Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BB2331

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
07-08-2007
Datum publicatie
27-08-2007
Zaaknummer
86815 JERK 07-543
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2007:BB4371, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De stichting verzoekt om een machtiging tot uithuisplaatsing, omdat zij geen ingang hebben in het gezin van de vader waar de minderjarige woont. De vader heeft geen gezag over de minderjarige. De vader en de stiefmoeder beletten het de gezinsvoogd om met de minderjarige te spreken .

Het geplande gesprek in juli heeft geen doorgang gevonden , ondanks het feit dat de bijzondere curator van de minderjarige hierbij een bemiddelende rol zou spelen. Daarnaast stellen de vader en de stiefmoeder voorwaarden aan een in te stellen gezinsonderzoek, waardoor eveneens de uitvoering van de ondertoezichtstelling wordt geblokkeerd. De rechtbank zal het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen, om zo te waarborgen dat de minderjarige niet méér wijzigingen van haar verblijfplaats hoeft te ondergaan dan strikt noodzakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 86815 JERK 07-543

beschikking van de meervoudige kamer d.d. 7 augustus 2007

op het verzoek van:

de stichting: Het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering,

namens de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland,

gevestigd te: 9728 JR Groningen,

adres: Laan Corps den Hoorn 106,

advocaat: mr. M. Kramer te Soest,

inzake

de minderjarige [naam],

geboren op [geboortedatum] 1995 te [plaats],

bijzonder curator: mr. B.H. Bongers te Zwolle,

en

de moeder (ouderlijk gezag): [naam moeder],

wonende te: [adres en woonplaats]

mr. W.D.M. de Boer te Apeldoorn,

en

de vader: [naam vader],

wonende: op een geheim adres,

advocaat: mr. B.J. Ittmann te Zwolle.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 6 juli 2007;

- de brief van de gezinsvoogd van 6 juli 2007;

- de brief van mr. Ittmann van 9 juli 2007;

- de brief van de gezinsvoogd van 9 juli 2007;

- de telefoonnotities van de griffier van 10 juli 2007;

- de telefoonnotitie van de griffier van 11 juli 2007;

- de brief van mr. De Boer van 12 juli 2007;

- de brief met bijlagen van mr. Gaaf van 16 juli 2007;

- de brief van mr. De Boer van 17 juli 2007;

- de telefoonnotitie van de griffier van 19 juli 2007;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 juli 2007.

De beoordeling

De kinderrechter heeft de zaak doorverwezen naar de meervoudige kamer. De rechtbank neemt over hetgeen de kinderrechter in voormelde tussenbeschikking heeft overwogen en beslist.

In de voormelde tussenbeschikking heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van een jaar tot 11 september 2008. De kinderrechter heeft het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing aangehouden tot 25 september 2007, met dien verstande dat de gezinsvoogd kan verzoeken om een eerdere zittingsdatum, wanneer zij wordt belemmerd in

de uitvoering van haar taak.

Het standpunt van de minderjarige en de bijzonder curator

De minderjarige heeft de kinderrechter verzocht het verzoek tot uithuisplaatsing af te wijzen. Zij geeft aan dat zij graag bij haar vader en stiefmoeder wil blijven wonen.

De bijzonder curator heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij het systeemonderzoek van belang acht voor de minderjarige. Daarbij is het van belang dat de vader en de stiefmoeder onvoorwaardelijk meewerken aan dit onderzoek. De bijzonder curator is van mening dat een onterechte uithuisplaatsing een traumatische ervaring kan zijn voor de minderjarige.

Het standpunt van de moeder

De moeder voert geen verweer tegen het verzoek van de stichting. Mr. De Boer heeft de standpunten van de moeder bij voormelde brief aan de rechtbank toegezonden, omdat zij wegens vakantie niet ter terechtzitting kon verschijnen.

De advocaat van de moeder stelt dat op 3 juli jl. uitvoerig is gesproken over de omstandigheden en de situatie van de minderjarige daarin. De kinderrechter heeft duidelijk te kennen gegeven dat voortzetting van de weigerachtige houding van de vader onherroepelijk zal leiden tot een uithuisplaatsing. Desondanks hebben zij de gezinsvoogd de toegang geweigerd. Alle betrokkenen zijn van mening dat de situatie zorgelijk is en dat, gezien alle omstandigheden, de minderjarige zo snel mogelijk uit het gezin van de vader weg moet. Alleen al het feit dat de vader en de stiefmoeder hun categorische standpunt laten prevaleren boven het belang van het kind, moet schadelijk worden geacht voor het kind. De vader en de stiefmoeder hebben aan de gezinsvoogd laten weten dat de minderjarige per directe ingang kan worden opgehaald en dat zij de minderjarige hiervan op de hoogte hebben gesteld. Het is niet gewenst om een jong kind met deze wetenschap in een vacuüm te laten rondlopen.

