Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BB2006

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
08-08-2007
Datum publicatie
20-08-2007
Zaaknummer
69380 - HA ZA 05-422
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2010:BO6738, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afstand van recht van erfdienstbaarheid. Appartementseigenaren willen af van een erfdienstbaarheid die rust op het recreatieterrein en waarvoor zij jaarlijks een substantieel bedrag betalen. Geen misbruik van bevoegdheid in de zin van art. 3:13 BW. Proportionele benadering van art. 6:248 lid 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 69380 / HA ZA 05-422

Vonnis van 8 augustus 2007

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te [plaats],

2. [eiser 2],

wonende te [plaats],

3. [eiser 3],

wonende te [plaats],

4. [eiser 4],

wonende te [plaats],

5. [eiser 5],

wonende te [plaats],

6. [eiser 6],

wonende te [plaats],

7. [eiser 7],

wonende te [plaats],

8. [eiser 8],

wonende te [plaats],

9. [eiser 9],

wonende te [plaats],

10. [eiser 10],

wonende te [plaats],

11. [eiser 11],

wonende te [plaats],

12. [eiser 12],

wonende te [plaats],

13. [eiser 13],

wonende te [plaats],

14. [eiser 14],

wonende te [plaats],

15. [eiser 15],

wonende te [plaats],

16. [eiser 16],

wonende te [plaats],

17. [eiser 17],

wonende te [plaats],

18. [eiser 18],

wonende te [plaats],

19. [eiser 19],

wonende te [plaats],

20. [eiser 20],

wonende te [plaats],

21. [eiser 21],

wonende te [plaats],

22. [eiser 22],

wonende te [plaats],

23. [eiser 23],

wonende te [plaats],

24. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 24].,

gevestigd te [plaats],

25. [eiser 25],

wonende te [plaats],

26. [eiser 26],

wonende te [plaats],

27. [eiser 27],

wonende te [plaats],

28. [eiser 28],

wonende te [plaats],

29. [eiser 29],

wonende te [plaats],

30. [eiser 30],

wonende te [plaats],

31. [eiser 31],

wonende te [plaats],

32. [eiser 32],

wonende te [plaats],

33. [eiser 33],

wonende te [plaats],

34. [eiser 34],

wonende te [plaats],

35. [eiser 35],

wonende te [plaats],

36. [eiser 36],

wonende te [plaats],

37. [eiser 37],

wonende te [plaats],

38. [eiser 38],

wonende te [plaats],

39. [eiser 39],

wonende te [plaats]

40. [eiser 40],

wonende te [plaats],

41. [eiser 41],

wonende te [plaats],

42. [eiser 42],

wonende te[plaats],

43. [eiser 43],

wonende te [plaats],

44. [eiser 44],

wonende te [plaats],

45. [eiser 45],

wonende te Limmen,

46. [eiser 46],

wonende te [plaats],

47. [eiser 47],

wonende te [plaats],

48. [eiser 48],

wonende te [plaats],

49. [eiser 49],

wonende te [plaats],

50. [eiser 50],

wonende te [plaats],

51.[eiser 51],

wonende te [plaats],

52. [eiser 52],

wonende te [plaats],

53. [eiser 53],

wonende te [plaats],

54. [eiser 54],

wonende te [plaats],

55. [eiser 55],

wonende te [plaats],

56. [eiser 56],

wonende te [plaats],

57. [eiser 57],

wonende te [plaats],

58. [eiser 58],

wonende te [plaats],

59. [eiser 59],

wonende te [plaats],

60. [eiser 60],

wonende te [plaats],

eisers,

procureur mr. A.P. Maes,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BUITENCENTRUM RUIGHENRODE B.V.,

gevestigd te Lochem,

gedaagde,

procureur mr. C.B. Gaaf,

advocaat mr. S.J. van Susanne te Arnhem.

Partijen zullen hierna (ook) [eisers] en Buitencentrum Ruighenrode B.V. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 augustus 2006

- de akte uitlating productie met producties van [eisers]

- de akte uitlating producties, tevens overlegging nadere producties van Buitencentrum Ruighenrode B.V.

- de akte uitlating producties tevens akte overlegging nadere producties van [eisers]

- de akte uitlating producties, tevens overlegging nadere producties van Buitencentrum Ruighenrode B.V.

- de akte uitlating producties van [eisers]

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Ingevolge het tussenvonnis van 23 augustus 2006 heeft [eisers] zich uitgelaten over de wijze waarop de appartementsgerechtigden naar en van hun percelen zullen komen en gaan ingeval de erfdienstbaarheid komt te vervallen.

