Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BB0910

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
18-04-2007
Datum publicatie
02-08-2007
Zaaknummer
79439 - HA ZA 06-778
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissement; curator stelt vordering in tegen een derde op grond van onrechtmatige daad/ongerechtvaardigde verrijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 79439 / HA ZA 06-778

Vonnis van 18 april 2007

in de zaak van

1. mr. JANTINA ZANDVOORT, in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van mevrouw [gefaillisseerde 1],

wonende te [woonplaats],

2. mr. HENDRIK GROOTJANS, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de heer [gefaillisseerde 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. H. Grootjans,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. C.B. Gaaf,

advocaat mr. M. Cancian (voorheen: mr. K.M. Kole) te Arnhem.

Partijen zullen hierna enerzijds mr. Grootjans q.q., mr. Zandvoort q.q. en tezamen mr. Zandvoort q.q. c.s. en anderzijds [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 november 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 22 januari 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij vonnis van deze rechtbank van 8 juni 2000 werd de heer [gefaillisseerde 2], (hierna: [gefaillisseerde 2]), in staat van faillissement verklaard. In dit faillissement is mr. Grootjans benoemd tot curator.

Bij vonnis van de rechtbank te Groningen van 11 mei 2004 werd mevrouw [gefaillisseerde 1], geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats], wonende aan de [adres] te [woonplaats], h.o.d.n. SBA Financy en FRN Technologies (hierna: [gefaillisseerde 1]), in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. Zandvoort tot curator.

Het bedrijf SBA Financy en FRN Technologies was gevestigd aan de [adres] te [woonplaats].

2.2. [Gefaillisseerde 2] en [gefaillisseerde 1] zijn partners van elkaar en wonen al geruime tijd samen op het adres Wirdumermeedenweg 4 te Wirdum.

2.3. [Gefaillisseerde 2] woonde ten tijde van zijn faillietverklaring op het adres van zijn ouders, [gedaagden], aan de Grindstraat 15 te [woonplaats].

2.4. [Gefaillisseerde 2] heeft tijdens de faillissementsperiode, op 20 maart 2002, zonder medeweten en toestemming van mr. Grootjans, bij de Rabobank Klenckeland, gevestigd te Zweeloo, gemeente Coevorden, een betaalrekening met krediet (hierna: de rekening) geopend. Daarbij is een kredietfaciliteit verleend van € 50.000,--.

Op de overeenkomst met de Rabobank is als aanvrager vermeld: “de heer [gefaillisseerde 2]” en als adres: “[adres] te [woonplaats]”.

2.5. Op 29 juli 2002 is op de rekening een bedrag van € 60.000,-- bijgeschreven met als omschrijving: “[gedaagde 1] Energiepremie”.

2.6. Op 30 juli 2002 is een bedrag van € 37.500,-- van deze rekening afgeschreven ten gunste van [begunstigde], met als omschrijving: “Factuur 12702.21 MEXX”.

2.7. MEXX is de naam van een paard, dat destijds is gekocht ten behoeve van [gefaillisseerde 1], om deze te berijden in verband met wedstrijden. Het paard is daartoe ook op naam van [gefaillisseerde 1] geregistreerd bij de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie.

Het paard stond gestald bij [manegehouder] [adres] te [woonplaats] (hierna: [manegehouder]).

2.8. Op 15 januari 2004 heeft [gedaagden] een bedrag van € 10.000,-- opgenomen van de op zijn naam staande bankrekening bij de SNS Bank te Doetinchem.

2.9. Op 16 januari 2004 is op de in 2.8. bedoelde, op naam van [gedaagden] staande bankrekening bij de SNS Bank een bedrag van € 47.825,00 bijgeschreven onder de vermelding: “Dressuurstal [manegehouder] [adres] [adres] [woonplaats]n Verkoop Rexx”. Het bankafschrift waarop deze storting is vermeld, dateert van 20 januari 2004.

2.10. Op 29 januari 2004 en op 5 februari 2004 zijn ten laste van de SNS Bank rekening van [gedaagden] bedragen van respectievelijk € 10.000,--, € 10.000,--, € 5.000,-- en € 10.000,-- afgeschreven en overgeboekt op een bankrekening ten name van [de stiefvader], [adres] te [woonplaats].

