Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BB0927

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
09-05-2007
Datum publicatie
02-08-2007
Zaaknummer
81318 / HA ZA 06-1105
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet tegen een dwangbevel van de gemeente tot incassering van een bestuurlijke dwangsom. De beslissing wordt aangehouden nu in de procedure bij de bestuursrechter nog niet is beslist op het beroep tegen de opgelegde last onder dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 81318 / HA ZA 06-1105

Vonnis van 9 mei 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te Ermelo,

eiser in het verzet,

procureur mr. C.B. Gaaf,

advocaat mr. H.H. van Steijn te Deventer,

tegen

de openbare rechtspersoon DE GEMEENTE ERMELO,

gevestigd te Ermelo,

gedaagde in het verzet,

procureur mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat eerst mr. R.S. Wertheim, thans mr. T.K. Postma te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 februari 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 2 april 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is eigenaar van het perceel [adres] te Ermelo. Bij besluit van 15 december 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo een last onder dwangsom opgelegd. Het besluit luidt onder meer:

“(...)

Wij gelasten u daarom als overtreder om het de paardenbak en lichtmasten te verwijderen en het illegale gebruik als zodanig te staken op het perceel [adres] (kadastraal bekend als gemeente Ermelo, sectie G, sectienummer [nummer]) binnen 3 weken na dagtekening van deze brief. Gelet op de omstandigheden van dit geval hebben wij de dwangsom bepaald op een bedrag van € 1.000,-- per maand of een gedeelte van de maand, tot een bedrag van maximaal € 20.000,-- waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.

(...)”

2.2. [eiser] heeft op 9 januari 2006 bezwaar gemaakt tegen de opgelegde last onder dwangsom, welk bezwaar bij besluit van 18 mei 2006 ongegrond is verklaard. Op 15 juli 2006 heeft [eiser] vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank, op welk beroep tot de behandeling van deze zaak ter comparitie van partijen nog niet is beslist.

2.3. Bij brief van 15 maart 2006 heeft de Gemeente aan [eiser] geschreven dat zij heeft geconstateerd dat [eiser] niet binnen de gestelde termijn aan de last heeft voldaan. Voorts schrijft de Gemeente dat zij heeft geconstateerd dat [eiser] de illegale situatie heeft laten voortduren in de maanden januari tot en met maart 2006 en dat [eiser] als gevolg daarvan € 3.000,00 verschuldigd is aan de Gemeente. In deze brief wordt [eiser] verzocht dit bedrag aan de Gemeente te betalen binnen veertien dagen na dagtekening van de brief.

2.4. Op 20 april 2006 heeft de Gemeente [eiser] een aanmaning gestuurd voor het bedrag van € 3.000,00. Vervolgens heeft de Gemeente op 21 augustus 2006 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 29 augustus 2006 aan [eiser] is betekend. Ingevolge het dwangbevel maakt de Gemeente aanspraak op € 3.000,00 aan verbeurde dwangsommen en € 535,50 aan op de invordering vallende gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten. [eiser] is bij dagvaarding van 9 oktober 2006 tegen het dwangbevel in verzet gekomen.

3. De vordering

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal bepalen dat [eiser] wordt ontheven van hetgeen is bepaald in het dwangbevel van 21 augustus 2006, zoals betekend bij exploot van 29 augustus 2006, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van de procedure.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, onder meer de navolgende stellingen ten grondslag.

Het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom is niet onherroepelijk gelet op het bij de rechtbank ingestelde beroep daartegen. Van met het bestemmingsplan strijdig gebruik is geen sprake. Het houden van paarden is op grond van het bestemmingsplan bij een agrarisch bedrijf mogelijk voor zover dat een hobbymatig karakter heeft. Dat is hier het geval. De lantarens, waarvan de Gemeente op grond van de last verwijdering wenst, zijn geplaatst als veiligheidsverlichting en dienen niet om in het licht daarvan op het terrein paard te kunnen rijden. Wat door de Gemeente wordt aangeduid als een paardenbak is niet meer dan een uitloop voor de paarden van [eiser]. [eiser] heeft geen paardenbak en hij heeft daar ook helemaal geen behoefte aan. [eiser] verwijst naar hetgeen hij daarover in de administratiefrechtelijke procedure met betrekking tot de last naar voren heeft gebracht.

[eiser] betwist de last te hebben overtreden en dus dwangsommen te hebben verbeurd. De lantarens zijn verwijderd. Ook is de afrastering in de vorm van palen en planken rondom de paardenuitloop verwijderd. De Gemeente heeft geen bewijs bijeengebracht van de overtreding. [eiser] betwist dat de Gemeente invorderingskosten heeft gemaakt. Ook de buitengerechtelijke incassokosten zijn niet aangetoond.