2.2. Bal heeft in zijn akten aangegeven dat de appartementsgerechtigden - op zeven van hen na - kunnen in- en uitwegen via de Ploegdijk. De zeven appartementsgerechtigden (de eisers onder 8, 21, 26, 38, 53, 60 en 64) die dat niet kunnen, kunnen gebruikmaken van één van de twee ontsluitingen aan de Dwarsweg. [eisers] heeft bouwvergunningen voor toegangshekken en vergunningen voor de in- en uitritten aan de Dwarsweg en de Ploegdijk aangevraagd. Deze vergunningen heeft gemeente Lochem op 10 november 2006 respectievelijk 24 januari 2007 verleend (producties 5 en 6 bij akte uitlating producties tevens akte overlegging nadere producties). Daarmee zijn de in- en uitritten - voor zover die voorheen al illegaal zouden zijn geweest - gelegaliseerd.

2.3. Buitencentrum Ruighenrode B.V. heeft niet betwist dat de vergunningen zijn verleend. Zij voert aan dat de vergunningen nog niet onherroepelijk zijn en dat zij daartegen bezwaar maakt. Zij heeft echter geen bezwaarschrift over gelegd. Het wordt er dan ook voor gehouden dat het door [eisers] als productie 7 bij akte van 31 januari 2007 overgelegde bezwaarschrift van Buitencentrum Ruighenrode B.V. het enige bezwaarschrift is. Dit bezwaarschrift van 16 december 2006 is gericht tegen de bouwvergunning voor de hekken maar niet tegen de verleende vergunningen voor de in- en uitritten. Bij gebreke van een ander (tijdig) ingediend bezwaarschrift, wordt aangenomen dat de vergunning voor het aanleggen van drie inritten, te weten twee uitritten aan de Dwarsweg en één aan de Ploegdijk, onherroepelijk is nu deze vergunning op 24 januari 2007 is verleend en de bezwaartermijn al was verlopen op de datum van de laatste akte van Buitencentrum Ruighenrode B.V. (14 maart 2007). Daar doet niet af dat [eisers] bij in zijn laatste akte van 11 april 2007 melding maakt van "een ongemotiveerd bezwaarschrift tegen de verlening van de in- en uitrit vergunning".

2.4. Dit brengt met zich dat het er voor moet worden gehouden dat alle appartementsgerechtigden in deze procedure in beginsel legaal kunnen in- en uitwegen zonder gebruik te hoeven maken van het perceel van Buitencentrum Ruighenrode B.V. Weliswaar lijkt het nog nodig om enkele verhardingen aan te brengen wil van een goede doorstroming en bereikbaarheid sprake kunnen zijn, maar gesteld noch gebleken is dat het ontbreken hiervan ertoe leidt dat een of meer eisers niet kunnen uitwegen via de in- en uitritten waarvoor vergunning is verleend. Daaraan doet niet af dat Buitencentrum Ruighenrode B.V. er op heeft gewezen dat de geprojecteerde nieuwe verhardingen en verkeersmaatregelen op het verkeersplan (kaart bij productie 5 bij akte van 31 januari 2007 van [eisers]), niet reëel zijn omdat sommige appartementsgerechtigden met de aanleg van die verhardingen niet zullen instemmen, tweerichtingsverkeer niet mogelijk is of medewerking van de Vereniging van Eigenaren De Schakel vereist is. Buitencentrum Ruighenrode B.V. heeft immers onvoldoende feitelijke gegevens aan haar verweer ten grondslag gelegd die nopen tot het oordeel dat het - wat er ook zij van de eventuele aan te leggen verhardingen en verkeersmaatregelen - voor één of meer van onderhavige eisers onmogelijk zal zijn uit te wegen via de Ploegdijk of de Dwarsweg zonder op het terrein van Buitencentrum Ruighenrode B.V. te komen.

2.5. Dit alles leidt tot het oordeel dat [eisers] voldoende antwoord heeft gegeven op de vraag van de rechtbank op welke wijze de appartementsgerechtigden naar en van hun percelen zullen kunnen komen en gaan ingeval de erfdienstbaarheid komt te vervallen. In zoverre wordt het er voor gehouden dat het beroep van [eisers] op artikel 5: 82 BW niet illusoir is en niet leidt tot illegale eigenrichting. In beginsel is Buitencentrum Ruighenrode B.V. dan ook gehouden medewerking te verlenen aan de door [eisers] gewenste afstand van recht.

