Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BB1993

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
09-05-2007
Datum publicatie
20-08-2007
Zaaknummer
78364 - HA ZA 06-599
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat ongeacht of de erflater, toen hij de polissen sloot, een derde als begunstigde had aangewezen, er vanuit moet worden gegaan dat hij zichzelf als begunstigde heeft aangewezen onder de opschortende voorwaarde dat de eventuele overige begunstigingen geen effect hebben. Nu de begunstigingen in de polissen inderdaad door zijn echtscheiding en het niet nalaten van kinderen geen gevolg hebben gehad en de polis een blanco polis werd, is de opschortende voorwaarde vervuld en heeft de erflater een onvoorwaardelijk recht op uitkering verkregen waarover hij bij legaat kon beschikken. Door nu al zijn opeisbare vorderingen te legateren heeft de erflater dus ook dit onvoorwaardelijke recht op uitkering gelegateerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2008, 6 met annotatie van W.M.A. Kalkman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 78364 / HA ZA 06-599

Vonnis in de hoofdzaak van 9 mei 2007

in de zaak van

1. [eiser A],

wonende t[naam],

2. [eiser B],

wonende t[naam],

3. [eiser C],

wonende te [plaats],

eisers,

procureur mr. M. Blok

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats], gemeente [naam],

gedaagde,

procureur mr. R.W.J.M. Schuurman.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure in de hoofdzaak

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 januari 2007

- het proces-verbaal van de comparities van 2 februari 2007 en 26 maart 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten in de hoofdzaak

2.1. Op 22 september 2002 is overleden [erflater] Adelbertus Maria Hendriksen, zoon van [gedaagde] en hierna te noemen de erflater. De erflater is gehuwd geweest met mevrouw [naam]. Dit huwelijk is op 1 mei 1992 door echtscheiding ontbonden. Erflater heeft geen kinderen nagelaten.

2.2. De erflater heeft bij testament van 21 februari 1994 over zijn nalatenschap beschikt. Dit testament luidt, voor zover relevant:

"B. Indien ik ongehuwd kom te overlijden en geen nakomelingen achterlaat, legateer ik, af te geven binnen zes maanden na mijn overlijden:

(...)

2. aan de navolgende personen, tezamen en voor gelijke delen:

a. [eiser A],

(...)

b. [eiser B],

(...)

c. [eiser C],

(...)

- mijn contanten;

- mijn ten tijde van mijn overlijden opeisbare schuldvorderingen;

- mijn bank- en girotegoeden,

te verminderen met

- mijn crematiekosten;

(...)

D. Onder bezwaar van de sub B en C vermelde legaten benoem ik tot mijn erfgenaam: mijn moeder, [gedaagde] (...)

(...)

F. Ik benoem [executeur t[executeur testam[executeur testamentair], belastingadviseur, wonende te Ulft, (...) tot uitvoerder van mijn uiterste wilsbeschikkingen en belast hem met de verzorging van mijn crematie, met het recht alle goederen die tot mijn nalatenschap behoren, in bezit te nemen, zolang als voor de vereffening zal zijn vereist."

2.3. Bij verklaring van executele van 16 mei 2003 heeft [executeur testamentair] (hierna te noemen [executeur testamentair]) zijn benoeming tot executeur testamentair aanvaard.

2.4. Tot de nalatenschap van erflater behoren twee beleggingspolissen, Mixplan en Koersplan van Spaarbeleg Kas N.V., hierna te noemen Spaarbeleg met als ingangsdatum 31 december 1991, met een looptijd van 18 jaar en met de nummers[nummer]. Onderdeel van deze overeenkomsten is een verzekering ter dekking van het overlijdensrisico. Bij beide polissen heeft de erflater zichzelf als begunstigde aangewezen bij afloop van de verzekering. Voor het geval de erflater gedurende de looptijd zou overlijden is op de polis als begunstigde aangewezen zijn echtgenote en bij ontstentenis van zijn echtgenote, zijn kinderen.

2.5. Op beide polissen zijn identieke algemene voorwaarden van toepassing. Deze voorwaarden luiden, voor zover relevant:

"1. Definities

In deze voorwaarden wordt verstaan onder:

(...)

d. begunstigde:

a. degene die volgens de Spaarbelegovereenkomst gerechtigd is om het aandeel in de beleggingskas te ontvangen (begunstigde bij leven);

b. degene die volgens de Spaarbelegovereenkomst gerechtigd is om de uitkering krachtens de verzekering te ontvangen (begunstigde bij overlijden);

(...)