4. Het verweer

4.1. De Gemeente concludeert dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal bepalen dat het verzet tegen het dwangbevel ongegrond is en [eiser] te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, vermeerderd met wettelijke rente met ingang van de veertiende dag na het te dezen te wijzen vonnis.

4.2. De Gemeente voert, samengevat weergegeven, de volgende verweren aan.

De paardenbak en de lichtmasten op het terrein van [eiser] zijn in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingplan daar aangelegd. Om die reden heeft de Gemeente de last onder dwangsom van 15 december 2005 uitgevaardigd. In de maanden januari tot en met maart 2006 heeft de Gemeente diverse malen geconstateerd dat [eiser] niet aan de last heeft voldaan. De Gemeente wijst op drie door haar in het geding gebrachte controlerapporten waaruit dit blijkt. Bovendien heeft [eiser] in de dagvaarding (bij punten 6 en 7) de aanwezigheid van de lichtmasten en paardenbak op zijn terrein in de litigieuze periode erkend. Ook meldt hij in de dagvaarding (bij punt 10) dat hij de lantarens en afrastering inmiddels heeft verwijderd. In die stelling ligt besloten dat de lantarens en afrastering in de litigieuze periode op zijn terrein hebben gestaan. Op 21 april 2006 heeft de Gemeente geconstateerd dat de paardenbak was aangepast en de lichtmasten waren verwijderd.

Nu er een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang bestaat, dient in die procedure de rechtmatigheid van het besluit aan de orde te komen. De burgerlijke rechter dient er dan ook van uit te gaan dat de beschikking zowel wat haar wijze van tot stand komen als wat haar inhoud betreft in overeenstemming is met de wettelijke voorschriften en rechtsbeginselen. Dat de last nog niet onherroepelijk is, maakt dat niet anders. Dat brengt mee dat de stellingen van [eiser], voor zover die betrekking hebben op de rechtmatigheid van de last onder dwangsom, in deze procedure buiten beschouwing dienen te blijven. Dit betreft de stellingen van [eiser] ten aanzien van het hobbymatig houden van paarden, dat de lantarens bedoeld zijn als veiligheidsverlichting, dat de paardenbak niets anders is dan een uitloop voor paarden en dat hij geen paardenbak nodig heeft omdat hij geen rijpaarden maar trekpaarden heeft. Overigens betwist de Gemeente de juistheid van die stellingen.

5. De beoordeling

5.1. Het verzet kan geacht worden tijdig en op de juiste wijze te zijn ingesteld, nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, zodat [eiser] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen.

5.2. In dit geschil is aan de orde de vraag of op basis van het besluit van de Gemeente van 15 december 2005 tot oplegging van een last onder dwangsom, door de Gemeente terecht aan [eiser] een dwangbevel is uitgevaardigd in verband met overtreding van die last. De Gemeente stelt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 16 mei 1986, AB 1986, 573 (Heesch/Van de Akker) dat in dit geschil moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van de last onder dwangsom, zowel wat betreft de wijze van totstandkoming als wat betreft de inhoud. Door [eiser] is in dat verband gesteld dat de last onder dwangsom nog niet onherroepelijk is geworden aangezien op het beroep bij de sector bestuursrecht van de rechtbank nog niet is beslist. Door de Gemeente is niet weersproken dat er nog niet in de beroepsprocedure is beslist. Dit brengt mee dat, anders dan de Gemeente stelt, niet voorshands van de rechtmatigheid van het besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom kan worden uitgegaan. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 19 januari 2001 (NJ 2001, 324) kan de verzetsrechter in dat geval summierlijk onderzoeken of de tegen het besluit aangespannen beroepsprocedure bij de (administratieve) rechter een redelijke kans van slagen heeft en zou kunnen leiden tot vernietiging van het besluit.

5.3. Nu partijen onder meer twisten over de precieze betekenis van de aan [eiser] opgelegde last en niet op voorhand gezegd kan worden welke door partijen gehanteerde uitleg de juiste is, acht de rechtbank het niet opportuun om te onderzoeken of de door [eiser] tegen het besluit aangespannen beroepsprocedure bij de administratieve rechter van deze rechtbank een redelijke kans van slagen heeft. Nu de bestuursrechter de rechtmatigheid van het besluit waarop het dwangbevel is gebaseerd nog dient te beoordelen zal de rechtbank, in afwachting van de uitkomst van de beroepsprocedure, de onderhavige zaak verwijzen naar de rol van 3 oktober 2007. Alsdan, of zoveel eerder als de uitkomst van die beroepsprocedure aan partijen bekend is geworden, zal de meest gerede partij bij akte de uitspraak in de beroepsprocedure in het geding kunnen brengen waarna de andere partij bij antwoordakte desgewenst daar op zal kunnen reageren.

5.4. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. verwijst de zaak naar de rol van 3 oktober 2007 voor het nemen van een akte door de meest gerede partij over hetgeen is vermeld in overweging 5.3.,

6.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op

9 mei 2007.?