2.6. Het briefadvies van prof. mr. W.R. Luijten-Meijer en prof. mr. E.A.A. Luijten van 1 mei 2006 (productie 1 bij akte van 10 mei 2006 van Buitencentrum Ruighenrode B.V.) over de (on)mogelijkheid van [eisers] afstand te doen, kan aan dit oordeel niet afdoen. Niet valt in te zien dat de andere erfdienstbaarheden die tussen partijen bestaan rechtstreeks en noodzakelijk samenhangen met de onderhavige erfdienstbaarheid. Voornamelijk is hier van belang dat partijen voor de ondergrondse leidingen en kabels een separate overeenkomst hebben gesloten (het addendum, dat Buitencentrum Ruighenrode B.V. niet aan het echtpaar Luijten ter hand heeft gesteld) zodat er op dat punt geen problemen kunnen ontstaan. Dit is ook wat deze zaak in het bijzonder onderscheidt van de zaak met rol/zaak nummer 76219 HA ZA 06-256 van 21 andere appartementsgerechtigden dan de onderhavige tegen Buitencentrum Ruighenrode B.V.

2.7. Thans moet beoordeeld worden of [eisers] misbruik maakt van zijn bevoegdheid in de zin van artikel 3: 13 BW, dan wel dat zijn beroep op artikel 5: 82 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

2.8. Vooropgesteld wordt dat terughoudendheid betracht moet worden bij het oordeel of misbruik van bevoegdheid wordt gemaakt. Getoetst moet worden of tussen de belangen van [eisers] en de daardoor geschonden belangen van Buitencentrum Ruighenrode B.V. een onevenredigheid bestaat die tot het oordeel moet leiden dat [eisers] in redelijkheid niet tot uitoefening van zijn bevoegdheid had kunnen komen. Voor dat oordeel zijn niet slechts de rechten en plichten doorslaggevend die rechtstreeks over en weer uit de erfdienstbaarheid voortspruiten, maar tevens naastgelegen belangen die getroffen worden door de afstand van [eisers]

2.9. Zoals reeds onder 4.2 overwogen in het tussenvonnis van 23 augustus 2006, ziet de erfdienstbaarheid enerzijds op het gebruik door [eisers] van de hoofdingang aan de Vordense weg, de (diensten van de) receptie, de parkeerplaats en de wegen en paden op het terrein van Buitencentrum Ruighenrode B.V. en anderzijds de betaling van jaarlijkse retributie door [eisers] Afstand van de erfdienstbaarheid brengt met zich dat [eisers] zijn recht op het voormelde gebruik op alle vier punten verliest waartegenover hij ontheven wordt van de plicht retributie te betalen.

2.10. Buitencentrum Ruighenrode B.V. op haar beurt zal de inkomsten uit de retributie missen maar anderzijds geen toegang tot haar terrein meer hoeven te verschaffen aan [eisers], geen receptiediensten meer hoeven verzorgen voor [eisers] en geen parkeerplaatsen meer ter beschikking hoeven te stellen aan [eisers] Buitencentrum Ruighenrode B.V. heeft een aantal belangen naar voren gebracht die door de afstand geschonden worden. Zij heeft gewezen op het navolgende:

- de retributie dient bedrijfseconomische belangen van Buitencentrum Ruighenrode B.V. Zonder retributie dreigt faillissement

- de retributie is (onder meer) nodig om de diensten die via de receptie aan de appartementsgerechtigden worden verleend, te bekostigen en voor onderhoud van het terrein. Andere appartementsgerechtigden en gebruikers van de diensten en het terrein worden onevenredig benadeeld indien een aanzienlijk deel van de appartementsgerechtigden geen retributie meer voldoet

- indien appartementsgerechtigden en hun bezoekers niet meer via de hoofdingang binnenkomen, is er geen controle meer mogelijk op wie er zich in het park bevinden. Dit doet afbreuk aan de veiligheid van het park en de functie van één hoofdingang. Bovendien valt dan voor de gemeente niet meer te controleren of, en zo ja, wie in strijd met het bestemmingsplan zijn woning permanent bewoont.