Niet alleen de gezinsvoogd maar ook de moeder acht de situatie schadelijk voor het welzijn van de minderjarige. De uitvoering van de beslissing moet derhalve zo spoedig mogelijk worden geëffectueerd. De moeder maakt zich bovendien terecht ernstige zorgen over de risico’s waar de minderjarige aan bloot gesteld wordt. De moeder heeft ter terechtzitting aangegeven dat zij het belang van de minderjarige voorop stelt en dat zij zich voor haar zal blijven inzetten.

Het standpunt van de vader en de stiefmoeder

De vader en de stiefmoeder voeren, mede bij monde van hun advocaat, verweer tegen de uithuisplaatsing. Zij stellen dat het in de basis fout is gegaan, toen vorig jaar bij de problemen met de broer van de minderjarige, de gezinsvoogd is uitgegaan van zijn verhaal en geen onderzoek heeft gedaan naar de feiten. De nieuwe gezinsvoogd is met die vooroordelen aan het werk gegaan en heeft belastende uitspraken over hun gezin gedaan tegenover de directeur van de basisschool van de minderjarige. Als voorbeeld noemen zij dat de gezinsvoogd op school heeft aangegeven dat het gezin zich in de gevaarzone bevindt en mogelijk zelfs suïcidaal is.

De afgelopen negen maanden hebben de vader en stiefmoeder niets van de gezinsvoogd vernomen. De vader en de stiefmoeder willen eerst op neutraal terrein met de gezinsvoogd spreken, om het vertrouwen in de gezinsvoogd op te bouwen. De minderjarige heeft steeds aangegeven dat zij zich niet gehoord voelt over de dingen die zij aangeeft aan de

gezinsvoogd. De minderjarige heeft niet het vertrouwen dat door de gezinsvoogd ook opgeschreven wordt wat zij zegt, zonder dat er dingen verdraaid worden. Als voorbeeld noemen zij de foto die de gezinsvoogd van de minderjarige heeft gemaakt ten behoeve van haar dossier, de gezinsvoogd heeft een kopie van deze foto naar de moeder gestuurd, zonder de minderjarige om toestemming te vragen.

Hoewel de vader en de stiefmoeder inzien dat voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling feitelijk contact tussen gezinsvoogd en kind nodig is, ondersteunen zij de minderjarige in haar weigering alleen met de gezinsvoogd te spreken. Net als de minderjarige hebben zij ook geen vertrouwen in de nieuwe gezinsvoogd. Zij stemmen in met een laatste onderzoek, maar niet onvoorwaardelijk. Zij stellen daarbij de voorwaarde dat hun andere kinderen niet aanwezig zullen zijn als een systeemtherapeut in huis zou komen en op geen enkele wijze betrokken worden in dit onderzoek. Volgens de vader zou daarna wellicht ‘de macht’ aan hen overgedragen kunnen worden.

Het standpunt van de stichting

De stichting persisteert bij haar verzoek. De advocaat stelt dat het een ernstige zaak is dat de

vader en de stiefmoeder bij alles voorwaarden stellen. Dit is niet in het belang van de minderjarige. De advocaat van de stichting merkt op dat de vader en de stiefmoeder een houding hebben waarin zij aangeven dat het voor hen alles of niets is. Een middenweg is er niet.

Zij wijst hierbij op een uitspraak van het Hof te Arnhem van 28 november 2006, RFR 2007,57. In deze uitspraak heeft het Hof bepaald dat een ondertoezichtstelling zinvol is ondanks een moeizame communicatie, omdat de ondertoezichtstelling de

gezinsvoogdijwerker de mogelijkheid biedt om zich –zo nodig buiten de ouders om- op de hoogte te houden van de situatie van de minderjarige thuis en op school. Tevens heeft de gezinsvoogdijwerker de mogelijkheid de situatie positief te beïnvloeden door (zonodig) het geven van aanwijzingen.

De geslotenheid van dit gezin betekent voor de stichting dat zij geen verantwoordelijkheid

kan nemen voor de minderjarige in de thuissituatie.

De gezinsvoogd erkent dat zij met het toezenden van de foto van de minderjarige aan de

moeder niet correct heeft gehandeld. Zij heeft de situatie destijds verkeerd in geschat. Zij

merkt daarbij wel op dat zij van de vader en de stiefmoeder geen gelegenheid heeft

gekregen om de minderjarige haar excuus aan te bieden over het voorval met de foto.

