Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BB5443

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
28-09-2007
Datum publicatie
11-10-2007
Zaaknummer
05/1656
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

6:13 Awb; onderdelenfuik bij WAO-beoordelingen

Bij besluiten aangaande arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen is de medische en arbeidskundige beoordeling in beginsel als één besluitonderdeel in de zin van artikel 6:13 van de Awb te beschouwen. Het door eiser in de bezwaarfase gedane beroep op het vertrouwensbeginsel heeft evenwel geen betrekking op de medische en/of arbeidskundige beoordeling en kan naar het oordeel van de rechtbank ook anderszins niet herleid worden tot dit specifieke besluitonderdeel.

In aanmerking nemende voorts dat eiser, gelet ook op zijn verklaring ter zitting, er om hem moverende redenen welbewust van heeft afgezien de medische/arbeidskundige component van de schatting in bezwaar ter discussie te stellen, kan eiser redelijkerwijs worden verweten dat hij tegen het betreffende besluitonderdeel geen bezwaar heeft ingesteld.

Gelet op het voorgaande staat het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb er in het onderhavige geval aan in de weg dat in de beroepsfase nog beroepsgronden met betrekking tot het medisch/arbeidskundig onderdeel van de schatting worden ingebracht. De rechtbank zal die beroepsgronden dan ook verder niet inhoudelijk beoordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: 05/1656 WAO

Uitspraak in het geding tussen:

[naam]

te Doetinchem,

eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder.

1. Bestreden besluit

Besluit van verweerder van 29 augustus 2005.

2. Feiten

In verband met een uitval voor zijn toenmalige werkzaamheden als timmerman, is aan eiser ingaande 7 december 1978 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, laatstelijk per 6 november 2002 berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. In verband met inkomsten als zelfstandige uit een taxibedrijf is de WAO-uitkering gedurende een deel van het jaar 2002 niet tot uitbetaling gekomen.

In november 2004 heeft eiser telefonisch contact opgenomen met verweerder omdat hij een eigen koeriersbedrijf wilde beginnen. Op 1 december 2004 heeft eiser een gesprek gehad met de arbeidsdeskundige A.S.M. Snellink, waarbij hem (onder meer) een aanvraagformulier voor een zogeheten starterskrediet is overhandigd. Eiser is vervolgens opgeroepen voor het spreekuur van de verzekeringsarts D.E. Smit van 14 december 2004. Op basis van een door deze arts op 4 maart 2005 opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is eiser geschikt bevonden voor een aantal gangbare functies, waarbij het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt.

Bij primair besluit van 23 maart 2005 is eisers WAO-uitkering vervolgens ingaande 23 mei 2005 ingetrokken, op de grond dat van een relevante mate van arbeidsongeschiktheid per die datum geen sprake meer is. Bij het thans bestreden besluit is eisers bezwaar tegen de intrekking van zijn WAO-uitkering ongegrond verklaard.

3. Procesverloop

Namens eiser heeft mevr. mr. J.J. van der Woude, als advocaat verbonden aan Rechtshulp Oost Advocaten te Zutphen, beroep ingesteld op de in het (aanvullend) beroepschrift aangevoerde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft verweerder nog nadere stukken ingezonden en vragen van de rechtbank beantwoord, waarop namens eiser nog is gereageerd.

Het beroep is behandeld ter zitting van 18 september 2007, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Woude voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevr. M.M.J.E. Budel.

4. Motivering

In beroep heeft eiser zijn in bezwaar geuite grief gehandhaafd, dat hem door de arbeidsdeskundige Snellink zou zijn toegezegd dat hij zijn WAO-uitkering vanaf de aanvang van zijn werkzaamheden als zelfstandige zeker nog een jaar zou behouden, en - zoals ook in het jaar 2002 was geschied - eerst na afloop van het boekjaar zou worden bezien of de inkomsten evenredig waren met de bestaande mate van arbeidsgeschiktheid. Op basis van die mededelingen is eiser ingaande 1 januari 2005 met zijn onderneming gestart. In beroep heeft eiser voorts - voor het eerst - aangevoerd dat de geduide functies voor hem niet passend zouden zijn.

