Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BB5721

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
16-10-2007
Datum publicatie
16-10-2007
Zaaknummer
06/460359-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte die tijdens een woordenwisseling met een mes een zwaaibeweging heeft gemaakt en daarmee zijn slachtoffer heeft geraakt is veroordeeld tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf.

Het verweer dat er sprake zou zijn van noodweer is verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460359-07

Uitspraak d.d.: 16 oktober 2007

Tegenspraak/ dip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [geboortedatum] 1988,

wonende te [adres en plaats].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 oktober 2007.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 juni 2007 te Apeldoorn ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven

te beroven, met dat opzet

meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig

voorwerp in het bovenlichaam/borstkas, althans de schouder/arm van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of

met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meerdere, althans een

stekende en/of zwaaiende beweging naar en/of in de richting van het

bovenlichaam/borstkas, althans de schouder/arm van die [slachtoffer] heeft

gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 30 juni 2007 te Apeldoorn aan [slachtoffer] opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel (gescheurde spieren en/of pezen in de bovenarm,

althans een steekwond in de bovenarm), heeft toegebracht, door deze opzettelijk

meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig

voorwerp in het bovenlichaam/borstkas, althans de schouder/arm van die [slachtoffer] te steken en/of

met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meerdere, althans een

stekende en/of zwaaiende beweging naar en/of in de richting van het

bovenlichaam/borstkas, althans de schouder/arm van die [slachtoffer] te maken.

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 30 juni 2007 te Apeldoorn ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig

voorwerp in het bovenlichaam/borstkas, althans de schouder/arm van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of

met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meerdere, althans een

stekende en/of zwaaiende beweging naar en/of in de richting van het

bovenlichaam/borstkas, althans de schouder/arm van die [slachtoffer] heeft

gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Bewijsoverweging

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de gehele tenlastelegging. Er is geen sprake geweest van opzet - ook niet in voorwaardelijke vorm - gericht op het doden van het slachtoffer dan wel gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel danwel een poging daartoe. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het toegebrachte letsel geen zwaar lichamelijk letsel betreft als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt het volgende.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het slachtoffer [slachtoffer] met een mes heeft gestoken en hem daarbij heeft verwond.

Tegenover de politie heeft de verdachte verklaard dat hij een steekbeweging maakte in de richting van de eerste de beste die op hem afkwam en dat hij merkte dat hij die jongen in de linkerschouder raakte (pag. 32); dat hij bij zichzelf heeft gedacht dat hij de eerste die nog bij hem in de buurt zou komen neer zou steken (pagina 38); dat de jongen een slaande beweging maakte en dat hij die jongen op dat moment heeft gestoken en dat het toeval was dat het mes in zijn schouder terecht kwam en dat hij heeft begrepen dat het allemaal veel erger had kunnen zijn (pag. 39).

Uit de verklaring die de getuige [getuige A] tegenover de politie heeft afgelegd (pagina 66) blijkt dat de verdachte tijdens de woordenwisseling die was ontstaan met zijn rechterhand, met daarin een mes, een ongecontroleerde zwaaibeweging heeft gemaakt. Aangever [slachtoffer] heeft verklaard (pagina 84) dat hij in de richting van de hand van verdachte heeft getrapt op het moment dat deze een zwaaiende beweging met zijn rechterhand maakte, terwijl verdachte daarin een mes vasthield. Hij probeerde zich nog af te wenden en zijn schouder in te trekken op het moment dat het mes zijn schouder raakte.

De aard van de gedraging van verdachte en de inhoud van de bewijsmiddelen, waaronder de hiervoor genoemde verklaringen, laten redelijkerwijs geen andere conclusie toe dan dat verdachte zich tenminste willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij door zijn handelen aan [slachtoffer] dodelijk letsel zou kunnen toebrengen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 30 juni 2007 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet eenmaal met een mes in de schouder van die [slachtoffer] heeft gestoken en met een mes een

stekende en/of zwaaiende beweging in de richting van het bovenlichaam van die [slachtoffer] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten las¬te gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