De gezinsvoogd betreurt het dat de vader en de stiefmoeder nu ook voorwaarden stellen aan

het naar het functioneren van de minderjarige in het gezin van de vader en de stiefmoeder in

te stellen onderzoek. Bij dit onderzoek hoort het gehele systeem van de minderjarige en daar

horen ook haar halfbroertje en halfzusje bij.

De verdere overweging van de rechtbank

De rechtbank zal het verzoek tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een (observatie)-

pleeggezin toewijzen, op grond van de navolgende overwegingen.

De rechtbank betreurt het dat de gezinsvoogd op 11 juli 2007 geen gesprek heeft kunnen

hebben met de minderjarige, zoals is bepaald op de terechtzitting van 3 juli 2007. In verband

hiermede is de terechtzitting vervroegd naar de bovengemelde datum.

Een gegeven is dat de vader niet belast is met het ouderlijk gezag over de minderjarige,

waardoor bemoeienis van een gezinsvoogd noodzakelijk is. Ter terechtzitting is gebleken

dat de vader de zorg voor de minderjarige eerder ziet als een gunst verleend aan de

gezinsvoogd(ij-instelling) en de minderjarige, dan als zijn primaire verantwoordelijkheid als

vader van de minderjarige. Dit uit zich ook in zijn reactie op de kennelijk bij de broer van de

minderjarige levende onzekerheid over zijn biologische afstamming: hierover heeft hij geen

uitsluitsel gegeven, maar geantwoord dat dat niet het belangrijkste was, maar de feitelijk

band die er bestaat. Ter zitting heeft hij op vragen van de rechtbank aangegeven niet zeker

te zijn van het feit dat hij de biologische vader is van de minderjarige en haar broer.

Door voorwaarden te stellen wordt de tenuitvoerlegging van de ondertoezichtstelling

geblokkeerd. De impasse die is ontstaan met de gezinsvoogd, moet aan de vader en de

stiefmoeder worden toegerekend. De vader en stiefmoeder blijven hierin volharden ook als

dit zou betekenen dat de minderjarige dan uit hun gezin zou moeten vertrekken. Hierdoor

rijzen grote twijfels of de vader onvoorwaardelijk voor zijn dochter en haar belangen wil

kiezen. Dit zou eveneens een indicatie kunnen vormen voor de situatie die in de toekomst

zou kunnen ontstaan als de minderjarige, meer dan nu het geval is, haar eigen mening gaat

ontwikkelen en zich als puber zal afzetten tegen haar opvoeders. Van verzorgers wordt juist

dan gevraagd zich flexibel op te stellen en ondanks conflicten, de jongere een

basisvertrouwen te geven.

Het totaal verbroken contact tussen de vader, de minderjarige en haar broer is eveneens een

indicatie voor de starre wijze waarop binnen het gezin wordt omgegaan met conflicten. Het

volstrekt ontbreken van dit contact wordt niet in het belang van de minderjarige geacht.

In de huidige gezinssituatie is tot geen heden geen ruimte gecreëerd voor herstel van contact

met de moeder van de minderjarige. Zorgelijk is dat de minderjarige nog steeds geen contact

wil met de met het gezag belaste moeder en moeite heeft met het geven van een foto aan

haar. Ook wil ze geen contact meer met haar broer. Daarbij is het niet van belang of deze

houding voortkomt uit een door haar zelf gevormde mening, waarin zij door de vader en de

stiefmoeder wordt gesteund of dat zij daarin de houding van de vader en de stiefmoeder

overneemt.

De rechtbank realiseert zich dat een uithuisplaatsing voor de minderjarige opnieuw een

traumatische ervaring kan zijn, welke gelet op haar bewogen voorgeschiedenis met alle

mogelijke inzet voorkomen had moeten worden, dit mede in het licht van de vrees dat

hierdoor het contact tussen haar vader en zijn gezin van hun kant rigoureus zal worden

verbroken. Er is thans echter geen ruimte voor een andere beslissing, omdat een

gezinsvoogd nu eenmaal uitvoering moet kunnen geven aan de ondertoezichtstelling. Een

ongehinderd contact met de minderjarige is hiervoor wel de minste voorwaarde.

De rechtbank zal het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad

te verklaren afwijzen, om zo te waarborgen dat de minderjarige niet méér wijzigingen van

haar verblijfplaats hoeft te ondergaan dan strikt noodzakelijk.

De beslissing

De rechtbank:

verleent machtiging de minderjarige uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg

24-uurs (ten behoeve van observatie) voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 11 september 2008;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.W. Brands-Bottema, tevens kinderrechter, W.H. Westhuis en I.G.T.M. Weijers-van der Marck en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 augustus 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.