2.11. Op welke wijze en in hoeverre de bedrijfseconomische belangen van Buitencentrum Ruighenrode B.V. worden geschaad door het achterwege blijven van de betaling van retributie door [eisers] is slechts onderbouwd door een algemeen gestelde verklaring van registeraccountant J.S. de Witte (productie 9 bij conclusie van dupliek). Zijn conclusie luidt: "Het wegvallen van een bijdrage uit de retributie zou een dusdanig verlies tot gevolg hebben gehad dat er vragen zouden moeten worden gesteld over de continuïteit van de onderneming." Uit die verklaring volgt verder dat de financiële vooruitzichten van Buitencentrum Ruighenrode B.V. ook zonder dat de retributie van [eisers] achterwege blijft, allerminst rooskleurig zijn. Het had op de weg van Buitencentrum Ruighenrode B.V. gelegen - die de bewijslast draagt van haar stelling dat [eisers] misbruik van bevoegdheid maakt - voldoende feitelijk te onderbouwen in welke mate zij getroffen wordt door het ontbreken van de retributie-inkomsten. Nu zij dat heeft nagelaten zijn er onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen hoe zwaarwegend dit belang is. Om dezelfde reden wordt geen aanleiding gezien een deskundigenbericht te gelasten of Buitencentrum Ruighenrode B.V. toe te laten tot bewijs.

Hetzelfde heeft te gelden voor het belang dat de receptie en het terrein onderhouden blijven. Zo is onvoldoende naar voren gebracht om te kunnen oordelen dat louter het wegvallen van de retributie van [eisers] tot gevolg zal hebben dat de diensten van de receptie moeten worden verminderd/afgestoten en dat het terrein onvoldoende of niet onderhouden kan worden. Dit klemt temeer daar [eisers] steeds heeft betoogd dat ook mét de huidige inkomsten uit de retributie het onderhoud en de dienstverlening te wensen overlaten. Het derde aangevoerde belang - de controle aan de hoofdingang - is door [eisers] weersproken in die zin dat hij heeft aangevoerd dat ook voordat de in- en uitritten gelegaliseerd werden, appartementsgerechtigden en hun bezoekers gebruik maakten van (vooral) de in- en uitrit aan de Ploegdijk waardoor controle al langere tijd niet mogelijk was. Dit is erkend door Buitencentrum Ruighenrode B.V., al is zij het met die praktijk niet eens. Tot slot heeft Buitencentrum Ruighenrode B.V. onvoldoende naar voren gebracht om te kunnen concluderen dat het belang van de gemeente bij handhaving van het bestemmingsplan een belang is dat samenvalt met het hare of daarmee zo nauw verbonden is dat het belang van de gemeente in het kader van artikel 3:13 BW dient te worden meegewogen.

2.12. De conclusie is dat niet geoordeeld kan worden dat er onevenredigheid bestaat tussen het belang van [eisers] en de belangen van Buitencentrum Ruighenrode B.V. waardoor [eisers] in redelijkheid niet tot uitoefening van zijn bevoegdheid had kunnen komen. Het betoog van Buitencentrum Ruighenrode B.V. wordt in zoverre verworpen.

2.13. Daarnaast heeft Buitencentrum Ruighenrode B.V. aangevoerd dat [eisers] zijn bevoegdheid slechts gebruikt met het doel om uiteindelijk Buitencentrum Ruighenrode B.V. zelf in handen te krijgen. Daarmee wendt [eisers] zijn bevoegdheid aan voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Ter onderbouwing van haar stelling heeft Buitencentrum Ruighenrode B.V. gewezen op een presentatie die tijdens een ledenvergadering van de VVE op 18 maart 2000 is gehouden (productie 4 bij conclusie van dupliek). Blijkens die productie is de leden destijds voorgehouden welke voordelen en nadelen verbonden zijn aan een overname van de aandelen van Ruighenrode. Alleen het houden van een presentatie over de mogelijkheid van overname brengt echter niet mee dat [eisers] de intentie heeft de aandelen over te nemen. Gesteld noch gebleken is voorts dat partijen daarover serieus hebben onderhandeld. [eisers] heeft bovendien aangevoerd dat overname één van de scenario's is die is onderzocht om uit de problemen te raken die al langer bestonden tussen de appartementsgerechtigden en Buitencentrum Ruighenrode B.V. Dit scenario is volgens [eisers] zelfs op verzoek van Buitencentrum Ruighenrode B.V. onderzocht. Dat de bevoegdheid afstand te doen van de erfdienstbaarheid slechts wordt uitgeoefend voor het doel de aandelen van Ruighenrode over te nemen kan dan ook niet worden aangenomen. Het beroep van Buitencentrum Ruighenrode B.V. op artikel 3: 13 BW faalt dan ook.