2.11. [De stiefvader] (hierna: [de stiefvader]) is de stiefvader van [gefaillisseerde 1].

2.12. Mr. Zandvoort q.q. c.s. heeft tot zekerheid van verhaal van zijn vordering op 3 mei 2006 conservatoir beslag doen leggen op het aan [gedaagden] toebehorende registergoed.

3. De vordering

3.1. Mr. Zandvoort q.q. c.s. vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan mr. Zandvoort q.q. c.s. te voldoen, onder de bepaling dat betaling aan één van de curatoren door [gedaagden] hem bevrijdt van de betaling aan de andere curator, het bedrag van € 47.825,-- zijnde de verkoopsom van het paard MEXX, dat hij onrechtmatig onder zich houdt, waardoor hij ongerechtvaardigd wordt verrijkt, dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2006 tot aan de datum der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met de kosten van het gelegde conservatoire beslag ad € 280,82.

3.2. Mr. Zandvoort q.q. c.s. legt aan zijn vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de navolgende stellingen ten grondslag.

De opbrengst van het paard MEXX van € 47.825,-- behoort toe aan de beide failliete boedels van [gefaillisseerde 1] en [gefaillisseerde 2], dan wel aan één der beide failliete boedels. Door dit bedrag te behouden en niet in één der failliete, dan wel beide, failliete boedels te storten wordt [gedaagden] ongerechtvaardigd verrijkt ten kosten van deze boedel(s). Bovendien handelde [gedaagden] onrechtmatig jegens de failliete boedels van [gefaillisseerde 1] en [gefaillisseerde 2], nu hij wist van de faillissementssituatie van zowel [gefaillisseerde 1] als [gefaillisseerde 2], terwijl hij ook wist dat hij geen enkel bedrag betaald had aan het paard MEXX. [gedaagden] had wetenschap van het feit dat zowel [gefaillisseerde 2] als [gefaillisseerde 1] in staat van faillissement waren verklaard enerzijds ten gevolge van de publicaties in de kranten en anderzijds ten gevolge van het feit dat [gefaillisseerde 2] in staat van faillissement is verklaard op het adres van [gedaagden] en tijdens het faillissement daar ook nog een lange periode heeft gewoond, voordat hij ging samenwonen met [gefaillisseerde 1].

Het paard MEXX is via de rekening van de Rabobank Klenckeland betaald. Zou het bedrag waarmee het paard is gekocht door [gedaagden] zijn geschonken, dan nog valt de waarde van het paard in de failliete boedel van [gefaillisseerde 2]

[gefaillisseerde 1] wist van het faillissement van [gefaillisseerde 2], zodat een eventuele schenking van het paard door [gefaillisseerde 2] aan [gefaillisseerde 1] ook onrechtmatig zou zijn.

4. Het verweer

4.1. [gedaagden] concludeert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, mr. Zandvoort q.q. c.s. niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering, althans de vordering zal afwijzen, met veroordeling van mr. Zandvoort q.q. c.s. in de kosten van deze procedure.

4.2. [Gedaagden] voert het navolgende ten verwere aan.

[Gefaillisseerde 1] was ten tijde van de aan- en verkoop van het paard MEXX eigenaar van het paard. [gedaagden] wist niet of [gefaillisseerde 1] het paard zelf had gekocht of dat [gefaillisseerde 2] het paard ten behoeve van [gefaillisseerde 1] heeft gekocht en aan haar heeft geschonken.

De koopsom kwam derhalve aan haar toe en niet aan [gefaillisseerde 2]

De vordering van Grootjans q.q. dient reeds om deze reden te worden afgewezen.

Voor zover toch zou komen vast te staan dat [gefaillisseerde 2] eigenaar was van het betreffende paard, geldt dat de koopsom [gefaillisseerde 1] niet toekwam. In dat geval dient in ieder geval de vordering van mr. Zandvoort q.q. te worden afgewezen.

[Gedaagden] heeft, kort nadat hij het bedrag van € 47.825,--heeft ontvangen, de betreffende bedragen op verzoek van [gefaillisseerde 1] en/of [gefaillisseerde 2] doorgestort.