10. Uitkering bij overlijden.

Wanneer de verzekerde overlijdt voor de einddatum van de Spaarbelegovereenkomst (...) zal Spaarbeleg aan de begunstigde(n) een uitkering doen zoals in het certificaat staat beschreven.

(...)

12. Begunstiging

1 In de op het certificaat vermelde begunstiging wordt verstaan onder:

(...)

c. erfgenamen: degenen die krachtens erfstelling of de wet gerechtigd zijn in de nalatenschap, daaronder begrepen hun erfgenamen en rechtverkrijgenden onder algemene titel, de onderlinge verdeling geschiedt in de verhouding waarin zij in de nalatenschap zijn gerechtigd.

2. Tenzij een begunstigde de begunstiging in overeenstemming met lid 3 heeft aanvaard, gaat zijn recht niet over op zijn erfgenamen of rechtverkrijgenden, indien hij overlijdt voordat de uitkering waarvoor hij is aangewezen opeisbaar wordt.

3. Indien de begunstigde met schriftelijke toestemming van de inschrijver schriftelijk heeft verklaard de begunstiging te aanvaarden, kan de inschrijver de voor hem uit de Spaarbelegovereenkomst voortvloeiende rechten slechts uitoefenen met medewerking van de begunstigde die heeft aanvaard."

2.6. Op 4 mei 2004 heeft [executeur testamentair] aan [gedaagde] een brief geschreven die luidt, voor zover relevant:

"Bij deze ontvangt u kopieën van brieven welke ik heden verzond aan legatarissen.

(...)

Hierna volgt een berekening van de nalatenschap voor zover ik deze heb afgehandeld.

Bankrekeningen:

(...)

Spaarbeleg [nummer] 9916,56

Spaarbeleg [nummer] 9916,56

(...)

Totaal 25494,77

(...)

Vrienden – asverstrooien 4537,80

Resteert 19029,17

Als afgesproken wacht ik even eventuele reacties op mijn brieven af en stort ik het netto bedrag eind volgende week op uw bankrekening (...).

(...)"

2.7. Bij brief van 7 mei 2004 heeft [executeur testamentair] aan [eisers] een brief geschreven die luidt, voor zover relevant:

"Op verzoek van uw vader doe ik u hierbij een specificatie van uw legaat toekomen.

(...)

(...)

Totaal 4137

Af: Kosten crematie 940

Verstrooien as 4537

Resteert -1340

Hieruit blijkt dat de liquide middelen onvoldoende zijn geweest om aan u een bedrag in contanten uit te keren.

(...)

Ik blijf voor wat betreft de verzekeringspolissen van mening dat deze niet tot de banksaldi op sterfdag moeten worden gerekend. Dit is juridisch juist en of dit nu wel of niet de wil van [erflater] is geweest kan ik niet beoordelen. Ik moet mij aan de geschreven tekst houden.

Deze is ondubbelzinnig.

(...)"

2.8. [gedaagde] heeft nadat [executeur testamentair] de in zijn brief van 4 mei 2004 genoemde som aan haar had overgemaakt, het negatieve legaat van [eisers] aangezuiverd. Verder heeft zij aan elk van haar kinderen € 2.500,-- geschonken en heeft zij van het restant haar flat ingericht.

3. De vordering in de hoofdzaak

3.1. [eisers] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis

a. zal verklaren voor recht dat de polissen die erflater heeft afgesloten bij Spaarbeleg, zoals omschreven in de dagvaarding, behoren tot het legaat dat erflater middels zijn testament van 21 februari 1994, heeft toebedeeld aan [eisers];

b. partijen zal veroordelen over te gaan tot afwikkeling van de nalatenschap van erflater met inachtneming van het hiervoor onder a. gevorderde;

c. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van dit geding

3.2. Aan deze vordering legt [eisers] in het licht van de feiten de volgende stellingen ten grondslag. De door de erflater gesloten polissen met Spaarbeleg waren op het moment van overlijden van erflater aan te merken als opeisbare schuldvorderingen. Dit betekent dat de polissen onderdeel uitmaakten van het door erflater aan [eisers] toegekende legaat. [executeur testamentair] had de waarde van de polissen aan hem dienen uit te keren en niet aan [gedaagde]. Voor zover de bewoordingen van het testament terzake niet eenduidig zijn, dient het testament te worden uitgelegd naar de bedoeling van de erflater. Nu de erflater bepaald heeft dat onder het legaat ook de kosten van de crematie en de verstrooiing van de as vallen, kan dit niet anders betekenen dan dat de waarde van de polissen ook onderdeel uitmaken van het legaat. Indien dit niet het geval is, is het legaat negatief hetgeen in de praktijk zelden voorkomt.