2.14. Ter onderbouwing van haar beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid heeft Buitencentrum Ruighenrode B.V. naast de hiervoor genoemde belangen nog gewezen op de navolgende feiten en omstandigheden:

- [eisers] heeft relatief goedkoop zijn grond verkregen. De (hoogte van) de retributie dient deels als compensatie voor die gunstige grondprijs

- op grond van de rechtsverhouding tussen partijen, in het bijzonder artikel 29 lid 2 van de splitsingsakte, is [eisers] ertoe gehouden zich de bedrijfseconomische belangen van Buitencentrum Ruighenrode B.V. aan te trekken. In het verleden is al vaker gebleken dat [eisers] zijn afspraken niet nakomt waardoor de aard en opzet van Ruighenrode in het gedrang zijn gekomen en uiteindelijk onmogelijk werden

- het belang van [eisers] heeft slechts kunnen ontstaan omdat een groot deel van de eisers de woning permanent bewoont. De permanente bewoners hebben weinig behoefte aan de diensten van Buitencentrum Ruighenrode B.V. en weigeren daar dan ook voor te betalen. Buitencentrum Ruighenrode B.V. verkrijgt ook geen of nauwelijks inkomsten uit bemiddeling voor verhuur omdat de permanente bewoners hun woningen niet verhuren. Permanente bewoning is echter niet alleen in strijd met het bestemmingsplan maar ook met de tussen de appartementseigenaren en Buitencentrum Ruighenrode B.V. gesloten contracten.

2.15. [eisers] heeft niet de weersproken dat (de hoogte van) de retributie mede tot doel had de gunstige grondprijs te compenseren. Dit wordt dan ook als vaststaand aangenomen. [eisers] heeft weliswaar aangevoerd dat, nu de erfdienstbaarheid bestaat uit het gebruik van - kort samengevat - het terrein van Buitencentrum Ruighenrode B.V., de retributie slechts mag worden aangewend voor het onderhoud van dat terrein, maar daarmee miskent [eisers] dat Buitencentrum Ruighenrode B.V. degene is die de retributie heeft bedongen en niets eraan in de weg staat dat zij in die retributie mede de gunstige grondprijs verdisconteert. Gesteld noch gebleken is immers dat [eisers] bij de vaststelling van (de hoogte van) de retributie uitdrukkelijk heeft bedongen dat de door Buitencentrum Ruighenrode B.V. te ontvangen retributie slechts berekend mag worden naar en aangewend zou mogen worden voor onderhoud van het terrein en de receptie.

2.16. Ook heeft Buitencentrum Ruighenrode B.V. gelijk waar zij heeft aangevoerd dat uit de rechtsverhouding die tussen partijen bestaat, volgt dat [eisers] gehouden is zich de gerechtvaardigde (bedrijfseconomische) belangen van Buitencentrum Ruighenrode B.V. aan te trekken. Zonder dat precies kan worden aangegeven hoe groot die belangen zijn (zie hiervoor onder 2.11) kan wel worden aangenomen dat Buitencentrum Ruighenrode B.V. belang heeft bij de inkomsten uit de retributie van onderhavige appartementsgerechtigden om het park te kunnen exploiteren. Bij gebreke van die inkomsten kan er tevens van worden uitgegaan dat de belangen van andere appartementsgerechtigden en gebruikers van het park in enigerlei mate worden geschaad.

2.17. Nu Buitencentrum Ruighenrode B.V. niet (voldoende) heeft onderbouwd dat een (aanzienlijk) deel van onderhavige eisers de woning in het park permanent bewoont en dat evenmin is gebleken, wordt zij niet gevolgd in haar betoog dat het belang bij afstand slechts heeft kunnen ontstaan omdat een deel van de eisers het park illegaal permanent bewoont. Wel kan worden geconstateerd dat onderhavige appartementsgerechtigden kennelijk weinig behoefte hebben (gehad) aan de recreatieve voorzieningen en uitgebreidere diensten die Buitencentrum Ruighenrode B.V. in het verleden wenste aan te bieden. Dat kan verklaard worden door het feit dat de meeste appartementsgerechtigden kennelijk gekozen hebben voor riante vakantiewoningen in het park. Het segment van de bevolking dat kiest voor een dergelijke vorm van recreëren zal in het algemeen weinig behoefte hebben aan (uitgebreide) recreatieve voorzieningen. Ook zal dit segment minder snel kiezen voor verhuur van de eigen woning.