[Gedaagden] is, behoudens het bedrag van € 2.825,-- niet verrijkt, omdat hij een bedrag van € 10.000,-- contant heeft betaald aan [gefaillisseerde 2] en een bedrag van € 35.000,-- heeft betaald aan [de stiefvader]. [gefaillisseerde 1] en/of [gefaillisseerde 2] zijn niet verarmd. Indien [gedaagden] al zou zijn verrijkt, is deze verrijking niet ten koste gegaan van mr. Zandvoort q.q. c.s., maar ten koste van dressuurstal [manegehouder], de koper van het paard. [manegehouder] kon immers alleen bevrijdend betalen aan mr. Zandvoort q.q. c.s., daar [gefaillisseerde 2] ten tijde van de verkoop van het paard al failliet was.

Tevens wordt betwist dat [gedaagden] onrechtmatig jegens de boedel heeft gehandeld. [gedaagden] behoefde er geen rekening mee te houden dat het bedrag mogelijk aan de boedel in het faillissement van [gefaillisseerde 2] toekwam. Hij wist niet dat [gefaillisseerde 2] nog in staat van faillissement verkeerde. Hij had in dat geval ervan uit mogen gaan dat [gefaillisseerde 2] het bedrag van € 10.000,-- aan de curator zou afdragen. Bovendien mocht [gedaagden] ervan uitgaan dat het paard van [gefaillisseerde 1] was en dat de koopsom haar derhalve toekwam. Het paard stond immers op haar naam ingeschreven, terwijl zij gebruik maakte van dat paard.

Voor zover [gedaagden] al gehouden is ten titel van schadevergoeding het betreffende bedrag aan de boedel van Uytdewilligen te voldoen, geldt dat deze schadevergoedingsverplichting ingevolge artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dient te worden gematigd tot nihil, althans tot een ander door de rechtbank te bepalen bedrag. De onderhavige schade had kunnen worden voorkomen, indien Grootjans q.q. er op had toegezien dat [gefaillisseerde 2] dergelijke rechtshandelingen niet was aangegaan.

De waardestijging van het paard van € 47.825,-- -/- € 35.000,-- is gerealiseerd door inspanningen en investeringen van [gefaillisseerde 1]. Daardoor is een voordeel gerealiseerd, waarmee rekening dient te worden gehouden bij de berekening van de vermeende schade.

Indien de vordering van mr. Zandvoort q.q. c.s. zou worden toegewezen, brengt dat mee dat [gedaagden] de koopsom twee keer moet terugbetalen. Daartoe is hij gezien zijn financiële positie niet in staat.

5. De beoordeling

5.1. Vooropgesteld moet worden dat [gefaillisseerde 1] ten tijde van de door mr. Zandvoort q.q. c.s. aan [gedaagden] verweten gedragingen als hier in geding, niet failliet was. Dat niettemin [gedaagden] een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens de failliete boedel van [gefaillisseerde 1], dan wel ten koste van die boedel ongerechtvaardigd is verrijkt, valt zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet in te zien. Reeds om deze reden dient mr. Zandvoort q.q. niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering, zodat slechts nog voorligt de vordering van mr. Grootjans q.q. Ten aanzien van die vordering heeft het navolgende te gelden.

5.2. Mr. Zandvoort q.q. c.s. heeft ter comparitie aangegeven dat hij primair aan zijn vordering ten grondslag legt dat [gedaagden] onrechtmatig heeft gehandeld, doordat deze in strijd heeft gehandeld met een wettelijke plicht. Daarnaast heeft hij in dit verband een beroep gedaan op de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt. Klaarblijkelijk heeft mr. Zandvoort q.q. c.s. met de wettelijke plicht het oog gehad op het bepaalde in artikel 23 Faillissementswet (hierna: Fw).

5.3. Het volgende moet worden vooropgesteld. Ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge Raad is een faillissementscurator bevoegd voor de belangen van schuldeisers op te komen bij benadeling van schuldeisers door de gefailleerde, terwijl in zo’n geval onder omstandigheden ook plaats kan zijn voor het geldend maken door de curator van een vordering tot schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad tegen een derde die bij de benadeling van schuldeisers is betrokken, ook al kwam een dergelijke vordering (uiteraard) niet aan de gefailleerde zelf toe (vgl. HR 14 januari 1983, NJ 1983, 597).

