden en heb ik met de meisjes in de auto gezeten”.

4. Voor het ten laste gelegde bestanddeel van het betasten van de schaamstreek en/of aanraken van de vagina van [slachtoffer 2] is slechts één bewijsmiddel aanwezig, namelijk de verklaring van [slachtoffer 2]. Daarin heeft [slachtoffer 2] gedetailleerd een voorval beschreven (pag. 63 van het proces-verbaal) waarbij zij met verdachte in diens woning op het bed (twijfelaar) lag. Toen [slachtoffer 1] naar de WC is gegaan, ging verdachte met zijn hand achter haar broek en onderbroek over haar geslachtsdeel, waarbij “hij stopte net boven de opening. Het was denk ik met zijn rechterhand. Ik merkte aan hem dat hij het leuk vond. Zijn uitdrukking was wel blij-vrolijk. Zijn ogen straalden. Ik vond het vies, eng en niet leuk.”

Verdachte heeft erkend op het bed met de beide meisjes te hebben gelegen, maar ontkent het betasten van de schaamstreek en/of aanraken van de vagina van [slachtoffer 2].

5. De rechtbank hecht (ook) ten aanzien van dit bestanddeel geloof aan de verklaring van [slachtoffer 2] en kent minder gewicht toe aan de ontkennende verklaring van verdachte.

In dat verband neemt de rechtbank nog in aanmerking dat [slachtoffer 2] heeft verklaard (pag. 57 van het proces-verbaal) dat indien zij en [slachtoffer 1] iets niet wilden, de verdachte boos werd en hen een schuldgevoel bezorgde. Dit vindt steun in de verklaring van [slachtoffer 1] (pag. 33 van het proces-verbaal): “Ik was bang. Ik dacht alleen maar “Ik wil hier weg!”. Ik was bang dat hij dan weer boos zou worden. Ik heb dat eerder meegemaakt. Dat was toen ik had gezegd dat hij niet aan mijn borsten mocht zitten”.

Voorts kent de rechtbank belang toe aan het over verdachte uitgebrachte rapport van Drs. L.J. Rempt, GZ-psycholoog, d.d. september 2007. Rempt stelt dat betrokkene, indien bewezen, vanuit zijn narcistische/ egocentrische instelling, bedoelde meisjes op regressieve, impulsieve wijze zodanig trachtte te sturen en te manipuleren dat er, ter regulering van zijn zelfgevoel - ‘prettig, gewaardeerd en gevleid’ - aan zijn driftmatige affectieve en seksuele verlangens werd voldaan.

6. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder feit 1 tenlastegelegde, zoals hiervoor uiteengezet, behoudens het bestanddeel “het (eenmaal) leggen van de hand van [slachtoffer 2] op zijn broek ter hoogte van zijn penis”.

7. Daarnaast stelt de rechtbank met betrekking tot feit 2 vast dat uit het onderzoek naar de GSM van [slachtoffer 2] is gebleken dat verdachte seksueel getinte sms-berichten naar [slachtoffer 2] stuurde, met o.a. de navolgende teksten:

“Helpen met klaarkomen. Of is dat teveel gevraagd?”;

“Jij moet me nu ‘opgeilen’ door jezelf naakt te beschrijven en hoe je mij de eerste keer klaar maakt”;

“Omdat ik veel aan je moet denken en met je wil vrijen”;

“Wil je verwarmen! Met jou vrijen is zoenen, strelen en hoop dat je me klaar maakt” en “Heb erg veel zin in je! Wil je me helpen klaarkomen”.

Uit de GSM van [slachtoffer 1] bevinden zich o.a. de navolgende tekstberichten in het dossier:

“… Wil nog minstens drie jaar van je genieten. Ook alleen met je zijn. Mijn probleem bespreken. Maar ook je borsten voelen. Verder rustig aan doen”;

“Bevredigen. Heb ik moeite mee. Sorry. Maar met jou denk ik niet! Wil niks opdringen maar je zou me wel helpen! Wil het met niemand anders!”;

“Wordt nu niet meteen boos verdomme! Ik heb een probleem. Jij kan me helpen. Je wil niet.jammer. Ga je heus niet onder druk zetten. Maar heb wel een probleem verdomme!”

Gelet op de inhoud van deze sms-berichten, kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk heeft geprobeerd om de meisjes te verleiden. De rechtbank vermag niet inzien dat sprake is van een spel, gelet alleen al op de grote hoeveelheid seksueel getinte sms-berichten in de richting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. Dat verdachte zich heeft laten meeslepen door de sms-jes die zij zouden hebben gestuurd doet daaraan niet af.

Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op het bovenstaande, in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 12 maart 2007 tot en met 19 mei 2007 in de gemeente Zutphen en Berkelland (Ruurlo), terwijl hij als teamleider werkzaam was op het Stedelijk Dalton College te Zutphen, meermalen ontucht heeft gepleegd met de aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarigen

[slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] en scholiere op voornoemde school,

en [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] en scholiere op voornoemde school,

welke ontucht bestond uit:

- het over en onder de kleding betasten van de borsten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en/of

- het over en onder de kleding betasten van de billen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en/of

- het zoenen (op de mond) van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en/of

- het over en onder de kleding betasten van de schaamstreek van [slachtoffer 2]

en/of

hij op tijdstippen in de periode van 12 maart 2007 tot en met 19 mei 2007 in de gemeente Zutphen en Berkelland (Ruurlo), meermalen met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, buiten echt, telkens ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit:

- het over en onder de kleding betasten van de borsten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en/of

- het over en onder de kleding betasten van de billen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en/of

- het zoenen (op de mond) van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en/of

- het over en onder de kleding betasten van de schaamstreek van [slachtoffer 2];

2.

hij op tijdstippen in de periode van 12 maart 2007 tot en met 19 mei 2007 in de gemeente Zutphen en de gemeente Berkelland, terwijl hij werkzaam was bij het Stedelijk Dalton College te Zutphen, het voornemen heeft gehad en heeft gepoogd om door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht ,

[slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] en scholiere op voornoemde school en

[slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] en scholiere op voornoemde school,

en van wie verdachte wist dat zij de leeftijd van achttien jaren nog niet hadden bereikt en met wie verdachte als werknemer van voornoemde school een vertrouwensband had opgebouwd,

telkens opzettelijk te bewegen tot het plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen,

te weten het zich laten bevredigen (klaarkomen),

welke poging tot verleiding (als bedoeld in artikel 248A van het Wetboek van Strafrecht) hieruit heeft bestaan, dat hij,

telkens SMS-berichten heeft verzonden aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met telkens seksueel getinte/beladen verzoeken en/of inhoud, gericht op het zich laten bevredigen (klaarkomen) en/of het zich laten aftrekken en/of laten betasten van zijn penis door die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2],

terwijl deze misdrijven niet zijn voltooid.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Feit 1:

ontucht plegen met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd en

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd;

Feit 2:

poging om door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voorvloeiend overwicht een minderjarige, wiens minderjarigheid de dader kent, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen met hem te plegen en/of van hem te dulden, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Over de verdachte is een psychologisch rapport, gedateerd september 2007, opgemaakt door drs. L.J. Rempt, voornoemd.

Met de conclusie van dit rapport, dat verdachte terzake van de onderhavige feiten, wegens een bij hem vastgestelde narcistische persoonlijkheidsstoornis, verminderd toerekeningsvat¬baar is te achten, kan de rechtbank zich verenigen. Zij neemt deze conclusie over.

Verdachte is strafbaar, nu overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen die hem zullen worden gegeven door of namens de reclassering; een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis; ontzetting uit het recht tot uitoefening van het beroep van leerkracht of coördinator in het onderwijs, gedurende een periode van 5 jaren. Tevens is gevorderd toewijzing van de vordering van [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 2.210,=, met daarbij oplegging van de maatregel tot schadevergoeding tot het bedrag van € 2.210,= subsidiair 44 dagen hechtenis; en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 2.570, met daarbij oplegging van de maatregel tot schadever¬goeding tot het bedrag van € 2.570,= subsidiair 51 dagen hechtenis.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder het bewezenver¬klaarde is begaan en de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De raadsman heeft gepleit voor een werkstraf, al dan niet in combinatie met een voor¬waardelijke vrijheidsstraf met proeftijd, waarbij de verdachte bereid is contacten te blijven onderhouden met de reclassering. De raadsman noemt in zijn pleitnota de omstandigheden waarmee rekening gehouden dient te worden.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging in aanmerking genomen dat de verdachte van zijn positie als vertrou¬wens¬persoon op de middelbare school misbruik heeft gemaakt. Hij heeft twee meisjes in de puberleeftijd, [slachtoffer 2] die reeds psychische klachten ondervond, en [slachtoffer 1], gemanipuleerd en gestuurd teneinde aan zijn eigen behoeftebevrediging te voldoen. De rechtbank hecht weinig geloof aan verdachtes verklaring dat hij slechts met de bedoeling om de meisjes gerust te stellen, hen heeft betast. Een en ander past in het geheel niet bij zijn positie (vertrouwenspersoon), ten opzichte van de meisjes. Ondanks dat verdachte heeft aangegeven spijt te hebben van zijn handelen, is de rechtbank hiervan niet voldoende overtuigd, mede gelet op het laatste woord ter terechtzitting waarin een sms-bericht van [slachtoffer 1] is aangehaald om haar verklaring bij slachtofferhulp te bagatelliseren. Bij zijn handelen heeft verdachte niet alleen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de meisjes (in een kwetsbare leeftijd), maar is aan hen tevens schade toegebracht in psychische zin.