4. Het verweer in de hoofdzaak

4.1. [gedaagde] heeft zich gemotiveerd verweerd en daartoe het volgende gesteld. Indien mocht blijken dat de waarde van de polissen aan [eisers] had moeten worden toebedeeld had [eisers] niet [gedaagde] moeten dagvaarden maar [executeur testamentair] tot vergoeding van zijn schade. [executeur testamentair] was de executeur testamentair van de erflater. In die functie heeft hij, indien geoordeeld wordt dat de polissen tot het legaat behoren, ten onrechte het geld aan [gedaagde] betaald en heeft hij aldus gehandeld in strijd met zijn wettelijke verplichting om de schulden van de nalatenschap te voldoen. [executeur testamentair] heeft door geen uitvoering te geven aan het testament, onrechtmatig dan wel onzorgvuldig jegens [eisers] gehandeld. Voor zover het oordeel luidt dat [gedaagde] terecht door [eisers] is gedagvaard, heeft [gedaagde] nog het volgende gesteld. Uit de tekst van het testament volgt ondubbelzinnig dat de polissen niet tot het legaat behoren. In artikel 1 sub d van de algemene voorwaarden bij de polissen wordt het begrip begunstigde gedefinieerd zowel bij leven van de erflater als bij zijn overlijden. Nu de erflater ten tijde van zijn overlijden geen partner en kinderen had, dient de waarde aan de erfgenamen zoals gedefinieerd in artikel 12 lid 1 sub c, te worden uitgekeerd. Voorts volgt uit lid 2 van artikel 12 dat de begunstiging moet worden aanvaard zodat in het licht van deze extra noodzakelijke handeling, niet gesproken kan worden van een opeisbare schuldvordering.

5. De beoordeling in de hoofdzaak

5.1. Het meest ver strekkende verweer van [gedaagde], dat [eisers] [executeur testamentair] had moeten dagvaarden tot vergoeding van zijn schade, zal worden gepasseerd. [eisers] vordert van [gedaagde] geen schadevergoeding maar vordert betaling aan hem van de uitkering van de spaarpolissen nu zij met dit bedrag, volgens [eisers] ongerechtvaardigd is verrijkt. Overigens heeft [eisers] ook niet gemotiveerd welke schade hij geleden heeft doordat [executeur testamentair] de uitkering aan [gedaagde] heeft betaald in plaats van aan hem. Het is bovendien aan de eiser om te bepalen tegen wie hij een rechtsvordering instelt. Hierbij is voorts van belang dat [executeur testamentair] - door het betalen van de uitkering aan [gedaagde] - geen wettelijke verplichting heeft geschonden. [executeur testamentair] heeft de schulden van de nalatenschap voldaan waarbij hem hoogstens – althans zo meent [eisers] – verweten kan worden dat hij de schuld aan de verkeerde heeft voldaan. Welke schade [eisers] lijdt voor het geval geoordeeld wordt dat de uitkering onder het legaat valt, wordt evenmin ingezien nu in dat geval [gedaagde] gehouden is alsnog het bedrag aan [eisers] te betalen.

5.2. Ter beoordeling is nu of, gelet op de tekst van het legaat en dan met name de zin "mijn ten tijde van mijn overlijden opeisbare schuldvorderingen" de erflater aan [eisers] het recht op uitkering van de beide spaarbelegverzekeringen heeft gelegateerd.

5.3. Zoals hiervoor vermeld heeft de erflater de overeenkomsten met Spaarbeleg op 31 december 1991 gesloten en is hij op 1 mei 1992 – enkele maanden daarna - gescheiden. Gelet op de begunstigingsclausule, hiervoor onder 3.5 vermeld, was aanvankelijk de echtgenote van de erflater de begunstigde. Nu de erflater evenwel in 1992 is gescheiden, heeft deze begunstiging geen gevolg heeft gekregen waardoor de polis een zogenaamde blanco polis is geworden.

Echter, anders dan door [gedaagde] gesteld, heeft dit niet zonder meer tot gevolg dat daardoor het recht op uitkering aan haar is vervallen. Dit kan worden afgeleid uit de tekst van artikel 7: 967 lid 8 BW in verbinding met de daarbij behorende wetsgeschiedenis (zie: Kamerstukken II, 1999-2000, 19 529 nr. 5).