5.4. Ingevolge artikel 23 Fw verliest de schuldenaar door de faillietverklaring van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen, te rekenen vanaf de dag waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken, die dag daaronder begrepen.

Dit betekent dat [gefaillisseerde 2] vanaf zijn faillietverklaring niet langer handelingen kon verrichten die zijn vermogen - in de zin van artikel 20 Fw - treffen. De in strijd met artikel 23 Fw verrichte handelingen zijn evenwel niet nietig. Dergelijke handelingen binden de boedel niet, maar wel [gefaillisseerde 2] zelf.

5.5. In het onderhavige geval is de aankoop van het paard gefinancierd met behulp van het krediet op de bankrekening die [gefaillisseerde 2] had geopend nadat hij failliet was verklaard. Ingevolge artikel 20 Fw is het paard, wat er verder zij van een eventuele schenking van het paard aan [gefaillisseerde 1], daarmee tot het faillissementsvermogen van [gefaillisseerde 2] gaan behoren en voor uitwinning beschikbaar. [gefaillisseerde 2] en/of [gefaillisseerde 1] heeft/hebben het paard verkocht aan Weesboom die de koopsom heeft gestort op de bankrekening van [gedaagden] Die koopsom komt ingevolge artikel 20 Fw evenwel toe aan de faillissementsboedel van [gefaillisseerde 2] Zijn ouders, [gedaagden], hebben het grootste deel van die koopsom doorbetaald aan [de stiefvader] en [gefaillisseerde 2] op verzoek van laatstgenoemde en/of [gefaillisseerde 1].

5.6. Artikel 23 Fw noch de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt brengt op zichzelf met zich dat iemand, die zonder machtiging van de curator aan de gefailleerde of in diens opdracht aan een derde betalingen doet, reeds daardoor een onrechtmatige daad jegens de failliete boedel pleegt (vgl. HR 24 april 1959, NJ 1959,580). Evenmin begaat deze persoon een onrechtmatige daad door het enkele feit dat hij het hem verschuldigde niet aan de curator afdraagt. Onder bijkomende omstandigheden waaruit bijvoorbeeld samenspanning of opzet gericht op benadeling van de schuldeisers van de boedel blijkt, kan dit anders zijn. Mr. Zandvoort q.q. c.s. heeft daartoe gesteld dat [gedaagden] wist van de faillissementssituatie van [gefaillisseerde 2] en tevens wist dat hij geen enkel bedrag had betaald aan het paard Mexx.

5.7. Op zichzelf kan worden uitgegaan van deze gegeven omstandigheden, nu [gedaagden] geacht moet worden op de hoogte te zijn van het faillissement van zijn zoon door de publicatie daarvan en het achterwege blijven van een publicatie in de krant dat het faillissement is opgeheven. Ook is het op zichzelf juist dat [gedaagden] niet had bijgedragen in de financiering van het paard Mexx. Evenwel leiden deze omstandigheden er niet toe dat [gedaagden] een verwijt kan worden gemaakt van diens handelen als in geding. Daarvoor is in de eerste plaats redengevend dat hij door overlegging van een schriftelijk stuk onderbouwd heeft aangevoerd dat hij in de veronderstelling verkeerde en mocht verkeren dat [gefaillisseerde 1] ten tijde van de aan- en verkoop van het paard Mexx eigenaar was van het paard. Verwezen wordt daartoe naar rechtsoverweging 2.7. Onbestreden is dat [gefaillisseerde 1] op dat moment niet failliet was. Voorts komt hetgeen door hem is aangevoerd er op neer dat zijn failliete zoon en [gefaillisseerde 1] de storting van geld op zijn bankrekening hebben aangekondigd, welke storting volgens zijn zoon diende ter compensatie voor de financiële steun die de ouders aan [gefaillisseerde 2] en [gefaillisseerde 1] hadden verleend. Direct daarop heeft [gedaagden] aan [gefaillisseerde 2] kenbaar gemaakt dat hij dat geld niet wilde hebben, maar navraag bij de bank leerde dat het geld reeds was gestort. Op verzoek van de zoon heeft [gedaagden] vervolgens het geld doorbetaald op de bankrekening van [de stiefvader] en contant aan [gefaillisseerde 2] Op het moment van doorbetaling op de rekening van [de stiefvader] was [gedaagden] in de veronderstelling dat dit een rekening betrof van [gefaillisseerde 2] en [gefaillisseerde 1] samen. Uit dit relaas volgt dat op het moment dat [gedaagden] het geld ontving op zijn bankrekening, hij niet op de hoogte was van de omstandigheid dat het geld afkomstig was van een derde, [manegehouder]. Evenmin was hij ervan op de hoogte dat hij het geld voor een deel doorbetaalde aan de stiefvader van [gefaillisseerde 1]. Van belang is voorts dat mr. Grootjans q.q. ter comparitie van partijen heeft verklaard dat hij het hiervoor beschreven relaas van de ouders gelooft.