Primair: poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Door en namens verdachte is aangevoerd dat deze ten aanzien van het ten laste gelegde heeft gehandeld uit noodweer, daar hij zich in een situatie bevond welke noopte tot verdediging van zijn eigen lijf tegen een onmiddellijke feitelijke aanranding. Hij werd omsingeld door een groep personen die ook op het feestje aanwezig was en werd door een aantal van hen geschopt en geslagen. Hij heeft vervolgens het mes gepakt en daarmee gestoken.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich op het feestje niet welkom voelde. Bij het verlaten van de woning is sprake geweest van fysiek contact tussen verdachte en één of twee andere personen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij naar buiten is doorgelopen, zich heeft omgedraaid en dat er op dat moment een woordenwisseling tussen hem en die twee personen is ontstaan. Naar zijn zeggen stond hij op dat moment op ongeveer drie meter afstand van de voordeur, terwijl de twee personen met wie hij de woordenwisseling had nog nabij de deuropening stonden.

Uit de verklaringen van getuigen, van onder andere [getuige B] en [getuige C], blijkt dat verdachte de woning heeft verlaten, is weggelopen en even later weer in de richting van de woning is gelopen. Hij heeft een stoere houding aangenomen in de richting van de mensen die zich voor en in de woning bevonden. Hij had op dat moment een mes in zijn hand.

Naar het oordeel van de rechtbank verkeerde verdachte niet in een situatie waarin hij moest vrezen voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lijf waaraan hij zich niet kon onttrekken. Verdachte was na de woordenwisseling voldoende in de gelegenheid om te vertrekken, hij heeft dat gedaan, maar is kort daarna teruggelopen, ondanks dat hij voelde niet welkom te zijn en hem te verstaan was gegeven, zoals hij ook zelf tegenover de politie heeft verklaard, naar huis te gaan. Verdachte heeft zich aldus willens en wetens in de situatie begeven waarin een reactie - als hier aan de orde - te verwachten was (culpa in causa). Gelet hierop kan een beroep op noodweer dan wel een beroep op noodweerexces niet slagen.

Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank een gevangenisstraf met daarnaast een taakstraf als na te melden op zijn plaats. Bedoelde taakstraf zal moeten worden verricht op een projectplaats als opgenomen in de door de Stichting Reclassering Nederland gehanteerde lijst van projectplaatsen.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich na een woordenwisseling schuldig heeft gemaakt aan geweld tegen het slachtoffer [slachtoffer]. Deze heeft daarbij een relatief lichte verwonding opgelopen: de gevolgen van de steekbeweging van verdachte hadden veel ernstiger kunnen zijn.

Een delict als het onderhavige draagt bovendien sterk bij aan de in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat het een voor verdachte gespannen situatie moet zijn geweest waarbij hij op zijn beurt is geschopt en geslagen.

Teneinde verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan het plegen van een soortgelijk feit, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen.

In beslag genomen voorwerpen

Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, met betrekking tot welke het bewezenverklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van:

- een t-shirt aan de rechthebbende [slachtoffer];

- kleding aan de verdachte.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 790,--, te weten € 40,-- materiële schade en € 750,-- immateriële schade, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijs¬middelen en hetgeen verder ter terecht¬zitting met betrekking tot de gevorderde materiële schade is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vorde¬ring is voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank zal de benadeelde partij met betrekking tot de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren, nu dit deel van de vordering wordt betwist en de rechtbank van oordeel is dat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor afdoening in het strafgeding. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering derhalve slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 27, 36b, 36c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 (driehonderd) dagen.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 273 (tweehonderddrieenzeventig) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorge¬bracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 100 (honderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van

50 (vijftig) dagen.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een mes.

Gelast de teruggave van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp aan de rechthebbende [slachtoffer], te weten: een t-shirt.

Gelast de teruggave van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan de verdachte, te weten zijn kleding.

Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], [adres en plaats], rekeningnummer [nummer], van een bedrag van € 40,-- met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 40,--, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 1 dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en

andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Bos, voorzitter, Van der Hooft en Hemrica, rechters, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van

16 oktober 2007.

Mr. Hemrica is buiten staat mede te ondertekenen.