Artikel 7:967 lid 8 BW luidt:

"Zolang geen derde als begunstigde is aangewezen, komt het recht op uitkering toe aan de verzekeringnemer. De verzekeringnemer wordt voorts geacht zichzelf als begunstigde te hebben aangewezen voor het geval dat geen aanwijzing van een derde als begunstigde gevolg heeft."

En de wetsgeschiedenis, voor zover relevant"

"3. Aan het zevende lid [thans lid 8, rb] kleven enige bezwaren. Terecht wijst W.M.A. Kalkman, diss. Amsterdam (VU), 1997, blz. 334 (vgl. ook blz. 73-74), er op dat de tweede zin van het zevende lid ten onrechte zou meebrengen dat een uitkering op een blanco polis of een polis waarbij de aanwijzing als begunstigde(n) geen gevolg blijkt te hebben, ook valt in een beperkte gemeenschap zoals een gemeenschap van inboedel of een gemeenschap van woning.

(...)

4. Om bovengenoemde overwegingen is gekozen voor een nieuwe redactie van het zevende lid. Uitgangspunt is daarbij dat aan de verzekeringnemer vanaf het moment van het sluiten van de verzekering een recht op uitkering toekomt (eerste zin). Na aanwijzing van een derde als begunstigde kan deze derde door aanvaarding een recht op uitkering verkrijgen. Als er echter geen aanwijzing plaatsvindt, of aan de aanwijzing (of aanwijzingen) geen gevolg toekomt - hetzij doordat zij wordt afgewezen hetzij doordat de begunstigde zijn recht verspeelt door het opzettelijk teweegbrengen van het verzekerde voorval -, dient de uitkering toe te komen aan de verzekeringnemer.

(...)

De verzekeringnemer behoudt ook bij aanwijzing van een derde als begunstigde een voorwaardelijk recht op uitkering, onder de opschortende voorwaarde dat geen begunstiging van een derde gevolg zal hebben. Dit voorwaardelijk recht behoort tot het vermogen van de verzekeringnemer en valt derhalve in een eventuele huwelijksgemeenschap of nalatenschap van de verzekeringnemer."

In het licht van het voorgaande heeft nu het volgende te gelden. Ongeacht of de erflater, toen hij de overeenkomsten sloot, een derde als begunstigde had aangewezen, moet er vanuit worden gegaan dat hij zichzelf als begunstigde heeft aangewezen onder de opschortende voorwaarde dat de eventuele overige begunstigingen geen effect hebben. Nu de begunstigingen in de polissen inderdaad door zijn echtscheiding en het niet nalaten van kinderen geen gevolg hebben gehad en de polis een blanco polis werd, is de opschortende voorwaarde vervuld en heeft de erflater een onvoorwaardelijk recht op uitkering verkregen waarover hij bij legaat kon beschikken. Door nu al zijn opeisbare vorderingen aan [eisers] te legateren heeft de erflater dus ook dit onvoorwaardelijke recht op uitkering aan hem gelegateerd. De uitkering had derhalve aan [eisers] moeten worden betaald en niet aan [gedaagde].

5.4. De vordering zal dan ook worden toegewezen als hierna vermeld. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de kosten waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat [eisers] op basis van een toevoeging procedeert.

Deze kosten worden begroot op:

dagvaarding: € 84,87

vast recht € 248,00

salaris procureur € 904,00 (2 punten á € 452,00)

-----------------

totaal € 1.236,87

6. De beslissing

De rechtbank

a. verklaart voor recht dat de polissen die erflater heeft afgesloten bij Spaarbeleg onder nummer [nummer] en met naam Spaarbeleg Mixplan en onder nummer [nummer] en met naam Spaarbeleg KoersPlan, behoren tot het legaat dat erflater middels zijn testament van 21 februari 1994, heeft toebedeeld aan [eisers];

b. veroordeelt [gedaagde] met [eisers] over te gaan tot afwikkeling van de nalatenschap van erflater met inachtneming van de hiervoor gegeven verklaring voor recht;

c. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding tot een bedrag van € 1.236,87, te voldoen aan de griffier van deze rechtbank door overmaking op rekeningnummer [nummer] ten name van arrondissement Zutphen onder vermelding van "proceskostenveroordeling, zaak- en rolnummer

78364 HAZA 06-599;"

d. verklaart de veroordelingen onder b. en c. uitvoerbaar bij voorraad;

e. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2007.