Voorts is gesteld noch gebleken dat [gedaagden] ervan op de hoogte is geweest dat mr. Grootjans q.q. onbekend was met de aan- en verkoop van het paard Mexx, voor zover zulks al relevant is in het licht van de omstandigheid dat [gedaagden] ervan uit is gegaan dat [gefaillisseerde 1] het paard in eigendom had. Ook voor wat betreft deze omstandigheid kan [gedaagden] dan ook niet verweten worden dat hij ten tijde van de gewraakte handelingen heeft gezwegen jegens mr. Zandvoort q.q. c.s. waar spreken plicht was.

In het licht van de beschreven omstandigheden van het geval, in onderling verband beschouwd, heeft mr. Zandvoort q.q. c.s. onvoldoende gesteld ten aanzien van de bijkomende omstandigheden die het aan [gedaagden] verweten gedrag onrechtmatig maken, zodat voorbij moet worden gegaan aan de primaire grondslag van de vordering.

5.8. Nu de primaire grondslag van de vordering niet slaagt, is thans de beoordeling van de subsidiaire grondslag van de vordering van mr. Grootjans q.q. aan de orde. Daartoe wordt gesteld dat [gedaagden] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van de boedel van [gefaillisseerde 2]

5.9. Ingevolge artikel 6:212 BW is degene die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking. Hierbij geldt niet de beperking dat de verrijking onmiddellijk ten laste van het vermogen van de verarmde moet hebben plaatsgevonden, terwijl de actie ook niet is uitgesloten op de enkele grond dat aan de verarmde ook een vordering tegen een ander dan de verrijkte toekomt.

De enkele omstandigheid dat [gefaillisseerde 1] en/of [gefaillisseerde 2] niet zijn verarmd laat dan ook onverlet dat wel een verarming van de boedel van [gefaillisseerde 2] heeft plaatsgevonden, indien mocht komen vast te staan dat [gedaagden] (al dan niet via de schoonvader van [gefaillisseerde 1]) een bedrag aan [gefaillisseerde 1] en/of [gefaillisseerde 2] heeft betaald dat toekwam aan de boedel.

Voorts staat de enkele omstandigheid dat Zandvoort q.q. c.s. ook een vordering tegen [manegehouder] Weesboom zou kunnen instellen, niet in de weg aan een actie van Zandvoort q.q. c.s. uit ongerechtvaardigde verrijking tegen [gedaagden] en aan de eventuele gehoudenheid van [gedaagden] tot vergoeding van de schade die de boedel van [gefaillisseerde 2] mocht hebben geleden doordat [gedaagden] ten koste van deze boedel is verrijkt (vgl. HR 27 juni 1997, NJ 1997, 719).

5.10. De vraag die zich vervolgens voordoet is of [gedaagden] wel is verrijkt, in die zin dat een vermogensvermeerdering van [gedaagden] heeft plaatsgevonden.

Ter comparitie heeft mr. Grootjans q.q. de stelling dat daarvan sprake is nog aldus toegelicht dat [gedaagden] heeft beschikt over de verkoopsom.

Met mr. Zandvoort q.q. c.s. is de rechtbank van oordeel dat op het moment dat de verkoopsom op het bankrekeningnummer van [gedaagden] werd bijgeschreven sprake was van een verrijking van [gedaagden]

5.11. Voor het antwoord op de vraag of de verrijking van [gedaagden] ongerechtvaardigd was, is van belang of daarvoor een rechtvaardigingsgrond aanwezig was. Een verrijking is niet ongerechtvaardigd indien zij het gevolg is van een rechtshandeling (vgl. Parl. Gesch. boek 6 BW, T.M. blz. 829).