2.18. De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden evenals de bedrijfseconomische belangen van Buitencentrum Ruighenrode B.V. en de belangen van de andere gebruikers van het terrein van Buitencentrum Ruighenrode B.V. leiden tot het oordeel dat het uitoefenen door [eisers] van zijn bevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar wordt geacht voor zover dat ertoe zou leiden dat Buitencentrum Ruighenrode B.V. terstond en geheel verstoken zou blijven van bijdragen van eisers. [eisers] heeft echter uitdrukkelijk aangeboden een evenredig deel bij te dragen in de kosten van het onderhoud en aan de rechtbank verzocht met dit aanbod rekening te houden bij haar oordeel. Begrepen wordt dat [eisers], in het geval de rechtbank mocht oordelen dat uitoefening van zijn bevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, voorstaat dat de rechtbank in deze een proportionele benadering kiest. Mede in aanmerking genomen het aan het Burgerlijk Wetboek ten grondslag liggende uitgangspunt dat nietigheden in beginsel niet verder reiken dan de strekking daarvan meebrengt, zal ook in het geval de uitoefening van een bevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar wordt geacht, de mate van benadeling en de mogelijkheid voor opheffing daarvan een rol kunnen spelen bij de vraag welke rechtsgevolgen aan dat oordeel verbonden moeten worden. Die proportionele benadering dient er dan kennelijk volgens [eisers] toe te leiden dat haar vordering wordt toegewezen onder de voorwaarde dat zij een bijdrage in de kosten betaalt.

2.19. Geoordeeld wordt dat deze benadering voldoende tegemoet komt aan het nadeel van Buitencentrum Ruighenrode B.V. Buitencentrum Ruighenrode B.V. heeft tegen deze benadering bovendien geen verweer gevoerd. Voor de bepaling van de hoogte van de vergoeding zijn niet alleen de onderhoudskosten van het terrein relevant maar ook de hiervoor genoemde feiten, omstandigheden en belangen. In zoverre is er geen aanleiding nader te onderzoeken hoe hoog de onderhoudskosten voor Buitencentrum Ruighenrode B.V. daadwerkelijk zijn. Verder wordt aanleiding gezien de verplichting in tijd te beperken. Tijdens de hierna te vermelden periode wordt Buitencentrum Ruighenrode B.V. in staat geacht haar bedrijfsvoering op het ontbreken van inkomsten van [eisers] aan te passen. Tot slot zal de verplichting niet alleen voor ieder van de eisers dienen te gelden maar tevens voor zijn rechtsopvolgers.

2.20. De vordering van de [eisers] zal worden toegewezen onder de verplichting voor ieder van de eisers en hun onderscheiden rechtsopvolgers een jaarlijkse bijdrage aan Buitencentrum Ruighenrode B.V. te voldoen van € 300,00 gedurende vijf jaren, ingaande op 1 januari 2008 tot uiterlijk 1 januari 2013. De ingangsdatum is gekozen omdat [eisers] de retributie verschuldigd is tot nadat de akte tot afstanddoening is verleden.

2.21. De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd als na te melden.

2.22. Buitencentrum Ruighenrode B.V. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- dagvaarding € 94,53

- vast recht 244,00

- salaris procureur 2.486,00 (5,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 2.824,53

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt Buitencentrum Ruighenrode B.V. om binnen twee weken na betekening van dit vonnis en een schriftelijk daartoe strekkend verzoek van [eisers], onverwijld alle benodigde medewerking te verlenen aan het realiseren van de door [eisers] gewenste afstanddoening, meer in het bijzonder door haar medewerking te verlenen aan het passeren van de akte tot Afstanddoening Erfdienstbaarheden conform het door [eisers] als productie 4 bij dagvaarding in het geding gebrachte concept van mr. W.A. van Hoff, althans een daartoe (notariële) akte met gelijkluidende strekking, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat Buitencentrum Ruighenrode B.V. met het verlenen van de gevorderde medewerking in welke vorm ook in gebreke blijft tot een maximum van

€ 200.000,00,

3.2. bepaalt dat ieder van de eisers en hun onderscheiden rechtsopvolgers - nadat de in 3.1 bedoelde akte is verleden - vanaf 1 januari 2008 een jaarlijkse bijdrage aan Buitencentrum Ruighenrode B.V. verschuldigd is van € 300,00 tot uiterlijk 1 januari 2013,

3.3. veroordeelt Buitencentrum Ruighenrode B.V. in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 2.824,53,

3.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.C.M. Willemse en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2007.