De rechtbank houdt anderzijds rekening met de verminderde mate waarin verdachte toerekeningsvatbaar is te achten, de omstandigheid dat hij nog niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en het feit dat verdachte, op gevorderde leeftijd, als gevolg van het gebeurde zijn betrekking als docent heeft verloren.

De rechtbank is van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd, teneinde de ernst van de onderhavige feiten te benadrukken en anderzijds om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst weer strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal daarbij de bijzondere voorwaarde stellen dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die verdachte zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt.

Daarnaast acht de rechtbank met de officier van justitie een taakstraf, te weten een maximale werkstraf, op zijn plaats. Bedoelde taakstraf zal moeten worden verricht op een projectplaats als opgenomen in de door de Reclassering Nederland gehanteerde lijst van projecten.

Gelet op de hierboven bedoelde omstandigheden acht de rechtbank eveneens de bijkomende straf ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep leraar/docent op zijn plaats. De rechtbank zal evenwel de duur van deze ontzetting beperken tot twee jaren, nu het recidivegevaar niet groot wordt geacht (vgl. het rapport van drs. Rempt voornoemd) en verdachte bij het zoeken naar een nieuwe betrekking, mede gelet op zijn leeftijd, niet onevenredig zwaar in zijn mogelijkheden dient te worden beperkt.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2.570,= gevoegd in het onderhavige strafgeding ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 4.393,= gevoegd in het onderhavige strafgeding ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vorderingen is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen schade hebben geleden tot na te melden bedragen, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

De vorderingen dienen tot die bedragen te worden toegewezen, te weten aan [slachtoffer 2]

€ 2.068,= (bestaande uit kosten psycholoog ter hoogte van € 710,= (zijnde 8 maal € 88,75, behandeling was reeds gestart ten tijde van de bewezenverklaarde periode), reiskosten (€ 68,=), beltegoed à € 40,= en immateriële schade à € 1.250,=) en aan [slachtoffer 1]

€ 1.930,= (bestaande uit kosten EMDR-behandeling € 640,=, beltegoed à € 40,= en immateriële schade à € 1.250,=).

Wat betreft het meer gevorderde moeten de vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, nu zij in zoverre, wegens betwisting, niet van zo eenvoudige aard zijn dat zij zich lenen voor afdoening door de strafrechter.

Toepasselijke wettelijke artikelen

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 28, 36f, 45, 57, 247, 248a en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen onder 1 en 2 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Verklaart de verdachte ter zake het bewezenverklaarde strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Zutphen, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt.

Geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarde(n) hulp en steun te verlenen.

Veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

Een werkstraf gedurende 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen,

Beveelt dat voor de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf dat voor een dag in verzekering doorgebracht 2 uur per dag in mindering wordt gebracht.

Ontzet de verdachte van zijn recht tot het uitoefenen van het beroep leraar/docent gedurende 2 jaren.

Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], [adres, postcode,plaats] (bankrek.nr. [cijfers]), van een bedrag van

€ 1.930,= vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2007, met veroordeling in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering, nu deze niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1] voornoemd, een bedrag te betalen van € 1.930,=, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 38 dagen hechtenis zullen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij

[slachtoffer 2], [adres, postcode, plaats](bankrek.nr. [cijfers]), van een bedrag van € 2.068,=, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2007, met veroordeling in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering, nu deze niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 2] voornoemd, een bedrag te betalen van € 2.068,=, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 41 dagen hechtenis zullen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Aldus gewezen door:

Mr. Hödl, voorzitter, Mrs.Van Harreveld en Van de Wetering, rechters, in tegenwoordigheid van Damink, griffier, en uitgesproken op de terechtzitting van deze rechtbank van 19 oktober 2007.

De griffier is buiten staat mede te ondertekenen.