Vast staat dat de vermogensverschuiving niet berustte op een rechtshandeling tussen de verarmde – de failliete boedel van [gefaillisseerde 2] – en de verrijkte – [gedaagden] – maar op een rechtshandeling, bestaande uit een schenking, tussen [gefaillisseerde 2]. en [gedaagden]

Wat er zij van deze rechtshandeling, ingevolge artikel 23 Fw blijft die rechtshandeling zonder rechtsgevolg jegens de boedel van [gefaillisseerde 2] Immers, ten laste van de boedel verrichte prestaties kunnen op grond van dat artikel worden teruggevorderd door de curator van de derde. Gegeven de omstandigheid dat mr. Zandvoort q.q. c.s. het door [gedaagden] ontvangen geldbedrag terugvordert in deze procedure, wordt dezerzijds begrepen dat hij het hierbedoelde gevolg inroept. Dit betekent dat er geen rechtvaardigingsgrond aanwezig is voor de verrijking van [gedaagden] ten koste van de boedel van [gefaillisseerde 2]

5.12. Thans doet zich de vraag voor of en zo ja, in hoeverre, [gedaagden] verplicht is tot het vergoeden van de schade aan de boedel van [gefaillisseerde 2]

Daarbij is van belang dat op grond van het bepaalde in artikel 6:212 lid 1 BW [gedaagden] slechts verplicht is tot vergoeding van de schade aan de boedel, voor zover dit redelijk is. De vraag doet zich voor welke omstandigheden in aanmerking dienen te worden genomen bij de beoordeling van de zinsnede “voor zover dit redelijk is”.

In de Parl. Gesch. van boek 6 BW, T.M. blz. 830 is dienaangaande opgemerkt:

“Ook als een verrijking ongerechtvaardigd is, kunnen de omstandigheden van het concrete geval medebrengen dat een verplichting tot vergoeding van de schade tot het bedrag van de verrijking niet redelijk is. Als b.v. een verrijking buiten toedoen van de verrijkte plaatsvond en hem als het ware werd opgedrongen, kan het onredelijk zijn dat de verrijkte door betaling van een geldsom zijn verrijking ongedaan zou moeten maken. (...) Door de woorden “voor zover dit redelijk is” wordt derhalve aan de rechter de bevoegdheid gegeven alle omstandigheden in aanmerking te nemen en in verband daarmede een vordering tot schadevergoeding geheel of gedeeltelijk af te wijzen.”

Voorts is in het Eindverslag I. op blz. 836 opgemerkt:

“Anderzijds kunnen de woorden “voor zover dit redelijk is” niet worden gemist. Vanouds is het als een belangrijk bezwaar tegen het toelaten van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking gevoeld, dat in vele van de gevallen waarop zij betrekking heeft, de verrijking zonder medewerking van de verrijkte kan zijn ontstaan en aan deze aldus als het ware kan zijn “opgedrongen”. (...) De voormelde “opdringing” wordt niet reeds voldoende tegengegaan door het in de vraag aangehaalde artikel 6.1.12a [het huidige artikel 6:109 BW, rb.] dat op alle verbintenissen tot schadevergoeding van toepassing is en door zijn terughoudend geformuleerde maatstaf op schrijnender gevallen dan het onderhavige is afgestemd.”

5.13. In dit verband heeft [gedaagden] onweersproken ten verwere aangevoerd dat hij, toen hij het bedrag op zijn rekening ontving, dit bedrag niet wilde hebben en dat hij – afgezien van een bedrag van € 2.825,-- – niet meer beschikt over het bedrag van de verkoopsom van het paard, omdat hij dit aan [gefaillisseerde 2] en/of (de vader van) [gefaillisseerde 1] heeft (terug)betaald. Toewijzing van de vordering van mr. Zandvoort q.q. c.s. zou er toe leiden dat de koopsom twee keer zou moeten worden terugbetaald. Daartoe is [gedaagden] – zo wordt gesteld – financieel niet in staat.