Verweerder heeft in dit verband allereerst aangevoerd dat eiser zich in de bezwaarfase uitsluitend beroepen heeft op het vertrouwensbeginsel, waarbij eiser – desgevraagd en tot twee keer toe – expliciet heeft aangegeven zich overigens met de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid te kunnen verenigen. Om die reden heeft verweerder zich in zijn heroverweging beperkt tot eisers beroep op het vertrouwensbeginsel, en zou een beoordeling van de medische en/of arbeidskundige kant van de schatting volgens verweerder in het kader van het thans aanhangige beroep in strijd zijn met een goede procesorde. Verweerder heeft in dit verband (onder meer) gewezen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 april 2007 (LJN: BA 2955). Ten slotte heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat van de zijde van het UWV geen uitdrukkelijke en ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan, die een voortzetting van de WAO-uitkering na 23 mei 2005 zouden rechtvaardigen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is met partijen van oordeel dat hetgeen door eiser in bezwaar is aangevoerd uitsluitend kan worden opgevat als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Niet in geding is derhalve dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling eerst in de beroepsfase namens eiser inhoudelijk is aangevochten.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat uit de door verweerder aangehaalde uitspraak van de CRvB d.d. 17 april 2007 slechts kan worden afgeleid dat door de Raad thans (kortgezegd) een gewijzigd toetsingskader in schattingszaken wordt voorgestaan. Dat gewijzigde toetsingkader voor de bestuursrechter moet naar het oordeel van de rechtbank evenwel worden onderscheiden van de vraag of een betrokkene zijn beroepsgronden in een latere fase van het bestuursrechtelijk geding nog kan uitbreiden.

In aanmerking nemende dat de inhoudelijke gronden tegen de arbeidsongeschiktheids-beoordeling reeds in een vroegtijdig stadium van de beroepsfase zijn ingebracht, wordt de vraag of die gronden in de beroepsfase nog kunnen worden aangevoerd naar het oordeel van de rechtbank niet zozeer beheerst door de beginselen van een goede procesorde, als wel door het bepaalde in artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals dit artikel ingaande 1 juli 2005 is komen te luiden. Ingevolge genoemd artikel kan (kort gezegd en voor zover hier van belang) een belanghebbende geen beroep instellen als hem redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben ingesteld.

Met de wijziging van artikel 6:13 van de Awb heeft de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis (o.a. kamerstukken II 2003-2004, 29 421, nr. 11) tot uitdrukking willen brengen dat de in beroep aangevoerde gronden alleen betrekking mogen hebben op onderdelen van een besluit waartegen in de bezwaarprocedure ook al is geageerd, tenzij de betrokkene redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij dit heeft nagelaten.

Bij besluiten aangaande arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen is de medische en arbeidskundige beoordeling naar het oordeel van de rechtbank in beginsel als één besluitonderdeel in de zin van artikel 6:13 van de Awb te beschouwen. Het door eiser gedane beroep op het vertrouwensbeginsel heeft evenwel geen betrekking op de medische en/of arbeidskundige beoordeling en kan naar het oordeel van de rechtbank ook anderszins niet herleid worden tot dit specifieke besluitonderdeel.

In aanmerking nemende voorts dat eiser, gelet ook op zijn verklaring ter zitting, er om hem moverende redenen welbewust van heeft afgezien de medische/arbeidskundige component van de schatting in bezwaar ter discussie te stellen, kan eiser redelijkerwijs worden verweten dat hij tegen het betreffende besluitonderdeel geen bezwaar heeft ingesteld. De omstandigheid dat eiser - zoals hij stelt - door de verzekeringarts zou zijn voorgehouden dat een aanvraag om een starterskrediet niet samen zou gaan met een volledige arbeidsongeschiktheid, maakt dit niet anders.

Gelet op het voorgaande staat het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb er in het onderhavige geval aan in de weg dat in de beroepsfase nog beroepsgronden met betrekking tot het medisch/arbeidskundig onderdeel van de schatting worden ingebracht. De rechtbank zal die beroepsgronden hier dan ook verder niet inhoudelijk beoordelen.

Met betrekking tot eisers beroep op het vertrouwensbeginsel is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is dat van de zijde van het UWV uitdrukkelijk en ondubbelzinnig onjuiste informatie is verschaft aangaande de voortzetting van eisers WAO-uitkering. De zich onder de gedingstukken bevindende handgeschreven gespreksaantekeningen, en de korte rapportage d.d. 6 april 2005 van de arbeidsdeskundige Snellink, bieden geen aanknopingspunten voor eisers stelling dat hem een ongewijzigde voortzetting van zijn WAO-uitkering zou zijn toegezegd, nu uit die stukken juist blijkt dat door de arbeidsdeskundige een nader onderzoek door de verzekeringsarts aan eiser in het vooruitzicht is gesteld.

In een situatie waarin een volledig arbeidsongeschikt bevonden WAO-gerechtigde aangeeft als zelfstandige te willen beginnen, kan verweerder voorts niet de bevoegdheid worden ontzegd in het kader van een zogeheten professionele herbeoordeling een nader onderzoek in te stellen naar diens mate van arbeidsongeschiktheid.

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers, voorzitter, en mrs. E. Troost en T. ter Brugge, leden, en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 28 september 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.