Ter comparitie heeft de moeder van [gefaillisseerde 2] (gedaagde sub 2) nog toegelicht:

“Ik kreeg op [een, rb] gegeven moment telefoon van hem dat hij geld had laten storten omdat hij een paard had verkocht. Hij zei mij dat ik dat geld mocht hebben omdat wij zoveel voor hem hadden gedaan. Ik wilde dat geld niet hebben. (...) Ik wilde van het geld af.”

5.14. Mr. Grootjans heeft ter comparitie verklaard dat hij de ouders geloofde, zodat ervan uit moet worden gegaan dat er van de zijde van de curatoren ook niet aan getwijfeld wordt dat de verkoopsom van het paard aan de ouders is opgedrongen.

Nu zich hier derhalve een situatie voordoet van een opgedrongen verrijking, luidt de slotsom dat [gedaagden] slechts gehouden is tot vergoeding aan de boedel van het bedrag dat nog in hun vermogen resteert.

5.15. Aan het vorenstaande doet niet af dat [gedaagden] had moeten beseffen dat [gefaillisseerde 2] nog in staat van faillissement verkeerde en aldus redelijkerwijs rekening had moeten houden met een verplichting tot schadevergoeding. Daarmee wordt gerefereerd aan het bepaalde in de leden 2 en 3 van artikel 6:212 BW.

Ingevolge het bepaalde in die leden blijft de verrijking (slechts) buiten beschouwing voor zover de verrijking is verminderd als gevolg van een omstandigheid die niet aan de verrijkte kan worden toegerekend en wordt het de verrijkte niet toegerekend indien een vermindering plaatsvond in een periode waarin de verrijkte redelijkerwijze met een verplichting tot vergoeding van de schade geen rekening behoefde te houden.

Over de vraag naar de verhouding van de woorden “voor zover dit redelijk is” tot het bepaalde in de leden 2 en 3 van artikel 6:212 BW is in het Eindverslag I. op blz. 836 opgemerkt – in aansluiting op de zojuist geciteerde passage “Anderzijds kunnen de woorden “voor zover dit redelijk is” niet worden gemist. Vanouds is het als een belangrijk bezwaar tegen het toelaten van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking gevoeld, dat in vele van de gevallen waarop zij betrekking heeft, de verrijking zonder medewerking van de verrijkte kan zijn ontstaan en aan deze aldus als het ware kan zijn “opgedrongen”. –:

“De voormelde woorden hebben in de eerste plaats de strekking de rechter in deze gevallen in staat te stellen de vordering af te wijzen; (...) Daaraan doet niet af dat die woorden daarnaast onder meer de functie hebben die in het gewijzigd ontwerp verder is uitgewerkt in de leden 2 en 3 (...).

Nu de wetgever uitdrukkelijk heeft willen voorzien in de mogelijkheid om een verplichting tot vergoeding van schade als gevolg van ongerechtvaardigde verrijking (geheel of gedeeltelijk) af te wijzen, in geval van opgedrongen verrijkingen, ongeacht de vraag of de verrijkte rekening had moeten houden met een dergelijke verplichting tot vergoeding van schade, ziet de rechtbank geen aanleiding om in het onderhavige geval anders te oordelen.

5.16. Niet in geschil is dat [gedaagden] het bedrag van € 2.825,-- heeft behouden, terwijl evenmin in geschil is dat dit bedrag aan de boedel dient te worden vergoed. In zoverre is het ook niet onredelijk om dit bedrag aan de boedel te vergoeden.

Dit bedrag dient derhalve op grond van artikel 6:212 BW door [gedaagden] aan de boedel van Uytdewillligen jr. te worden vergoed.

5.17. De wetttelijke rente over het bedrag van € 2.825,-- kan als gevorderd worden toegewezen vanaf de datum waarop de dagvaarding is betekend, te weten 18 juli 2006.

5.18. Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, bestaat aanleiding om de proceskosten te compenseren. Dit betekent dat de vordering tot voldoening van de beslagkosten niet kan worden toegewezen.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. verklaart mr. Zandvoort q.q. niet-ontvankelijk in haar vordering,

6.2. veroordeelt [gedaagden] om aan mr. Grootjans q.q. tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 2.825,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 18 juli 2006 tot aan de datum der algehele voldoening,

6.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4. compenseert de proceskosten aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt,

6.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk, mr. C. Hoogland en mr. S.B. Boorsma en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2007.